Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:198

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
13-00499
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning, dat enkel bestond uit belanghebbendes bijstandsuitkering, onder toepassing van omkering bewijslast verhoogd met ruim € 41.000 vanwege niet aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende in 2009 meer inkomsten heeft genoten dan hij in zijn aangifte heeft vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/506
FutD 2014-0619
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer


Kenmerk: 13/00499

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende], wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, [inspecteur],

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 februari 2013, nummer AWB 12/4808, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 8 mei 2012 voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.549 (hierna: de aanslag). Tegelijkertijd met de aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 70 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in een geschrift vervatte uitspraken van 6 augustus 2012 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.122, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 236 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118 . De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 december 2013 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, mevrouw [A], alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en mevrouw [C].

1.6.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is op 14 augustus 2010 omstreeks 2.50 uur door de politie aangehouden in verband met de verdenking van overtreding van de Opiumwet. Bij deze aanhouding was belanghebbende onder invloed van alcohol en drugs. Belanghebbende droeg zes doses cocaïne bij zich. In de auto, waarin belanghebbende reed (een Audi A4, ter waarde van ongeveer € 30.000), bevonden zich twee zakken hennep, honderd velletjes papier die op cashetjes lijken en een zakmes.

2.2.

Ruim acht uur na zijn aanhouding heeft belanghebbende, nadat hij gesproken heeft met zijn raadsvrouw, aan de politie verklaard dat hij ondernemer is en ongeveer € 600 per klus verdient met de bouw van veranda’s en dat dit hem € 2.500 netto oplevert. Belanghebbende heeft verklaard dat hij inmiddels al een jaar (Hof: derhalve vanaf augustus 2009) veranda’s bouwt en sindsdien geen bijstandsuitkering meer ontvangt. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij al tien jaar verslaafd is aan cocaïne en wiet en dat de twee zakken hennep in de auto niet van hem waren, maar van een vriend. Ook heeft belanghebbende verklaard dat zich onderdelen van een hennepplantage op zijn zolder bevonden, dat deze hennepplantage van vrienden was en dat hij zelf nooit een hennepplantage heeft gehad. Dit alles is neergelegd in een aantal processen-verbaal.

2.3.

Direct na de aanhouding en het verhoor van belanghebbende heeft de politie zijn woning doorzocht. Daarbij heeft de politie vijf doses cocaïne, een blokje hasj en twee Xtc-pillen aangetroffen. Op de zolder van de woning stonden 23 potten met potgrond en wortelresten van hennepplanten op een zwart zeil. Er lagen ook resten van hennepplanten op de grond. Verder stonden er diverse verhuisdozen met lampen erin. In het plafond van de zolder zaten verschillende haken en gaten.

2.4.

Bij nader onderzoek, op 16 augustus 2010, werden in de woning van belanghebbende nog aangetroffen: vier voorschakel-apparaten, één koolstoffilter met motor, één inbouwventilator met motor, één elektrisch verwarmingselement en één analoge tijdklok.

2.5.

Belanghebbende is, naar aanleiding van deze bevindingen, niet strafrechtelijk vervolgd voor het hebben van een hennepplantage.

2.6.1.

De onder 2.1 genoemde Audi is door belanghebbende gekocht en in maart 2010 door hem vanuit Duitsland geïmporteerd. Daarbij is het tijdelijke kenteken van de Audi op naam van belanghebbende gezet. Later is het kenteken van de Audi op naam van de vader van belanghebbende gezet. De vader heeft vervolgens aangifte voor de belasting op personenauto's en motorrijwielen gedaan.

2.6.2.

Op 16 augustus 2010 heeft belanghebbende tegenover de politie verklaard dat de Audi zijn eigendom was en dat hij deze auto zo snel mogelijk wilde verkopen, omdat hij te veel opviel. Geconstateerd is dat de Audi in de periode mei tot en met juli 2010 regelmatig door belanghebbende is gebruikt. Een en ander is neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen.

2.6.3.

Belanghebbende heeft de Audi op 18 augustus 2010 te koop aangeboden op internet (via Marktplaats).

