Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1936

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
20-003604-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging: vechtpartij tussen twee groepen voetbalsupporters op/nabij de parkeerplaats van Designer Outlet Roermond. Criteria 'openlijk' en 'significante bijdrage'.

Beroep op gelijkheidsbeginsel. Hof buigt zich over de vraag wanneer sprake is van een sport- of spelsituatie en is van oordeel dat de vraag in casu negatief moet worden beantwoord. Hof is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat geen van de personen van de groep in witte bovenkleding geklede supporters is vervolgd, geen schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafvordering 167
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003604-12

Uitspraak : 27 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-820640-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen, opnieuw rechtdoende het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De verdediging heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn strafvervolging en subsidiair bepleit dat – mocht het hof het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging – verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 april 2012 te Roermond met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Scheepvaartweg, in elk geval op of aan een openbare weg en/of ten aanschouwe van, althans zichtbaar voor publiek, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of een of meer andere personen, welk geweld bestond uit het slaan en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of andere perso(o)n(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat het openbaar ministerie zich bij het instellen van de strafvervolging tegen de verdachte schuldig heeft gemaakt aan schending van het gelijkheidsbeginsel door twee vormen van willekeur. Het hof begrijpt dit aldus dat het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel op twee gronden is gebaseerd.

A1.1

De verdediging heeft, zoals verwoord in de pleitnota, in de eerste plaats aangevoerd dat het openbaar ministerie geen deelnemers aan afgesproken gevechten vervolgt, zoals deelnemers aan het kickboksgala dat op 26 februari 2012 in ’s-Hertogenbosch werd gehouden, waarbij toeschouwers aanwezig zijn en hard wordt geslagen en geschopt, terwijl het wel overgaat tot vervolging van ‘een select groepje vermoedelijke deelnemers aan een incident dat door geen van de betrokkenen een gevecht werd genoemd en waarbij alle betrokkenen in goede harmonie afscheid namen’. Als het strafrecht buiten situaties blijft waarbij met een beroep op sport als rechtvaardigingsgrond bewust geweld op een ander wordt uitgeoefend, al dan niet beperkt door enkele regels, waarbij dit ‘sportieve’ geweld per definitie openlijk is, zou het strafrecht eveneens buiten situaties behoren te blijven waarbij twee groepen voetbalsupporters zouden afspreken enig geweld op elkaar uit te oefenen, beperkt door enkele regels, zeker indien moeite is gedaan om de kans zo klein mogelijk te maken dat willekeurige derden iets van dat geweld zouden kunnen zien, aldus de verdediging.

A1.2

De verdediging heeft in de tweede plaats aangevoerd dat het openbaar ministerie er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om slechts enkele personen uit één van de twee betrokken groepen te vervolgen en van de andere groep niemand te vervolgen, terwijl dit ook met een beroep op het opportuniteitsbeginsel niet te verklaren is. Dit levert een schending van het gelijkheidsbeginsel op die dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

B.

Het hof overweegt als volgt.

Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen zoveel mogelijk gelijk moeten worden behandeld.

B1.1

De verdediging heeft een vergelijking gemaakt tussen de deelnemers aan een kickbokswedstrijd en de deelnemers aan een vechtpartij tussen twee groepen voetbalsupporters. Het hof begrijpt dit onderdeel van het verweer aldus dat in de visie van de verdediging in beide gevallen sprake is van een sport- of spelsituatie, althans een daarmee gelijk te stellen situatie. Het hof overweegt in dit verband het volgende.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat een geval als het onderhavige, waarbij sprake was van een vechtpartij tussen twee groepen personen op straat (in casu voetbalsupporters) een zo evident andere situatie oplevert dan een op locatie georganiseerde kickbokswedstrijd dat in redelijkheid niet kan worden gesproken van een sport- of spelsituatie of een daarmee gelijk te stellen situatie.

Het hof overweegt dienaangaande nog het volgende.

Bij het beoordelen of sprake is van een sport- of spelsituatie moet naar de concrete omstandigheden van het geval worden gekeken. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard van de activiteit. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat het bij sport en spel, waaronder ook een kickbokswedstrijd, gaat het om maatschappelijk aanvaardbare activiteiten, waarbij de risico’s door middel van veiligheidsvoorschriften, spelregels en andere vormen van (overheids-)regulatie tot een acceptabel niveau worden beperkt. Gedragingen die niet maatschappelijk aanvaard zijn en waaraan grotere risico’s zijn verbonden, worden niet aangemerkt als sport- en spelsituatie. Het hof is van oordeel dat een afspraak tussen twee groepen personen om in het openbaar een confrontatie met elkaar aan te gaan waarbij geslagen en geschopt wordt niet als een maatschappelijk aanvaarde gedraging valt te beschouwen, alleen al omdat een dergelijke confrontatie een onverantwoord risico voor de deelnemers met zich meebrengt op een onbeheersbare escalatie van geweld en het daaruit voortvloeiend gevaar voor letsel, zonder dat er ter plekke adequate medische zorg aanwezig is. Daarnaast ontstaat er bij een dergelijke confrontatie voor toevallige passanten een gevoel van angst en onveiligheid.

