Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1937

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-00567 en 13-00637
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beide partijen komen in hoger beroep in een WOZ- en ozb-zaak over de met toepassing van de huurwaarde-kapitalisatiemethode vastgestelde waarde van een vrijstaand bedrijfspand.

Het Hof verwerpt zowel het door de Heffingsambtenaar ingebrachte taxatierapport als de twee taxatierapporten van belanghebbende en acht partijen niet geslaagd aannemelijk te maken dat de door hen verdedigde waarden juist zijn. Het Hof stelt de waarde van het bedrijfspand –net als de Rechtbank– in goede justitie vast op € 719.000.

Zowel het hoger beroep van belanghebbende als dat van de Heffingsambtenaar is ongegrond. Het Hof acht niettemin termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijze heeft moeten maken, omdat het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is. Het Hof stelt die tegemoetkoming vast op een bedrag van € 837,96.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1458
V-N 2014/47.22.7
NTFR 2014/2075 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00567 en 13/00637

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

en op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van
29 maart 2013, nummer AWB 12/4797, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende na te vermelden WOZ-beschikking en aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) een beschikking gegeven waarbij de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat] 25 te [A] (hierna: de onroerende zaak) per de waardepeildatum 1 januari 2011 (hierna: de peildatum) is vastgesteld op € 841.000 voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (hierna: de beschikking). De beschikking is in één geschrift vervat met de aanslagen in de onroerende zaakbelastingen voor het jaar 2012 (hierna: de aanslagen ozb).

Het daartegen gemaakte bezwaar is, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Heffingsambtenaar, gegrond verklaard, de vastgestelde waarde is verminderd tot € 762.000 en de aanslagen ozb zijn dienovereenkomstig verminderd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de vastgestelde waarde verminderd tot € 719.000 en de aanslagen ozb dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft daarbij tevens de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 628 en gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

1.3.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Ter zake van dit hoger beroep, bij het Hof bekend onder nummer 13/00567, heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.4. De Heffingsambtenaar heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is bij het Hof bekend onder nummer 13/00637. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 17 april 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [B], mede-eigenaar van de onroerende zaak en broer en gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door de heer [C], werknemer in dienst van [D] N.V., en de heer [E], makelaar-register taxateur bedrijfsmatig vastgoed verbonden aan [F] te [G], alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [H], bijgestaan door mevrouw [J], taxateur.

1.7.

Belanghebbende heeft op deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Hij heeft tevens, zonder bezwaar van de Heffingsambtenaar, aan het Hof en aan de wederpartij kopieën overgelegd van een door hem met dagtekening 16 april 2014 ingevuld “Formulier Proceskosten” met 3 bijlagen.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is tezamen met zijn broer, de heer [B], eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een vrijstaand bedrijfspand, gebouwd in 1992 en gelegen op een zichtlocatie op industrieterrein [K] te [A]. De totale oppervlakte van het perceel is ongeveer 4.005 m2. De onroerende zaak bestaat uit onder meer een bedrijfshal voor opslag en magazijn van 840 m2, een kantoorruimte op de begane grond van 205 m2, een kantoorruimte op de eerste verdieping van 190 m2 en een entresol van 100 m2. De Heffingsambtenaar berekent de extra grond bij de onroerende zaak op
1.335 m2; belanghebbende berekent deze extra grond op 1.188 m2.

2.2.

De onroerende zaak is op verzoek van de Heffingsambtenaar op 1 oktober 2012 getaxeerd door mevrouw [L], als WOZ-taxateur verbonden aan [M] B.V. te [N].

In haar taxatierapport taxeert mevrouw Van Essen de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2011, op een waarde in het economische verkeer van € 762.000. Naast gegevens van de onroerende zaak bevat dit rapport tevens gegevens van een viertal vergelijkingsobjecten die eveneens zijn gelegen op of nabij het industrieterrein [K] te [A]. Dit betreft de objecten [g-straat] 11a, [h-straat] 20, [a-straat] 16a en Campagneweg 36, alle te [A]. Dit laatste object is gelegen op het industrieterrein De Koekkoek, welke is gelegen nabij het industrieterrein [K]. Het rapport bevat beeldmateriaal van zowel de onroerende zaak als de vier vergelijkingsobjecten en heeft als bijlage een waardematrix van alle genoemde objecten.

2.3.