2.6.4.

De Audi is op 20 augustus 2010 door de Belastingdienst in beslag genomen. De vader van belanghebbende is daartegen tevergeefs in rechte opgekomen.

2.7.

Belanghebbende heeft op 16 augustus 2010 voor het jaar 2009 aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.122. Dit inkomen bestaat uitsluitend uit de door belanghebbende van 1 januari tot en met 22 oktober 2009 genoten bijstandsuitkering.

2.8.

Na ontvangst van de hiervóór bedoelde processen-verbaal heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning van € 12.122 met € 41.427 verhoogd tot € 53.549 vanwege niet aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. Vervolgens heeft de Inspecteur met dagtekening 20 augustus 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.549. Tegelijk met deze voorlopige aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 436 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.9.

Vervolgens heeft de Inspecteur de definitieve aanslag vastgesteld overeenkomstig de voorlopige aanslag, behoudens een verlaging van de arbeidskorting met een bedrag van
€ 946.



3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag, belanghebbende in 2009 resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
De Inspecteur is de opvatting toegedaan dat belanghebbende in 2009 tot een bedrag van
€ 41.427 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij daaraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

3.3.1.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur geen bewijs heeft voor de inkomsten uit de teelt van hennep. Belanghebbende is strafrechtelijk niet vervolgd voor het hebben van een hennepplantage. Nu er geen verder feitelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, berusten de door de Inspecteur veronderstelde inkomsten uit hennepteelt enkel op speculaties.

3.3.2.

Met betrekking tot de inkomsten uit de bouw van veranda’s stelt belanghebbende dat de door hem op 14 augustus 2010 afgelegde verklaring onjuist is, dat hij helemaal geen veranda’s kan bouwen en dat hij in 2009 geen onderneming in de verandabouw heeft gehad. Belanghebbende heeft, volgens hem, op 14 augustus 2010 tegenover de politie anders verklaard, omdat hij onder invloed van verdovende middelen was en hij van het politiebureau weg wilde. Nu de Inspecteur enkel is afgegaan op de onjuiste verklaring van belanghebbende over de onderneming en daar geen nader onderzoek naar heeft gedaan, heeft de Inspecteur geen bewijs geleverd dat belanghebbende in 2009 een onderneming had.

3.3.3.

Belanghebbende betwist, gezien het voorgaande, dat hij in 2009 naast zijn bijstandsuitkering andere inkomsten – hetzij uit hennepteelt, hetzij uit verandabouw – heeft gehad. Belanghebbende stelt daarmee over 2009 de vereiste aangifte te hebben gedaan en acht derhalve geen redenen aanwezig voor een omkering en verzwaring van de bewijslast.

De Inspecteur

3.4.1.

De Inspecteur stelt dat er wel degelijk een strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de hennepteelt van belanghebbende en dat de resultaten daarvan zijn neergelegd in de onder 2.2 bedoelde processen-verbaal. Belanghebbende was reeds vóór zijn aanhouding bij de politie bekend als dealer in verdovende middelen.
Op respectievelijk 14 en 16 augustus 2010 zijn in de kleding van belanghebbende, in zijn auto en in zijn woning verschillende soorten drugs en hulpmiddelen voor het telen van hennep aangetroffen. Na onderzoek heeft de politie geconcludeerd dat er sprake was van beroepsmatige hennepteelt; de aangetroffen kwekerij was professioneel opgezet, er was sprake van kunstlicht met tijdschakelaars voor de plantengroei, er was isolatie aanwezig voor daglicht/temperatuur en er was afzuiging van lucht/geur naar buiten. Om die reden acht de Inspecteur aannemelijk dat belanghebbende in 2009 inkomsten uit de kweek en handel in verdovende middelen heeft gehad. Belanghebbende heeft deze inkomsten niet in zijn aangifte vermeld en heeft daarmee niet de vereiste aangifte gedaan. Dit leidt tot een omkering en verzwaring van de bewijslast. Het is aan belanghebbende om te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

3.4.2.

