Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1985

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
HD200.110.539_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:599
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Totstandkoming huurovereenkomst? Bekrachtiging na onbevoegde vertegenwoordiging? Gerechtvaardigd vertrouwen? Voorshands bewezen op grond van nakoming van de overeenkomst door gestelde betaling van huurpenningen. Tegenbewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 5, p. 259

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.110.539/01

arrest van 1 juli 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [de man],

wonende te [woonplaats],

2. [de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.A. Lensink te Bergen op Zoom,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.M.G.A. Sengers te Best,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 juli 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie [vestigingsplaats] gewezen vonnissen van 20 oktober 2010, 22 juni 2011 en 18 april 2012 tussen principaal appellanten – [appellanten] – (alsook de vennootschap onder firma Eggiedoll, [vennoot Eggiedoll] en [zaakvoerder Eggiedoll Europe]) als gedaagden en principaal geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 208246 / 10-1721)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en met eiswijziging;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd, waarvan proces-verbaal.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

In het handelsregister zijn de volgende gegevens geregistreerd onder nummer [handelsregisternummer 1]:

- op 1 januari 2004 is opgericht de vennootschap onder firma Eggiedoll (hierna: Eggiedoll);

- het vestigingsadres is [vestigingsadres 1], [postcode 1] [vestigingsplaats], datum ingang onbekend, en met ingang van 21 juni 2004 [vestigingsadres 2], [postcode 2] [vestigingsplaats];

- handelsnaam van Eggiedoll was onder meer: Eggiedoll Europe;

- volgens de bedrijfsomschrijving houdt Eggiedoll zich bezig met het produceren van Eggiedolls, poppetjes in een ei, met een voornamelijk educatief karakter, gericht op land-, streek- en volkskennis van onder meer de landen van de Europese Unie alsmede het beheren en uitoefenen van alle daarbij behorende rechten;

- op 6 januari 2009 is geregistreerd dat de onderneming is opgeheven met ingang van 1 januari 2009;

- als vennoten van Eggiedoll stonden geregistreerd [vennoot Eggiedoll] voornoemd vanaf 1 januari 2004 (onbeperkt bevoegd), [appellante 2] van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 (onbeperkt bevoegd) en [appellant 1] vanaf 1 januari 2006 (onbeperkt bevoegd).

4.1.2.

Als productie 1 is bij de dagvaarding in eerste aanleg gevoegd een op 18 juni 2004 ondertekende schriftelijke huurovereenkomst ‘winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’. Als verhuurder staat daarin [geïntimeerde] vermeld en als huurder Eggiedoll Europe, ingeschreven in het handelsregister onder nummer [handelsregisternummer 1], vertegenwoordigd door dhr. [zaakvoerder Eggiedoll Europe].

Volgens de inhoud van deze overeenkomst verhuurde verhuurder aan huurder de bedrijfsruimte [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats] voor de duur van een half jaar ingaande op 1 juli 2004 en lopende tot en met 31 december 2004.

Per betaalperiode van één kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst de huurprijs € 800,00 en het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege verhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten (waaronder water, gas en elektriciteit)

€ 150,00, totaal € 950,00, te vermeerderen met omzetbelasting (4.8 van de huurovereenkomst).

De eerste betaling van huurder heeft betrekking op de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 juli 2004. Het over deze eerste periode verschuldigde bedrag is € 1.130,50. Dit is inclusief omzetbelasting. Huurder zal dit bedrag vóór of op 1 augustus 2004 voldoen (4.9).

De uit hoofde van deze huurovereenkomst door huurder aan verhuurder te verrichten periodieke betalingen als weergegeven in 4.8 zijn in één bedrag bij vooruitbetaling verschuldigd in euro’s en moeten vóór of op de eerste dag van de periode waarop de betalingen betrekking hebben volledig zijn voldaan (4.10).

