Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1970

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
20-003103-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Zes jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en voor het opzettelijk beïnvloeden van een tweetal getuigen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 285a, 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003103-13

Uitspraak : 30 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

26 augustus 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 04-800119-12 en 03-659008-13, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd -

poging tot doodslag (parketnummer 04-800119-12) en

het beïnvloeden van de vrijheid van getuigen om naar waarheid en geweten te verklaren ten overstaan van een rechter (parketnummer 03-659008-13)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het in de zaak met parketnummer 04-800119-12 primair ten laste gelegde (poging doodslag) en het in de zaak met parketnummer 03-659008-13 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd eenzelfde beslissing te nemen als de eerste rechter heeft gedaan.

Namens verdachte is ten aanzien van het feit met parketnummer 04-800119-12 integrale vrijspraak bepleit. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring mocht komen, is door de verdediging aangevoerd dat poging tot moord niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Bij bewezenverklaring van poging tot doodslag is door de verdediging een beroep gedaan op noodweer(exces). Indien het hof toch tot strafoplegging mocht overgaan, is om matiging verzocht. Tevens heeft de verdediging een standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van het feit met parketnummer 03-659008-13 heeft de verdediging zich gerefereerd aan bewezenverklaring.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak met parketnummer 04-800119-12:

hij op of omstreeks 28 mei 2012 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een bestelbus tegen deze [slachtoffer] is aangereden en/of

- met genoemde bestelbus - terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag - over hem heen is gereden - en/of

- terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag (meermalen) tegen diens hoofd, in elk geval lichaam, heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 28 mei 2012 in de gemeente Roermond aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (ribfracturen rechter borstkas in rib 5, 6, 7 en 8 en/of fracturen van de oogkas links, de jukbeenderen links en rechts en de bovenkaak links en rechts en/of fractuur van het heiligbeen (onderdeel bekkenring), doorlopend in het wervelkanaal en links in de 2e, 3e, en 4e sacrale wervel), heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg

- met een bestelbus tegen deze [slachtoffer] is aangereden en/of

- met genoemde bestelbus - terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag - over hem heen is gereden - en/of

- terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag (meermalen) tegen diens hoofd, in elk geval lichaam, te schoppen en/of te slaan.

zaak met parketnummer 03-659008-13:

hij op of omstreeks 1 september 2012 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, zich opzettelijk mondeling jegens [getuige 1] en/of [getuige 2] heeft geuit, kennelijk om hun vrijheid om naar waarheid en geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar (een) verklaring(en) af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring(en) zou(den) worden afgelegd, immers heeft hij, verdachte, zakelijk weergegeven, opzettelijk aan [getuige 1] en/of [getuige 2] medegedeeld dat:

- hij, verdachte, [naam] was van de politie Roermond en/of

- genoemde [getuige 1] en/of [getuige 2] zouden worden aangevallen door de advocaat van verdachte en/of - dat er beeldmateriaal is, waaruit zou blijken dat de bus en de auto naast elkaar op de weg staan en niet achter elkaar staan en/of

- dat deze [getuige 1] en/of [getuige 2] , als zij het niet zeker weten als de advocaat hen zou aanvallen gewoon moeten zeggen het niet zeker te weten of zich niets meer kunnen herinneren en/of

- dat het beeldmateriaal is opgenomen vanuit de bus en/of

- dat beelden bij de politie zijn en dat de politie nu ook weet waarom die in de laadbak zaten, want het ging vermoedelijk om een drugstransport en/of

- dat genoemde [getuige 1] en/of [getuige 2] zich niet in de luren moeten laten leggen door die advocaat, zodat ze geen meineed plegen, als zij het niet zeker weten ze gewoon moeten zeggen ik weet het niet of ik kan het me niet herinneren en/of

- hij, verdachte, deze [getuige 1] en/of [getuige 2] alleen maar kan adviseren voorzichtig te zijn met hun antwoorden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 04-800119-12 primair en in de zaak met parketnummer 03-659008-13 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zaak met parketnummer 04-800119-12:

hij op 28 mei 2012 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet,
- met een bestelbus tegen deze [slachtoffer] is aangereden en