De onroerende zaak is op verzoek van belanghebbende op 23 maart 2009 getaxeerd door de heer [P], makelaar-beëdigd taxateur O.G./RMT te [Q]. In zijn taxatierapport taxeert de heer [P] de onroerende zaak per 23 maart 2009 - voor zover van belang - op € 676.000.

2.4.

De onroerende zaak is op verzoek van belanghebbende op 10 januari 2013 getaxeerd door de heer [E], makelaar-register taxateur bedrijfsmatig vastgoed verbonden aan [F] te [G].
In zijn taxatierapport taxeert de heer [E] de onroerende zaak per 1 januari 2009 op
€ 690.000 en per 28 december 2012 op € 630.000. In het verweerschrift van belanghebbende in hoger beroep van 8 juli 2013 is een door de heer [E] opgestelde waardeberekening opgenomen die resulteert in een door hem gedane schatting van de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2011 van € 659.075.

Naast gegevens en beeldmateriaal van de onroerende zaak bevat het taxatierapport van de heer [E] van 10 januari 2013 tevens gegevens van een viertal vergelijkingsobjecten. Dit betreft de objecten [b-straat] 47-47A te [R], [c-straat] 12-14 te [G], [d-straat] 13 te [G] en [e-straat] 35 te [S].

2.5.

In alle door partijen overgelegde taxatierapporten zijn de door de taxateurs getaxeerde waarden bepaald met toepassing van de huurwaarde-kapitalisatiemethode. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de daarbij te hanteren kapitalisatiefactor 10,1 bedraagt.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de waarde van de onroerende zaak op de peildatum hoger of lager dient te worden vastgesteld dan het bedrag van € 719.000 waartoe de Rechtbank heeft geoordeeld.

Belanghebbende meent dat de waarde van de onroerende zaak lager moet worden vastgesteld en bepleit een waarde van € 660.000. De Heffingsambtenaar daarentegen meent dat de waarde van de onroerende zaak hoger moet worden vastgesteld. Hij bepleit een waarde van € 762.000 conform zijn uitspraak op het bezwaarschrift.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

De heer [B], namens belanghebbende

In zijn hoger beroepschrift van 11 april 2013 heeft belanghebbende er over geklaagd dat de Rechtbank ten onrechte geen kennis heeft genomen van belanghebbendes brief van 22 maart 2013 met vier bijlagen. Desgevraagd verklaart belanghebbende dat het uitdrukkelijk niet zijn bedoeling is dat het Hof deze zaak terugwijst naar de Rechtbank vanwege een mogelijke fout in de procesvoering.

In de laatste regel van zijn pleitnota staat ten onrechte vermeld dat belanghebbende verzoekt om de WOZ-waarde per 1 januari 2011 terug te brengen naar € 395.000; dit moet zijn
€ 660.000.

In de uitspraak van de Rechtbank (onderdeel 2.11) staat dat voor het bepalen van de waarde van de onroerende zaak het beste kan worden uitgegaan van rond de waardepeildatum behaalde verkoopcijfers van met de onroerende zaak vergelijkbare objecten. Welnu, de WOZ-waarde van het buurpand [f-straat] 26 en 28 te [A] is door de gemeente vastgesteld op € 954.000, maar dat pand is in december 2013 verkocht voor € 428.000. Dit was weliswaar in een dalende markt en een gedwongen verkoop vanwege een faillissement, maar zelfs als te dier zake 20% bij de verkoopprijs wordt geteld, dan nog blijft die waarde ruim onder de vastgestelde WOZ-waarde.

De onroerende zaak is door belanghebbende en de heer [B] aangekocht in april 2009 voor een prijs van € 664.000. De onroerende zaak was op dat moment verhuurd aan [D] N.V., waarvan belanghebbende en de heer [B] aandeelhouders zijn. De huur van de onroerende zaak bedroeg per jaar € 62.000 en die huurprijs is na de aankoop in april 2009 hetzelfde gebleven. In al die jaren is er niets verbouwd aan het pand.

De extra grond heeft een oppervlakte van exact 1.188 m2 en niet 1.335 m2 zoals de Heffingsambtenaar meent. De extra grond heeft de heer [B] tezamen met zijn taxateur, de heer [E], ter plekke opgemeten.

Belanghebbende heeft ter zitting een “Formulier Proceskosten” overgelegd van 16 april 2014, met 3 bijlagen. Hij claimt daarin de door de Rechtbank op € 628 vastgestelde tegemoetkoming in zijn proceskosten in beroep en daarnaast zijn werkelijke proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.746,12.