4.1.2.1. Op 11 december 2004 is schriftelijk vastgelegd in een document ‘Verlenging huurovereenkomst’ dat ‘naar aanleiding van het gesprek van afgelopen donderdag d.d. 09.12.04 tussen dhr. [zaakvoerder Eggiedoll Europe] (huurder [vestigingsadres 2]) en [geïntimeerde] (verhuurder)’ is afgesproken dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe], ‘zaakvoerder onder de naam EGGIEDOLL Europe’, het huurcontract voor wat betreft [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats] verlengt met 1 jaar.

4.1.3.

Door [geïntimeerde] zijn bij conclusie van repliek twee bankafschriften overgelegd (productie 7). Op 6 augustus 2004 is door storting vanaf een bankrekening ten name van Eggiedoll aan [geïntimeerde] een bedrag van € 2.261,00 overgemaakt met als omschrijving ‘huur maanden juli en augustus incl. servicekosten’. Op 26 november 2004 is door storting vanaf een bankrekening ten name van Eggiedoll aan [geïntimeerde] een bedrag van € 2.261,00 overgemaakt met als omschrijving ‘huur maanden september en oktober Eggiedoll Europe vof’. Daarna zijn geen huurbetalingen meer verricht.

4.1.4.

Bij gelegenheid van de op 2 februari 2012 gehouden (eerste) comparitie van partijen zijn partijen om aan deel van hun geschil een einde te maken het volgende overeengekomen. [zaakvoerder Eggiedoll Europe] zorgt ervoor dat het gehuurde wordt ontruimd op 4 februari 2011 en zal op 4 februari 2011 de sleutels van het gehuurde bezorgen op het kantoor van mr. Dielen (de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde]). Voorts verklaren gedaagden dat geen van hen [geïntimeerde] zal houden aan de huurovereenkomst, voor zover die mocht bestaan.

4.1.5.

In het handelsregister zijn de volgende gegevens geregistreerd onder nummer [handelsregisternummer 2]:

- op 26 juni 2007 is bij akte opgericht de stichting Stichting Eggietalk Europese Communicatie en Educatie (hierna: Eggietalk) (op 27 juni 2007 ingeschreven in het handelsregister);

- het adres is [vestigingsadres 2], [postcode 2] [vestigingsplaats];

- volgens de beschrijving heeft de stichting als activiteit het bevorderen van communicatie tussen scholieren van scholen in Europa (alles in schoolverband, niet op individuele persoonlijke basis van scholieren) ter verbetering en versterking van het Europese bewustzijn;

- bestuurders (allen gezamenlijk bevoegd): [bestuurder 1 Eggietalk], [bestuurder 2 Eggietalk] (secretaris/penningmeester, in functie 26 juni 2007), [bestuurder 3 Eggietalk], [bestuurder 4 Eggietalk] (bestuurder, in functie 26 juni 2007) en [vennoot Eggiedoll], [bestuurder 5 Eggietalk] (voorzitter, in functie 26 juni 2007, uit functie 1 augustus 2009).

4.2.

Na vermindering van eis bij repliek en intrekking van de eis voor zover ingesteld jegens [zaakvoerder Eggiedoll Europe] bij gelegenheid van de op 21 maart 2012 gehouden (tweede) comparitie van partijen, vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg de hoofdelijke veroordeling van Eggiedoll, [vennoot Eggiedoll], [appellant 1] en [appellante 2] tot betaling van achterstallige huurpenningen over de periode van 1 november 2004 tot en met februari 2011, alsmede € 8.476,48 aan wettelijke rente tot aan dagvaarding en € 1.785,00 aan buitengerechtelijk incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding alsmede hun veroordeling in de proceskosten.

4.3.

[appellanten], maar ook [vennoot Eggiedoll] en [zaakvoerder Eggiedoll Europe], hebben ieder voor zich gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4.

Na de eerste, op basis van het tussenvonnis van 20 oktober 2010 gehouden comparitie van partijen en vervolgens genomen conclusies heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 22 juni 2011 onder meer geoordeeld (kort weergegeven) dat aangenomen moet worden dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] geen volmacht had tot het aangaan van de huurovereenkomst namens Eggiedoll en dat [geïntimeerde] ook niet mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend aan [zaakvoerder Eggiedoll Europe] om op naam van Eggiedoll de huurovereenkomst aan te gaan, maar dat het beroep van [geïntimeerde] op (de schijn van) bekrachtiging van de onbevoegd door [zaakvoerder Eggiedoll Europe] op naam van Eggiedoll gesloten huurovereenkomst gegrond is. Voorts heeft de kantonrechter opnieuw een comparitie gehouden.