- met genoemde bestelbus - terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag - over hem heen is gereden - en

- terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag meermalen tegen diens hoofd heeft geschopt en geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak met parketnummer 03-659008-13:

hij op 1 september 2012 in de gemeente Roermond zich opzettelijk mondeling jegens [getuige 1] en [getuige 2] heeft geuit, kennelijk om hun vrijheid om naar waarheid en geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij, verdachte, zakelijk weergegeven, opzettelijk aan [getuige 1] en [getuige 2] medegedeeld dat:
- hij, verdachte, [naam] was van de politie Roermond en

- genoemde [getuige 1] en [getuige 2] zouden worden aangevallen door de advocaat van verdachte en

- dat er beeldmateriaal is, waaruit zou blijken dat de bus en de auto naast elkaar op de weg staan en niet achter elkaar staan en

- dat deze [getuige 1] en [getuige 2] , als zij het niet zeker weten als de advocaat hen zou aanvallen gewoon moeten zeggen het niet zeker te weten of zich niets meer kunnen herinneren en

- dat het beeldmateriaal is opgenomen vanuit de bus en

- dat beelden bij de politie zijn en dat de politie nu ook weet waarom die in de laadbak zaten, want het ging vermoedelijk om een drugstransport en

- dat genoemde [getuige 1] en [getuige 2] zich niet in de luren moeten laten leggen door die advocaat, zodat ze geen meineed plegen, als zij het niet zeker weten ze gewoon moeten zeggen ik weet het niet of ik kan het me niet herinneren en

- hij, verdachte, deze [getuige 1] en [getuige 2] alleen maar kan adviseren voorzichtig te zijn met hun antwoorden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Overwegingen in de zaak met parketnummer 04/800119-12

Geen voorbedachte raad

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat er geen bewijs is dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Het is immers het slachtoffer [slachtoffer] geweest die de verdachte heeft benaderd, onmiddellijk waarna zich het ten laste gelegde incident heeft voorgedaan. Het hof spreekt daarom vrij van poging tot moord.

Wel poging doodslag?

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman integrale vrijspraak van dit feit bepleit. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman, op gronden zoals weergegeven in de overgelegde pleitnota, - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

[slachtoffer] heeft als eerste geweld gepleegd tegen verdachte. [slachtoffer] heeft verdachte eerst met een vuist boven zijn linkeroog geslagen en direct daarna verdachte bij de nek gegrepen en zo hard vastgepakt dat het verdachte, ten gevolge van eerder nektrauma, duizelig en zwart voor de ogen werd. De voeten van verdachte zijn daardoor van de pedalen gegleden en de bus is daarop naar voren geschoten. Verdachte - nog niet helemaal bijgekomen van de aanval van [slachtoffer] - heeft toen mis geschakeld, waardoor de bus per ongeluk naar voren in plaats van naar achteren reed. [slachtoffer] is hierdoor onder de bus terechtgekomen, waarop verdachte instinctief heeft besloten om de bus achteruit te rijden met de intentie om [slachtoffer] onder de bus vandaan te krijgen, waarbij de bus (deels) over [slachtoffer] is gereden. Volgens de verdediging heeft verdachte niet het oogmerk gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte wilde [slachtoffer] juist onder zijn bus vandaan krijgen. Ook van voorwaardelijk opzet is geen sprake nu verdachte zich angstig en bedreigd voelde en net aan het bijkomen was, zodat het wilselement ontbreekt en verdachte bovendien niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou overlijden.