Belanghebbende verklaart desgevraagd dat het hem duidelijk is dat er normen gelden voor het toekennen van een proceskostenvergoeding en dat in het algemeen wordt volstaan met het toepassen van die normen en het op grond daarvan vaststellen van een tegemoetkoming in de kosten. Voor zijn proceskosten in hoger beroep houdt hij niettemin vast aan zijn verzoek om vergoeding van de werkelijke kosten.

de heer [E], namens belanghebbende

De door belanghebbende in zijn verweerschrift in hoger beroep van 8 juli 2013 opgenomen waardeberekening van € 659.075 is door mij opgesteld. Het betreft een door mij als taxateur gedane schatting van de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2011. De huurwaarde van de onroerende zaak resulteert conform de specificatie in mijn opstelling in een bedrag van € 65.255. Met een kapitalisatiefactor van 10,1 resulteert dit in een waarde van € 659.075. Mijn opstelling laat zien dat de werkelijk betaalde huurprijs van € 62.000 ook per 1 januari 2011 nog steeds reëel is.

Een groot deel van de bedrijfshal is hoog en niet direct bruikbaar. Een huurprijs van € 47 per m2 is daarom veel te hoog. In mijn opstelling hanteer ik daarvoor een huurprijs van € 36 per m2. De huurprijs van een kantoor is altijd hoger dan die van een kale bedrijfshal, omdat de bouw daarvan duurder is.

Een waardeberekening moet helder zijn en dat is niet het geval met de berekening van de Heffingsambtenaar. De huurprijs van het kantoor is te laag en die van de bedrijfshal te hoog. De verhoudingen in de huurprijzen per m2 zijn volkomen zoek.

De extra grond bij de onroerende zaak biedt mogelijkheden voor uitbreiding en kan ook worden verhuurd. Die grond is gedeeltelijk bestraat. De extra grond wordt daarom terecht meegenomen in de berekening van de waarde, zij het dat de Heffingsambtenaar ten onrechte rekent met een oppervlakte van 1.335 m2. Tezamen met de heer [B] heb ik de extra grond opgemeten. Dit resulteerde in een oppervlakte van exact 1.188 m2.

De onroerende zaak [g-straat] 11a betreft een veel moderner pand dan de onroerende zaak en is om die reden minder goed vergelijkbaar.

[h-straat] 20 betreft eveneens geen goed vergelijkbaar object. Het pand is veel kleiner dan de onroerende zaak en er moet nog veel aan worden gedaan. Die minpunten staan een goede vergelijking van beide objecten in de weg.

Aan de procedure in hoger beroep heb ik, inclusief de kosten voor het bijwonen van de zitting, in totaal 7,5 uren besteed. Mijn werkzaamheden verricht ik tegen een uurloon van
€ 100, zodat mijn kosten € 750 bedragen.

Namens de Heffingsambtenaar

De brief van belanghebbende van 31 maart 2014 en de daarbij overgelegde stukken geven een herhaling van zetten. De Heffingsambtenaar heeft er geen bezwaar tegen als deze stukken worden gerekend tot de stukken van het geding.

De Heffingsambtenaar persisteert bij het door hem ingenomen standpunt. Ter onderbouwing van de getaxeerde huurwaarden beroept de Heffingsambtenaar zich op de bij zijn aanvullend hoger beroepschrift van 13 juni 2013 overgelegde “Huurwaarde matrix voor taxatie alle courante niet-woningen gemeente Moerdijk” (bijlage onder 1) en “Gehanteerde marktinformatie t.b.v. de onderbouwing voor de categorie bedrijven” (bijlagen onder 2).

De door belanghebbende genoemde waardeberekening van € 659.075 is de Heffingsambtenaar niet eerder tegenkomen dan in het verweerschrift in hoger beroep van belanghebbende van 8 juli 2013. De Heffingsambtenaar vraagt zich af of dit een opstelling is van belanghebbende zelf of van zijn taxateur.