4.5.

Bij eindvonnis van 18 april 2012 heeft de kantonrechter vastgesteld dat Eggiedoll niet was verschenen en geoordeeld dat de vordering wegens huurachterstand en servicekosten tegen Eggiedoll toewijsbaar is. Voorts heeft de kantonrechter, onder vaststelling dat gelet op artikel 7:301 BW met ingang van 1 juli 2004 een huurovereenkomst voor de duur van vijf jaar gold en na verwerping van een beroep op verjaring en na geoordeeld te hebben dat het beroep op rechtsverwerking slaagt met ingang van 1 augustus 2008, beslissingen genomen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de onderscheiden vennoten van Eggiedoll: [vennoot Eggiedoll], [appellanten]. Beslist is kort gezegd het volgende:

- veroordeelt Eggiedoll, [vennoot Eggiedoll] en [appellante 2] hoofdelijk om aan [geïntimeerde] te betalen

€ 11.676,34 wegens huur en servicekosten over de periode van 1 november 2004 tot en met 31 december 2005, vermeerderd met de wettelijke rente;

- veroordeelt Eggiedoll, [vennoot Eggiedoll] en [appellant 1] hoofdelijk om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 20.247,91 wegens huur en servicekosten over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007, vermeerderd met de wettelijke rente;

- veroordeelt Eggiedoll om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 31.072,39 wegens huur en servicekosten over de periode 1 januari 2008 tot en met 28 februari 2011, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voorts heeft de kantonrechter proceskostenveroordelingen uitgesproken, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde (waaronder vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten) afgewezen.

Voorts in principaal hoger beroep

4.6.

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld. Bij gezamenlijke memorie van grieven hebben zij vijf grieven aangevoerd (grieven Ia, Ib, II, IIIa en – naar het hof begrijpt – IIIb).

Zij vorderen dat het hof de vonnissen van de kantonrechter van 22 juni 2011 en 18 april 2012 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep.

4.7.

Gezien de dagvaarding in hoger beroep hebben [appellanten] ook hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 20 oktober 2010. De grieven zijn niet gericht tegen dit tussenvonnis. [appellanten] dienen in het beroep daarvan dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.8.

In r.o. 9 van het tussenvonnis van 22 juni 2011 heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen.

“Het beroep van [geïntimeerde] op (de schijn van) bekrachtiging van de onbevoegd door [zaakvoerder Eggiedoll Europe] op naam van Eggiedoll gesloten huurovereenkomst is gegrond. Eggiedoll liet het gehuurde in het Handelsregister opnemen als haar adres, vermelde dat adres ook als haar adres op een visitekaartje van [vennoot Eggiedoll] en betaalde van haar (Eggiedolls) bankrekening de huurprijs over de eerste vier maanden van de overeenkomst. [geïntimeerde] mocht onder deze omstandigheden redelijkerwijs aannemen dat Eggiedoll de op haar naam onbevoegd gesloten huurovereenkomst bekrachtigde.”

4.9.1.

De grieven Ia en Ib van [appellanten] zijn hiertegen gericht. Zij hebben deze grieven als volgt toegelicht.

[appellant 1] was nog geen vennoot ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst. [appellante 2] was met het aangaan van de overeenkomst geheel onbekend. Zij heeft nooit inzage gehad in enig document waaruit zou blijken dat Eggiedoll een huurovereenkomst met [geïntimeerde] is aangegaan. Zij was met het bestaan ervan ook onbekend. Ook [vennoot Eggiedoll] heeft in rechte dit standpunt ingenomen. Met door [geïntimeerde] verzonden huurnota’s en betalingen ten laste van Eggiedoll is [appellante 2] eveneens onbekend. Hetzelfde geldt voor [appellant 1] in de periode vanaf 1 januari 2006.