Er was sprake van een ongeluk en niet van opzet.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de als bewijsmiddel gehanteerde getuigenverklaringen in onderling verband en samenhang bezien volgt dat:

  • -

    aangever [slachtoffer] naar aanleiding van vreemd rijgedrag van een achter hem rijdende bestelbus bij een wegversmalling is gestopt en is uitgestapt en zich naar de achter hem eveneens gestopte door verdachte bestuurde bestelbus heeft begeven;

  • -

    [slachtoffer] de bestuurder van de bestelbus, verdachte, door het bestuurdersportier van de bestelbus heeft aangesproken;

  • -

    verdachte daarop heeft gereageerd door [slachtoffer] als eerste te slaan;

  • -

    er vervolgens een slagenwisseling tussen [slachtoffer] en verdachte door het geopende raam van het bestuurdersportier heeft plaatsgevonden;

  • -

    verdachte vervolgens achteruit is gereden, terwijl [slachtoffer] aan het portier van de bestelbus hing en klem zat tegen de buitenspiegel;

  • -

    [slachtoffer] vervolgens los is gekomen van de achteruit rijdende bestelbus en de bus verder achteruit is gereden;

  • -

    [slachtoffer] op de weg stond en verdachte vervolgens vooruit is gereden en [slachtoffer] heeft aangereden ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen;

  • -

    verdachte vervolgens met zijn bestelbus met voor- en achterwiel over de op de grond liggende [slachtoffer] heen is gereden;

  • -

    verdachte vervolgens is uitgestapt en de overreden [slachtoffer] ook nog heeft geschopt en geslagen.

Verdachte heeft ten gevolge van dit aangereden en overreden en geslagen en geschopt worden zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten onder andere: ribfracturen rechter borstkas in rib 5, 6, 7 en 8 en fracturen van de oogkas links, de jukbeenderen links en rechts en de bovenkaak links en rechts, fracturen van het schaambeen links en rechts en van het heiligbeen (onderdeel bekkenring), doorlopend in het wervelkanaal en links in de 2e, 3e, en 4e sacrale wervel. Hij is zijn linker oog kwijtgeraakt.

Het hof stelt vast dat het verweer van de verdachte dat [slachtoffer] als eerste heeft geslagen geen steun vindt in de door het hof als bewijs gehanteerde getuigenverklaringen. In tegendeel, uit de verklaringen van de getuige [getuige 1] (die toevallig met zijn echtgenote [getuige 2] voorbijfietste), van [getuige 3] (de partner van [slachtoffer] ) en van aangever [slachtoffer] volgt dat verdachte als eerste fysiek geweld heeft gebruikt jegens [slachtoffer] . Het hof acht deze verklaringen betrouwbaar, waarbij het hof in het bijzonder overweegt dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] toevallig aanwezige fietsers waren, die in essentie gelijkluidend en/of op elkaar aansluitend en consistent hebben verklaard. Het is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer [slachtoffer] is begonnen met fysieke agressie jegens verdachte.

Ook de verklaring van verdachte, dat hij duizelig is geworden en dat het hem zwart voor de ogen is geworden ten gevolge van een greep aan de nek door [slachtoffer] , waardoor zijn voeten van de pedalen zijn gegleden en de bus (die in de eerste versnelling stond) naar voren over [slachtoffer] is gereden, is niet geloofwaardig.

In de eerste plaats niet omdat alle getuigen verklaren over het eerst achteruit rijden door verdachte met aangever [slachtoffer] aan het portier, waar alleen verdachte beweert dat hij eerst vooruit is gereden.

In de tweede plaats niet omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat een bus bij het plotseling loslaten van de koppeling en de rem vooruit rijdt in plaats van dat de motor afslaat.

Verder is niet aannemelijk geworden dat verdachte door aangever [slachtoffer] bij de nek zou zijn gegrepen. In geen van de als bewijs gebruikte verklaringen wordt verklaard over bij de nek grijpen door [slachtoffer] .

Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat de door verdachte aangevoerde ernst van het nekletsel (verdachte heeft in zijn verhoor op 14 juni 2012, dossierpagina 25 en 27, verklaard over een gebroken nek die nog steeds tot fatale gevolgen kon leiden, ten gevolge waarvan het verdachte zwart voor de ogen zou zijn geworden), geen bevestiging vindt in de rapportage letselschade d.d. 24 januari 2013, opgemaakt door C.J. van Leeuwen, forensisch geneeskundige KNMG. Uit deze rapportage blijkt dat verdachte in 2009 nekletsel heeft opgelopen en daar ook operatief aan is geholpen teneinde twee nekwervels weer aan elkaar vast te laten groeien. Echter daar wordt bij vermeld dat volgens recent onderzoek de wervels weer volledig met elkaar zijn vergroeid. Er wordt geconcludeerd dat actueel, maar ook op 28 mei 2012, dus geen sprake was van een ‘gebroken nek’ bij verdachte.