De Inspecteur acht het redelijk om van inkomsten uit de hennepteelt van € 29.000 uit te gaan. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (hierna: BOOM), waarin standaardberekeningen en normen zijn opgenomen ter bepaling van de opbrengst van een hennepkwekerij. Bij de berekening van de inkomsten is de Inspecteur enkel uitgegaan van inkomsten uit de hennepkwekerij en niet van inkomsten uit de handel in andere verdovende middelen. Verder heeft de Inspecteur het aantal vierkante meters van de kwekerij op zolder voorzichtig ingeschat en is hij uitgegaan van slechts één oogst in 2009.

3.4.3.

Ten aanzien van de verandabouw stelt de Inspecteur dat belanghebbende daarmee in 2009 een bedrag van € 12.500 aan inkomsten heeft gegenereerd (5 maal € 2.500). Ook deze inkomsten heeft belanghebbende niet aangegeven, zodat op grond daarvan eveneens niet de vereiste aangifte is gedaan

3.4.4.

De Inspecteur voert verder aan dat belanghebbende in 2009 inkomsten moet hebben gehad naast zijn bijstandsuitkering omdat zijn uitgaven (met name vóór augustus 2009) groter waren dan zijn inkomsten. Belanghebbende moest immers niet alleen in zijn levensonderhoud voorzien, maar diende ook zijn dure verslaving te bekostigen. Verder beschikte belanghebbende over een auto die het budget van zijn uitkering ruimschoots overschreed.

3.4.5.

Ten aanzien van de bij de definitieve aanslag berekende arbeidskorting stelt de Inspecteur dat deze moet worden verhoogd met € 946 en de aanslag derhalve moet worden verminderd met dit bedrag. Als gevolg daarvan vervalt de heffingsrente van € 70 die in de definitieve aanslag is opgenomen.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Inspecteur en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.122.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, handhaving van de aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.549, doch met vermindering van het op aanslag te betalen bedrag met een bedrag van € 946 vanwege de verhoging van de arbeidskorting, en tot vernietiging van de beschikking heffingsrente.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende in 2009 meer inkomsten heeft genoten dan hij in zijn aangifte heeft vermeld.

4.2.

Belanghebbende heeft op 14 augustus 2010 aan de politie verklaard sedert een jaar een onderneming in de verandabouw te hebben en daar € 600 per klus mee te verdienen.
Belanghebbende stelt dat de door hem afgelegde verklaring over de verandabouw niet berust op waarheid, omdat hij tijdens het verhoor onder invloed van alcohol en drugs verkeerde. Zijn verklaring over de verandabouw mag hem derhalve niet worden tegengeworpen, aldus belanghebbende.

4.3.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. Belanghebbende is in de nacht van 13 op 14 augustus 2010, omstreeks 2.50 uur, aangehouden als verdachte van overtreding van de Opiumwet. Belanghebbende heeft in de ochtend van 14 augustus 2010, om 8.50 uur, met een toegewezen raadsvrouw gesproken. Omstreeks 11.20 uur heeft belanghebbende vervolgens genoemde verklaring afgelegd. Gezien het tijdsverloop tussen het tijdstip van aanhouding en het tijdstip van verhoor, alsmede gezien de gedetailleerde inhoud van de door belanghebbende afgelegde verklaring, acht het Hof het niet aannemelijk dat belanghebbende tijdens het verhoor (nog) onder invloed van alcohol of andere verdovende middelen verkeerde. Belanghebbende heeft met precisie zijn verslavingsverleden beschreven en heeft vervolgens gedetailleerd uiteengezet wat er de vorige avond, volgens hem, is voorgevallen en hoe de twee zakken met hennep in zijn auto kwamen. Vervolgens heeft hij nauwkeurig beschreven dat de politie resten van een hennepplantage en enkele Xtc-pillen in zijn woning zou aantreffen en waar deze spullen zich zouden bevinden. Belanghebbende heeft na zijn verklaring de schriftelijke weergave daarvan doorgelezen, in zijn verklaring volhard en zijn verklaring ondertekend. Verder heeft belanghebbende vóór het verhoor overleg gehad met zijn raadsvrouw. Belanghebbende noch zijn raadsvrouw hebben voorafgaand aan het verhoor kenbaar gemaakt dat belanghebbende - vanwege zijn toestand - niet in staat zou zijn verhoord te worden. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende inkomsten uit de bouw van veranda’s heeft genoten in 2009.