De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] geen volmacht had tot het aangaan van de huurovereenkomst namens Eggiedoll met [geïntimeerde]. De huurovereenkomst welke door [zaakvoerder Eggiedoll Europe] is aangegaan is derhalve onbevoegd aangegaan (namens Eggiedoll).

[appellanten] menen dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] als huurder dient te worden aangemerkt. Dit volgt volgens hen ook uit de tekst van het document ‘Verlenging huurovereenkomst’ (zie hiervoor r.o. 4.1.2.2) waarin [zaakvoerder Eggiedoll Europe] als huurder wordt aangemerkt. Daarenboven blijkt dit volgens hen uit de als productie B bij de brief van 5 maart 2012 door hun gemachtigde in het geding gebrachte conclusie van dupliek van [zaakvoerder Eggiedoll Europe]. In deze conclusie stelt [zaakvoerder Eggiedoll Europe] volgens hen klip en klaar dat er, gelet op een kennelijk persoonlijke faillissementssituatie die hem aanging, de noodzaak bestond ‘de huurovereenkomst aan te gaan, zoals gebeurd is’.

Volgens [appellanten] is door [zaakvoerder Eggiedoll Europe], in gemeen overleg met [geïntimeerde], een constructie bedacht, waarbij [zaakvoerder Eggiedoll Europe] in de gelegenheid is gesteld een ruimte, in eigendom toebehorend aan [geïntimeerde], te betrekken, waarbij dan een “schijn-huurovereenkomst” op naam van Eggiedoll is opgesteld, welke door [zaakvoerder Eggiedoll Europe] als “vertegenwoordiger” is getekend.

Kennelijk, aldus [appellanten], kon [zaakvoerder Eggiedoll Europe] vanwege faillissementsperikelen geen huurovereenkomst op zijn naam stellen en ook geen huurbetalingen verrichten. Dit verklaart volgens hen ook dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] betaling van een aantal huurtermijnen heeft doen plaatsvinden met gebruikmaking van de bankrekening van Eggiedoll, waartoe hij – in 2004 de levenspartner van [vennoot Eggiedoll] – kennelijk toegang had.

Uit de conclusie van dupliek van [zaakvoerder Eggiedoll Europe] volgt volgens [appellanten] dat [geïntimeerde] van meet af aan heeft geweten dat er geen sprake kan zijn van vertegenwoordiging, zaakwaarneming en/of schijn van volmacht en bekrachtiging. Zij benadrukken dat [geïntimeerde] en [zaakvoerder Eggiedoll Europe] goed bekend met elkaar waren. [zaakvoerder Eggiedoll Europe] was op zoek was naar ruimte voor zijn adviespraktijk. [geïntimeerde] was op de hoogte van de leefomstandigheden en financiële positie van [zaakvoerder Eggiedoll Europe].

Met de grieven Ia en Ib voeren [appellanten] subsidiair aan dat, indien door het hof aangenomen wordt dat bekrachtiging van de onbevoegd aangegane huurovereenkomst heeft plaatsgevonden, uitsluitend de huurovereenkomst, aangegaan voor de duur van een half jaar, is bekrachtigd zodat dit slechts kan leiden tot de gehoudenheid tot betaling van huurpenningen over die periode van een half jaar, waarvan slechts twee maanden niet zijn voldaan.

4.9.2.

[geïntimeerde] heeft de grieven Ia en Ib als volgt bestreden.

[geïntimeerde] betwist dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] een goede bekende van hem was. [zaakvoerder Eggiedoll Europe], die hem door [bestuurder 2 Eggietalk] [bestuurder 1 Eggietalk] was aangeleverd als mogelijke huurder, nam contact op met [geïntimeerde] omdat Eggiedoll de ruimte aan de [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats] van hem wenste te huren. [zaakvoerder Eggiedoll Europe] deelde aan [geïntimeerde] mede dat hij de huurovereenkomst tot stand wenste te brengen in opdracht van zijn partner, [vennoot Eggiedoll], en namens Eggiedoll. Daarbij legde hij een kopie van het paspoort van [vennoot Eggiedoll] over alsmede een uittreksel uit het handelsregister op naam van Eggiedoll.