De Heffingsambtenaar heeft er geen bezwaar tegen als het ter zitting door belanghebbende overgelegde “Formulier Proceskosten” van 16 april 2014, met 3 bijlagen wordt gerekend tot de stukken van het geding. Hij stelt zich echter op het standpunt dat belanghebbende bij gegrondverklaring van zijn hoger beroep maximaal recht heeft op een tegemoetkoming in zijn proceskosten conform de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Heffingsambtenaar, gegrondverklaring van het beroep, vermindering van de WOZ-waarde tot een bedrag van € 660.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen ozb, vergoeding van het door hem bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht van respectievelijk € 42 en € 118, een tegemoetkoming in de proceskosten bij de Rechtbank van € 628 en vergoeding van zijn werkelijke proceskosten in hoger beroep van in totaal € 1.746,12.

3.4.

De Heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van zijn uitspraak op het bezwaarschrift, waarbij de waarde is verminderd tot een bedrag van € 762.000.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 2011 en heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.2.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor niet-woningen bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur, door middel van een methode van vergelijking met referentiepanden, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.

4.3.

Zowel de door de Heffingsambtenaar verdedigde waarde als die van belanghebbende is bepaald met toepassing van de huurwaarde-kapitalisatiemethode. Bij deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald door de geïndexeerde huurprijs (bruto huurwaarde) te vermenigvuldigen met de kapitalisatiefactor. Naar het oordeel van het Hof is dit voor een object als het onderhavige een bruikbare methode. Tussen partijen is niet in geschil dat de daarbij te hanteren kapitalisatiefactor 10,1 bedraagt.

4.4.

De Heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op een taxatierapport, opgesteld op 1 oktober 2012 door taxateur mevrouw [L], die de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum heeft getaxeerd op € 762.000. Naast gegevens van de onroerende zaak, bevat dit rapport tevens gegevens van een viertal vergelijkingsobjecten die eveneens gelegen zijn op of nabij het industrieterrein [K] te [A].

4.5.

De in dit taxatierapport gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn naar het oordeel van het Hof voor wat betreft inrichting, gebruiksdoeleinden, bruto vloeroppervlakte en bouwjaar onvoldoende vergelijkbaar met de onroerende zaak. Daarbij is niet inzichtelijk gemaakt hoe de in het taxatierapport gehanteerde huurwaarden tot stand zijn gekomen. Zo zijn de aan de onroerende zaak toegekende huurwaarden niet onderbouwd met gerealiseerde huren van vergelijkbare objecten. Voorts is in het taxatierapport aan het entresol een huurprijs toegekend van € 44 per m² en aan de extra grond een huurprijs van € 45 per m². Het Hof acht deze huurprijzen niet aannemelijk, nu het verschil daartussen zeer gering is terwijl de gebruiksmogelijkheden en daarmee de waarde van (extra) grond ten opzichte van opslagruimte in een entresol naar het oordeel van het Hof aanzienlijk is. Bovendien is onduidelijk gebleven waarom de Heffingsambtenaar rekent met 1.335 m2 extra grond, terwijl belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld dat meting heeft uitgewezen dat het gaat om exact 1.188 m2. De Heffingsambtenaar heeft de omvang van de door hem gestelde extra grond naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt.

4.6.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onroerende zaak op de waardepeildatum een waarde had van € 762.000.

4.7.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de door hem voorgestane waarde van € 660.000 evenmin aannemelijk gemaakt. Belanghebbende beroept zich op een tweetal taxatierapporten.

4.7.1.

In het eerste taxatierapport, opgemaakt op 23 maart 2009 door taxateur de heer [P], is de waarde van de onroerende zaak per die datum vastgesteld op € 676.000. Het Hof acht dit taxatierapport te summier, nu het geen enkele onderbouwing geeft van de gehanteerde m2-prijzen en er geen gegevens van referentieobjecten in zijn opgenomen. Daarnaast geeft dit rapport geen inzicht in de waarde op de waardepeildatum en wordt gerekend met een kapitalisatiefactor van 9 en niet van 10,1.

4.7.2.

In het tweede taxatierapport, opgemaakt op 10 januari 2013, door meergenoemde heer [E], is de onroerende zaak per 1 januari 2009 getaxeerd op € 690.000 en per 28 december 2012 op € 630.000.

In het verweerschrift van belanghebbende in hoger beroep van 8 juli 2013 is een door de heer [E] opgestelde waardeberekening opgenomen, die resulteert in een door hem gedane schatting van de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2011 van € 659.075.