Ook hetgeen verder als verweer is aangevoerd (per ongeluk achteruit rijdend over aangever gereden), wordt weersproken door de getuigenverklaringen. Bovendien komt het hof zo onlogisch en onwaarschijnlijk voor dat verdachte eerst naar voren rijdend over aangever zou zijn heengereden en vervolgens instinctief achteruit, nogmaals over verdachte heen zou zijn gereden teneinde deze de mogelijkheid te geven onder de auto uit te komen, dat dit verweer ook om die reden ongeloofwaardig is.

Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat verdachte, nadat de bestelbus over [slachtoffer] was heengereden, uit de bestelbus is gestapt en [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen. Deze omstandigheid wijst eerder op voorafgaand opzettelijk handelen van verdachte (opzettelijk [slachtoffer] aan- en overrijden) dan op voorafgaand handelen “per ongeluk”.

Het hof komt op grond van het vorenstaande - in onderlinge samenhang en (tijd)verband bezien - tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] heeft aan- en overreden.

Door met een dergelijk massief en zwaar voertuig als een bestelbus met niet geringe snelheid een voetganger aan te rijden en vervolgens over deze persoon heen te rijden heeft verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer gehad. Hij heeft zich immers willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou overlijden.

In dit verband merkt het hof nog op dat uit de verklaring van [getuige 1] (dossierpagina 172) blijkt dat de bestelbus vol tegen [slachtoffer] aanreed, waardoor [slachtoffer] ongeveer vijf meter voor de bus op de weg viel), en dat [slachtoffer] heeft verklaard (dossierpagina 55) dat de bus in volle vaart op hem afreed en hem raakte, waardoor hij op het wegdek viel.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 04-800119-12 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 45 juncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het in de zaak met parketnummer 03-659008-13 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 285a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft betoogd dat verdachte, indien het hof tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag komt, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces. De verdediging heeft aangevoerd dat [slachtoffer] verdachte met een vuist in zijn gezicht heeft geslagen en hem hard bij de nek heeft vastgegrepen. Hierdoor was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. Als gevolg van dit handelen van [slachtoffer] , werd het verdachte zwart voor de ogen en raakte hij in paniek. Verdachte mocht zich op dat moment verdedigen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Van noodweerexces in de zin van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan sprake zijn indien een verdachte, nadat een noodweersituatie tegen diens eigen of een anders lijf is beëindigd, als onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging nog een, niet meer noodzakelijke, verdediginghandeling pleegt.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer dan wel noodweerexces, omdat, zoals het hof hierboven bij de bespreking van het verweer van de verdachte ten aanzien van de poging doodslag heeft overwogen, de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk zijn geworden. Niet is gebleken dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] waartegen verdachte zich moest verdedigen dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar tot zo’n aanranding. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte degene is geweest die met het gebruik van geweld is begonnen. Evenmin is aannemelijk geworden dat verdachte door [slachtoffer] bij de nek is gepakt waardoor het verdachte zwart voor de ogen zou zijn geworden.

Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op de openbare weg, in aanwezigheid van andere weggebruikers, gepoogd het slachtoffer [slachtoffer] van het leven te beroven door met een bestelbus over hem heen te rijden en hem daarna op zijn hoofd te schoppen en te slaan. De getuigen (toevallig passerende fietsers en de partner van het slachtoffer) hebben deze handelwijze als schokkend en beestachtig ervaren. Het leek alsof verdachte probeerde om het slachtoffer in fases op gewelddadige wijze ‘af te maken’.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft door dit handelen van verdachte ernstig blijvend letsel opgelopen. Hij heeft zijn linkeroog verloren, waardoor hij voorgoed een oogprothese moet dragen. Voorts heeft hij thans nog pijnen in zijn onderrug en bekken, heeft hij last van gevoelloosheid in zijn rechterbeen, is hij oververmoeid wegens slaapproblemen en heeft hij hoofdpijn en aangezichtspijn. Het gebeuren heeft ook zware psychische gevolgen gehad voor het slachtoffer, waarvoor hij in behandeling is geweest.