Naar de mening van [geïntimeerde] volgt de bekrachtiging van de huurovereenkomst louter en alleen al uit het feit dat [vennoot Eggiedoll], onbeperkt bevoegde vennoot van Eggiedoll en op de hoogte van het bestaan van de huurovereenkomst, als vestigingsadres van Eggiedoll het gehuurde op haar kaartje heeft opgenomen.

De bekrachtiging volgt verder louter en alleen al uit het feit dat Eggiedoll haar vestigingsadres in de kamer van koophandel heeft gewijzigd van de [vestigingsadres 1] te [vestigingsplaats] naar het adres van het gehuurde. De wijziging dient door een der vennoten ([vennoot Eggiedoll] of [appellante 2]) te zijn verricht, aldus [geïntimeerde].

Voorts volgt de bekrachtiging van de huurovereenkomst volgens [geïntimeerde] ook uit de huurbetalingen van 6 augustus 2004 en 26 november 2004 welke vanaf de bankrekening van Eggiedoll werden verricht.

[geïntimeerde] heeft in verband met het subsidiair door [appellanten] aangevoerde, naar voren gebracht dat de huurovereenkomst na 31 december 2004 stilzwijgend werd voortgezet. Op grond van de huurovereenkomst kan alleen beëindiging van de huurovereenkomst plaatsvinden door opzegging en hij heeft nimmer een huuropzegging heeft ontvangen.

Ook is het gehuurde ook na de huurovereenkomst van een half jaar (eindigend op 31 december 2004) bij Eggiedoll in gebruik geweest. In het gehuurde waren poppetjes (Eggiedolls) en schrijfmateriaal als monsters voor merchandising aanwezig.

Naar de mening van [geïntimeerde] waren [appellanten] bekend met het feit dat Eggiedoll gevestigd was in het kantoorpand aan de [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats] dan wel behoorden zij daarmee bekend te worden geacht als vennoten van Eggiedoll.

4.9.3.1. Het hof oordeelt als volgt. Het oordeel van de kantonrechter dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] geen volmacht had tot het aangaan van een huurovereenkomst namens Eggiedoll is door partijen niet bestreden. Het hof zal er daarom van uitgaan dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van Eggiedoll heeft gehandeld.

4.9.3.2. Ingevolge artikel 3:69 lid 1 BW kan, wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar daardoor hetzelfde gevolg verschaffen, als zou zijn opgetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht.

Vooropgesteld zij dat de bekrachtiging een eenzijdige rechtshandeling van de pseudo-volmachtgever is, die ertoe strekt de onbevoegd in zijn naam verrichte rechtshandeling geldig te maken. Derhalve is de algemene rechtshandelingenleer erop van toepassing, met inbegrip van artikel 3:35 BW. Voorts is de bekrachtiging is in beginsel vormvrij (artikel 3:37 BW). Bekrachtiging kan schriftelijk of mondeling geschieden. Voor bekrachtiging is niet vereist een uitdrukkelijk hiertoe strekkende verklaring van de (onbevoegd) vertegenwoordigde. Zij kan ook stilzwijgend plaatsvinden, door besloten te liggen in gedragingen van de vertegenwoordigde, zoals nakoming van de overeenkomst. Het is een kwestie van waardering van feiten en omstandigheden of een gedraging als een bekrachtiging moet worden geduid.

4.9.3.3. Gesteld noch gebleken is dat Eggiedoll middels een uitdrukkelijk hiertoe strekkende verklaring de huurovereenkomst met [geïntimeerde] heeft bekrachtigd. Zoals hiervoor is overwogen, is dat ook niet vereist voor bekrachtiging. Het betoog van [geïntimeerde] komt erop neer dat de bekrachtiging van de huurovereenkomst in de gedragingen van Eggiedoll besloten ligt. Daarbij gaat het om het vestigen van het bedrijf op het adres [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats], het inschrijven van het bedrijf op dat adres, het door [vennoot Eggiedoll] laten drukken van visitekaartjes met deze gegevens en het betalen van huurpenningen. De vraag die voorligt is of op grond van verklaringen en/of gedragingen van Eggiedoll (of redelijkerwijs aan haar toe te rekenen) bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Eggiedoll de huurovereenkomst heeft bekrachtigd in de zin van artikel 3:69 lid 1 BW.