4.4.

Vervolgens acht het Hof aannemelijk dat deze inkomsten uit verandabouw relatief (ten opzichte van belanghebbendes uitkering) en absoluut omvangrijk zijn. Als gevolg daarvan heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan, hetgeen ingevolge artikel 27e, onder a en slot, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) een omkering en verzwaring van de bewijslast met zich brengt. Derhalve dient als uitgangspunt te worden genomen dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het is aan belanghebbende om te doen blijken dat de door de Inspecteur toegepaste correctie op de aangifte onjuist is. Hierbij moet in acht worden genomen dat de aanslag niet naar willekeur door de Inspecteur mag worden vastgesteld, maar dient te berusten op een redelijke schatting.


4.5. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Voor wat betreft de inkomsten uit de verandabouw heeft belanghebbende immers enkel gesteld dat zijn eigen verklaring in strijd met de waarheid is en dat de Inspecteur nader onderzoek had moeten doen. Vervolgens resteert de vraag of de Inspecteur de aanslag niet naar willekeur heeft vastgesteld (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 38 693, BNB 2005/339, ECLI:NL:HR:2012:BW4122). De Inspecteur heeft het bedrag van de inkomsten uit de verandabouw, te weten € 12.500, gebaseerd op de door belanghebbende zelf genoemde bedragen en de door belanghebbende zelf genoemde periode, waarin hij in 2009 deze werkzaamheden verrichtte. Het Hof ziet geen aanleiding dit bedrag te corrigeren. Dat de Inspecteur, naar belanghebbende stelt, niet heeft onderzocht of belanghebbende bij de Kamer van Koophandel was ingeschreven, over een BTW nummer beschikte en welke ondernemingen als toeleverancier optraden, maken dat oordeel niet anders, nu geen sprake is van de bron “winst uit onderneming”, doch van “resultaat uit overige werkzaamheden”.

4.6.

Naast de inkomsten uit de verandabouw heeft de Inspecteur inkomsten uit hennepteelt in aanmerking genomen. Vaststaat dat op 14 en 16 augustus 2010 op het adres van belanghebbende onderdelen van een hennepkwekerij zijn aangetroffen. Belanghebbende had, voorafgaand aan de huiszoeking, reeds geschetst dat op de zolder van zijn woning resten van hennepplanten aanwezig waren. De Inspecteur heeft het, gelet op dit feit en de overige onder 3.4.1 opgenomen omstandigheden, aannemelijk geacht dat belanghebbende in 2009 inkomsten uit hennepteelt heeft gehad. Het Hof volgt dit standpunt niet. Uit de feiten dat belanghebbende als dealer bekend stond bij de politie, dat er in augustus 2010 twee zakken hennep in de auto, waarin hij reed, werden aangetroffen en dat bij de daarop volgende huiszoeking resten van hennepplanten op zijn zolder werden aangetroffen, volgt niet noodzakelijkerwijs dat belanghebbende in 2009 een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Het Hof laat de door de Inspecteur berekende inkomsten uit hennepteelt dan ook buiten beschouwing bij de berekening van belanghebbendes overige inkomsten in 2009.

4.7.

Voorts heeft de Inspecteur gewezen op belanghebbendes uitgavenpatroon in 2009 en 2010. Belanghebbende heeft immers begin 2010 een Audi ter waarde van ongeveer