Het hof rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte, wetende dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] voor de rechter commissaris moesten verschijnen teneinde een verklaring af te leggen, hen van uit de penitentiaire inrichting telefonisch benaderd en zich voorgedaan als politieagent teneinde de door deze getuigen af te leggen verklaringen te beïnvloeden.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij heeft het hof tevens acht geslagen op het omvangrijke strafblad van de verdachte. Volgens eigen zeggen is verdachte ten gevolge van veroordelingen (vooral ter zake van gekwalificeerde diefstallen) al ongeveer 18 jaar van zijn leven gedetineerd geweest, hetgeen in overeenstemming lijkt met het grote aantal veroordelingen tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft gesteld dat hij eigenlijk niet eerder is veroordeeld wegens geweld, maar deze stelling wordt weersproken door zijn strafblad. Enkele van de veroordelingen zijn ter zake van geweldsdelicten (vonnis 9 oktober 1996, rechtbank Roermond, feit 1 poging tot diefstal gevolgd van geweld tegen personen: arrest 28 februari 1991, gerechtshof

’s-Hertogenbosch, feit 8 mishandeling meermalen gepleegd; vonnis 18 oktober 1988, rechtbank Roermond, feit 2 medeplegen van poging tot zware mishandeling; vonnis 9 december 1982, rechtbank Roermond, feit 1 poging tot doodslag; vonnis 23 maart 1982, rechtbank Roermond, feit 5 medeplegen van mishandeling; vonnis 20 januari 1981, rechtbank Roermond, feit 1 poging tot diefstal in vereniging gevolgd van geweld tegen personen; vonnis 4 februari 1980, kinderrechter Roermond, medeplegen van mishandeling).

Alle overziend acht het hof de eis van het openbaar ministerie, dat hoger beroep heeft ingesteld in verband met de strafmaat, passend en geboden. Het hof zal aan de verdachte derhalve een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 59.191,04. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 17.240,17. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 04-800119-12 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van 6.418,66 en immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof merkt hierbij het volgende op.

  • -

    Post 1, verlies wettelijk eigen risico ad € 220,-- : toewijsbaar.

  • -

    Post 2, het vrijwillig eigen risico, volgens bijgevoegde nota ad € 500,-- acht het hof - anders dan de verdediging - toewijsbaar. De keuze voor een dergelijk eigen risico is niet onredelijk en deze schade is een rechtstreeks gevolg van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

  • -

    Als post 3 vordert de benadeelde partij € 1.114,38 ter zake van door zijn verzekeraar Achmea niet vergoede kosten voor een oogprothese. De reden voor niet-vergoeding door Achmea is dat de prothese is gekocht bij een (Belgisch) bedrijf waarmee Achmea geen contract heeft afgesloten, terwijl Achmea wel afspraken heeft met Nederlandse leveranciers in welk geval de prothese volledig wordt vergoed. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat in het kader van de schadebeperkingsplicht van de benadeelde partij mag worden verlangd dat zij niet een onnodig dure oplossing kiest. Gelet op dit verweer en op de omstandigheid dat het hof onvoldoende is geïnformeerd over de reden van de benadeelde partij om te kiezen voor de Belgische leverancier, levert de behandeling en beoordeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom de vordering van de benadeelde partij wat betreft post 3 niet-ontvankelijk verklaren.

  • -

    Van de posten 4 en 5, respectievelijk de natuurgeneeskundige consulten en telefoonkosten, kan het hof de redelijkheid niet beoordelen nu de omvang en de noodzaak van deze posten onvoldoende onderbouwd zijn. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij voor deze posten, nu behandeling en beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, eveneens niet-ontvankelijk verklaren.