4.9.3.4 Naar het oordeel van het hof mocht [geïntimeerde] er door het vestigen van het bedrijf op het adres [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats], het inschrijven van het bedrijf op dat adres en het laten drukken van visitekaartjes met deze gegevens (telkens) op zichzelf (en evenmin gezamenlijk) niet op vertrouwen dat Eggiedoll de huurovereenkomst heeft bekrachtigd. Deze gedragingen zijn immers alleszins mogelijk zonder dat er sprake is van een huurovereenkomst. [appellanten] stellen ervan te zijn uitgegaan dat Eggiedoll gebruik maakte van reeds bij [zaakvoerder Eggiedoll Europe] in gebruik zijnde ruimte. Niet ter discussie staat dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] reeds vanaf juni 2004 gebruik maakte van de ruimte. [appellanten] hebben erop gewezen dat uit productie A bij de brief van hun gemachtigde d.d. 5 maart 2012 blijkt dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] per januari 2006 een overeenkomst met betrekking tot het gebruik van electriciteit in het perceel [vestigingsadres 2] op zijn naam heeft gesteld. Voorts geldt dat partijen in 2012 zijn overeengekomen dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] het pand zou ontruimen en dat hij de sleutels zou inleveren (zie r.o. 4.1.4). Ook hebben [appellanten] opgemerkt dat Eggietalk stond ingeschreven aan het adres [vestigingsadres 2] te [vestigingsplaats] en van die ruimte gebruik kon maken, zonder dat sprake was van een huurovereenkomst met Eggietalk als huurder.

4.9.3.5. Ten aanzien van de stelling van [geïntimeerde] dat Eggiedoll huurpenningen heeft betaald overweegt het hof als volgt. De twee door [geïntimeerde] bij conclusie van repliek overgelegde bankafschriften (zie hiervoor r.o. 4.1.3) vormen een sterke aanwijzing dat Eggiedoll de huurovereenkomst is nagekomen door de huur voor de maanden juli, augustus, september en oktober (2004) te betalen. Dit wordt niet bij voorbaat ontkracht door de enkele stelling van [appellanten] dat [zaakvoerder Eggiedoll Europe] deze huurbetalingen voor zichzelf heeft gedaan van de rekening van Eggiedoll waartoe hij kennelijk toegang had omdat [vennoot Eggiedoll] zijn partner was. Ook kan niet zonder meer worden aangenomen dat, zoals [appellanten] stellen, er sprake is van een schijnconstructie waarbij [zaakvoerder Eggiedoll Europe] feitelijk de huurder van het pand was. Dit geldt ook als het gestelde in de conclusie van dupliek van [zaakvoerder Eggiedoll Europe] in de beoordeling wordt betrokken. Op basis van de enkele stellingen kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten dat er sprake was van een schijnconstructie. Op grond van het voorgaande acht het hof voorshands bewezen dat ([geïntimeerde] er in gerechtvaardigd vertrouwen van mocht uitgaan dat) Eggiedoll de huurovereenkomst heeft bekrachtigd door de huurovereenkomst na te komen door de huur voor de maanden juli, augustus, september en oktober (2004) te betalen. Het hof zal [appellanten], die bewijs hebben aangeboden, toelaten tot het leveren van tegenbewijs.

4.10.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

voorts in incidenteel appel

4.11.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep

laat [appellanten] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat ([geïntimeerde] er in gerechtvaardigd vertrouwen van mocht uitgaan dat) Eggiedoll de huurovereenkomst heeft bekrachtigd door de huurovereenkomst na te komen door de huur voor de maanden juli, augustus, september en oktober (2004) te betalen;

bepaalt, voor het geval [appellanten] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.P. de Haan als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 15 juli 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellanten] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan;

op het incidenteel hoger beroep

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, J.P. de Haan en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 juli 2014.