Naar het oordeel van het Hof kan ook het tweede taxatierapport van belanghebbende niet ter onderbouwing van de waarde dienen, nu dit taxatierapport onder meer niet inzichtelijk maakt hoe de daarin gehanteerde huurwaarden tot stand zijn gekomen. De Heffingsambtenaar heeft gesteld dat de in dit taxatierapport gehanteerde referentieobjecten wat betreft ligging onvoldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak, onder meer omdat de referentieobjecten zijn gelegen in een andere gemeente. Belanghebbende heeft deze stelling onvoldoende weersproken. Daarnaast bevat het taxatierapport geen fotomateriaal van de genoemde referentieobjecten.

4.8.

Nu geen van de partijen de (huur)waarde van de onroerende zaak aannemelijk heeft gemaakt, zal het Hof, rekening houdende met hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd in de gedingstukken en ter zitting, de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vast te stellen.

Het Hof stelt de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2011 naar de feitelijke toestand op 1 januari 2012, evenals de Rechtbank, in goede justitie, vast op
€ 719.000. Een verdere onderbouwing voor de waarde in goede justitie acht het Hof niet goed mogelijk en, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010, nr. 07/13305, ECLI:NL:HR:2010:BK9136, BNB 2010/80, ook niet noodzakelijk. De waardebepaling in goede justitie leent zich immers slechts in beperkte mate voor motivering.

4.9.

De aanslagen ozb worden vastgesteld naar een bij een waarde van € 719.000 behorend bedrag.

4.10.

Gelet op het bovenstaande dient zowel het hoger beroep van belanghebbende als dat van de Heffingsambtenaar ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht in hoger beroep

4.11.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 118 geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.12.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 478.

Ten aanzien van de proceskosten bij de Rechtbank

4.13.

In het ter zitting door belanghebbende overgelegd “Formulier Proceskosten” van
16 april 2014 claimt hij, naast zijn werkelijke proceskosten in hoger beroep, tevens de proceskosten, zoals toegekend door Rechtbank Zeeland-West-Brabant in “procedurenummer AWB 12/4797”. In zijn bij dit formulier gevoegde “Specificatie proceskosten” beperkt hij zijn proceskosten bij de Rechtbank dan ook tot het door de Rechtbank in haar uitspraak te dier zake toegekende bedrag van in totaal € 628.

4.14.

Het Hof leidt hier uit af dat belanghebbende daarmee zijn eerder in de van hem afkomstige stukken ingenomen standpunt dat hij te dier zake een bedrag aan kosten claimt van € 2.668,85, heeft laten varen. Dit nadere standpunt van belanghebbende past ook in hetgeen belanghebbende op dit punt ter zitting heeft aangevoerd.

4.15.

Het Hof is overigens van oordeel dat de Rechtbank met betrekking tot de proceskosten op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en acht ook daarom geen termen aanwezig die proceskosten op een hoger bedrag vast te stellen.

Ten aanzien van de proceskosten bij het Hof

4.16.

Nu het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.17.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van de ter zitting door belanghebbende meegebrachte deskundige, de heer [E], op grond van artikel 1, onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna het Bpb) op een bedrag van € 614,56, berekend als volgt:

mondelinge behandeling: 4 uren x € 75 € 300,00

reis- en verblijfkosten: 77 km x € 2,70 € 207,90

€ 507,90

omzetbelasting 21% € 106,66

vergoeding € 614,56.

4.18.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van de ter zitting namens belanghebbende verschenen heer [B] op grond van artikel 1, onderdelen c en d, van het Bpb op een bedrag van € 223,40, berekend als volgt:

reiskosten: 30 km x € 0,28 € 8,40

verblijfkosten € 15,00

verletkosten 4 uren x € 50 € 200,00

vergoeding € 223,40.

4.19.

De door belanghebbende geclaimde kosten van de ter zitting ter bijstand verschenen heer [C] komen niet, ook niet gedeeltelijk, voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten vallen buiten de in artikel 1 van het Bpb gegeven limitatieve opsomming van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

4.20.

Het Hof acht een tegemoetkoming in de kosten van in totaal € 837,96 redelijk en passen binnen de bij en krachtens het Bpb, de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003 gegeven voorschriften.

4.21.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Bpb heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart zowel het hoger beroep van belanghebbende als dat van de Heffingsambtenaar ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    bepaalt dat van de gemeente Moerdijk ter zake van het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 478,

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 837,96; en

  • -

    wijst de gemeente Moerdijk aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 26 juni 2014 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.