€ 30.000 aangeschaft en was verslaafd aan cocaïne en wiet.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende de Audi voor zichzelf heeft gekocht en zelf in gebruik heeft genomen. Gezien hetgeen hiervóór is opgenomen onder 2.6.1 tot en met 2.6.4 acht het Hof belanghebbendes verklaring, dat hij deze auto voor zijn vader heeft gekocht, ongeloofwaardig. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende voor de aankoop van deze auto begin 2010 meer inkomsten in het jaar 2009 moet hebben genoten dan die uit zijn bijstandsuitkering en uit de bouw van veranda’s. Belanghebbendes bijstandsuitkering, die hij bovendien maar tot en met oktober 2009 genoot, stelde hem niet in staat te sparen voor een dergelijke auto. Vanaf augustus 2009 had belanghebbende inkomsten uit de verandabouw, maar ook die inkomsten waren niet voldoende om begin 2010 een auto van € 30.000 te kunnen bekostigen. Daarbij komt dat belanghebbende zelf heeft verklaard in 2009 verslaafd te zijn geweest aan cocaïne en wiet. De Inspecteur heeft met een deugdelijke berekening uiteengezet dat belanghebbendes verslaving hem in 2009 minstens € 20.000 heeft gekost. Belanghebbende zou dan in 2009, naast zijn bijstandsuitkering, die hij kon aanwenden voor zijn normale levensonderhoud, minimaal € 50.000 aan overige inkomsten moeten hebben gegenereerd (€ 20.000 voor zijn verslaving en € 30.000 voor de aankoop van de auto).
Het Hof acht het, gezien het voorgaande, aannemelijk dat belanghebbende in 2009 nog een andere bron van inkomsten moet hebben gehad, waaruit een bedrag van ten minste € 37.500 is voortgevloeid en waarvan belanghebbende de herkomst heeft verzwegen.


4.8 . Aangaande zijn inkomsten in de periode, waarin belanghebbende geen bijstandsuitkering (meer) ontving, heeft belanghebbende verklaard dat zijn familie in zijn levensonderhoud heeft voorzien en aangeboden dit door getuigen te doen verklaren. Voor zover belanghebbende daarmee stelt dat dit hem in staat stelde geld opzij te zetten om zijn verslaving en auto te bekostigen, verwerpt het Hof deze stelling vanwege de ongeloofwaardigheid daarvan. Met betrekking tot het door belanghebbende in de gedingstukken ter zake gedane getuigenaanbod overweegt het Hof als volgt. Indien belanghebbende zeker wilde stellen dat getuigen gehoord zouden worden, dan had hij de regels vastgelegd in artikel 8:60 van de Awb dienen te volgen. Belanghebbende is in de oproep voor de zitting van 19 december 2013 er op gewezen dat hij getuigen en deskundigen mag meebrengen of oproepen, mits hij daarvan een week voor de dag van de zitting aan het Hof en aan de andere partij mededeling heeft gedaan. Belanghebbende is conform de wettelijke regels voldoende in gelegenheid gesteld om getuigen mee te brengen respectievelijk op te roepen. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt. Het Hof ziet zelf geen reden om getuigen op te roepen.

4.9.

Gezien het voorgaande acht het Hof de vaststelling van de Inspecteur van het belastbaar inkomen uit werk en woning op een bedrag van € 53.549 een redelijke schatting.

4.10.

De Inspecteur heeft in zijn incidenteel hoger beroepschrift het standpunt ingenomen dat het op aanslag te betalen bedrag dient te worden verminderd met € 946 vanwege aanpassing van het bedrag van de arbeidskorting alsmede dat de beschikking heffingsrente dient te worden vernietigd. Het Hof volgt de Inspecteur in dit standpunt.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat zowel het hoger beroep als het incidenteel hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht


4.12. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 118 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3 (punten) x € 487 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.461. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.14.

Nu aan belanghebbende ter zake van het hoger beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten, ingevolge het bepaalde in artikel 8:75, lid 2, van de Awb, betaald aan de rechtsbijstandverlener van belanghebbende.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep en het incidentele hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover deze betreft de

proceskostenveroordeling en de vergoeding van het griffierecht;

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur;

- handhaaft de aanslag, doch bepaalt dat het op aanslag te betalen bedrag wordt verminderd met een bedrag van € 946;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.461 en gelast dat deze vergoeding voor de gemaakte proceskosten wordt betaald aan de rechtsbijstandverlener van belanghebbende;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 118 vergoedt.

Aldus gedaan op 31 januari 2014 door J. Swinkels, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.