  • -

    Als post 6 maakt de benadeelde partij aanspraak op de reiskosten die zijn partner heeft gemaakt om hem te bezoeken in het ziekenhuis en in de revalidatiekliniek, bij brief van 18 januari 2013 van de advocaat van de benadeelde partij, derhalve voor de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg, gewijzigd in een bedrag van € 1950,87. Het hof zal deze schadepost toewijzen aangezien dergelijke kosten beschouwd worden als verplaatste schade als bedoeld in artikel 107, Boek 6, van het Burgerlijk Wetboek.

  • -

    Als post 8 (er is geen punt 7 opgevoerd) heeft de benadeelde partij vergoeding van de aanschaf van een bril gevorderd. Het hof zal toewijzen een bedrag van € 438,- conform de in eerste aanleg gewijzigde vordering op dit punt.

  • -

    Als post 9 heeft de benadeelde partij vergoeding van de aanschaf van een scheerapparaat gevorderd ad € 39,95, omdat verdachte zich na het ongeval niet meer nat kan scheren. Het hof acht dit in redelijkheid gemaakte en redelijke kosten en zal deze schadepost dan ook toewijzen.

  • -

    Met betrekking tot post 10 is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit niet meer in staat is zijn eigen huishouding te voeren, zodat het inschakelen van professionele huishoudelijke hulp redelijk is, terwijl voor de omvang van de schade kan worden uitgegaan van de normbedragen van de Letselschaderaad. Het hof zal de periode dat de benadeelde partij in het ziekenhuis en in de revalidatiekliniek heeft verbleven niet betrekken in de berekening van de omvang van deze schadepost. Het hof gaat bij de berekening uit van een periode van veertien weken (23 juli 2012 tot en met 29 oktober 2012). Derhalve komt voor vergoeding in aanmerking een schadepost van 14 x € 126,-- = € 1.764,--. Het meer gevorderde, te weten € 2.772,-- minus € 1.764,-- zal worden afgewezen.

  • -

    Ten aanzien van de posten 11 en 13 (post 12 is op het formulier gereserveerd voor kosten rechtsbijstand), respectievelijk kledingschade (volgens overgelegde kassabonnen ad € 105,84) en opvang katten in kattenpensioen ad € 1400,-- (onderbouwd in de genoemde brief van 18 januari 2013 en niet weersproken), is het hof van oordeel dat deze posten kunnen worden toegewezen. Het hof acht deze kosten redelijk om te maken en ook de omvang van de opgevoerde posten acht het hof redelijk. Het hof zal deze schadepost dan ook toewijzen.

Het totaal van de toewijsbare kosten voor materiele schade komt daarmee op een bedrag van € 6.418,66.

- Het hof is van oordeel van de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden als gevolg van het lichamelijk letsel dat hij door toedoen van verdachte heeft opgelopen. Het hof stelt het bedrag van die schade naar billijkheid vast op minstens € 20.000,-. Het hof heeft hierbij acht geslagen op vergelijkbare voorbeelden in de rechtspraak. Voor het meerdere is het hof van oordeel dat behandeling van deze post een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal daarom de vordering van de benadeelde partij op dit punt voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaren.

Her beroep van de verdachte op eigen schuld van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek wordt afgewezen, aangezien van een dergelijke eigen schuld bij [slachtoffer] geen sprake is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 285a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-800119-12 primair en in de zaak met parketnummer 03-659008-13 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 04-800119-12 en in de zaak met parketnummer 03-659008-13 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-800119-12 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 26.418,66 (zesentwintigduizend vierhonderdachttien euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 6.418,66 (zesduizend vierhonderdachttien euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 1.008,00 (duizend acht euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 26.418,66 (zesentwintigduizend vierhonderdachttien euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 6.418,66 (zesduizend vierhonderdachttien euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 167 (honderdzevenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,

en op 30 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Hilverda is buiten staat dit arrest te ondertekenen.