Om voormelde redenen gaat de vergelijking die de verdediging heeft gemaakt tussen een op locatie georganiseerde kickbokswedstrijd en een treffen tussen twee groepen voetbalsupporters op straat niet op. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake zodat het op deze leest geschoeide verweer betreffende schending van het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.

B1.2

Ten aanzien van hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de tot schending van het gelijkheidsbeginsel leidende vervolgingsbeslissing(en) van het openbaar ministerie overweegt het hof het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het openbaar ministerie uitsluitend personen heeft vervolgd die deel zouden hebben uitgemaakt van de groep in het zwart geklede personen en dat er geen vervolging heeft plaatsgevonden van personen die tot de groep in witte bovenkleding geklede personen zouden hebben behoord. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan om een overzicht te krijgen van de vervolgingsbeslissingen betreffende de in de tenlastelegging als slachtoffers genoemde personen met daarbij de reden voor deze beslissingen. Naar aanleiding van dit verzoek is een mutatierapport van de regiopolitie Limburg Noord ingekomen en aan het dossier toegevoegd, met registratienummer PL233F 2012035747-1, opgemaakt op 15 april 2012. In dit mutatierapport is het onder meer het volgende opgenomen: “Melding vechtpartij 2 groepen bij Outletcentrum parkeerplaats. 9 aanhoudingen. (...) Op beelden van Outlet staat de hele vechtpartij. (...) Op beelden geen herkenbare personen en tot verdachten terug te herleiden strafbare feiten. Geen aangiftes, tegenpartij niet bekend. Daarom besloten verdachten heen te zenden.” Het ging daarbij volgens de mutatie om [naam 3], [naam 1], [naam 7], [naam 4], [naam 6], [naam 8], [naam 2], [naam 5] en [naam 9].1

B1.2.1

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Het openbaar ministerie komt daarbij een ruime discretionaire bevoegdheid toe. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder begrepen het gelijkheidsbeginsel.

Het enkele feit dat in de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat andere aangehouden verdachten zijn heengezonden en niet verder vervolgd zijn, staat, gelet op de hiervoor aangehaalde ruime discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie, aan vervolging van de verdachte in beginsel niet in de weg. Dit zou mogelijk anders zijn indien de vervolgingsbeslissing daadwerkelijk in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. Daarvan is naar het oordeel van het hof evenwel geen sprake. Uit de in het voormelde mutatierapport opgenomen zinsneden “Op beelden geen herkenbare personen en tot verdachten terug te herleiden strafbare feiten. Geen aangiftes, tegenpartij niet bekend. Daarom besloten verdachten heen te zenden” leidt het hof af dat er met betrekking tot de aldaar genoemde personen kennelijk sprake is geweest van een bewijssepot waarmee ook voldoende aannemelijk is geworden dat de officier van justitie op basis van de waardering van de bekende informatie, een bewuste keuze heeft gemaakt of tegen de aangehouden verdachten vervolging zou worden ingesteld. Dat er in dit opzicht geen sprake is van ‘gelijke gevallen’ volgt reeds uit het feit dat verdachte, zoals hierna nog aan de orde zal komen, wel is herkend op de camerabeelden

Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet (voldoende) aannemelijk is geworden dat er sprake is van een zodanige overeenstemming van zaken op het punt van de haalbaarheid en van de opportuniteit dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat in het onderhavige geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Feiten of omstandigheden die het hof tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden.

B1.3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden, die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 april 2012 te Roermond met anderen op de openbare weg, Scheepvaartweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, welk geweld bestond uit het slaan tegen het lichaam van die personen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Anders dan de politierechter acht het hof niet bewezen dat openlijk in vereniging geweld is gepleegd tegen de in de tenlastelegging als slachtoffers genoemde personen. De omstandigheid dat in het hiervoor onder overweging B1.2 bedoelde mutatierapport van de regiopolitie Limburg Noord, met registratienummer PL233F 2012035747-1, d.d. 15 april 2012 is opgenomen dat op de beelden die van de vechtpartij zijn gemaakt geen herkenbare personen [van de groep personen met witte bovenkleding; hof] en tot verdachten [waaronder de aangehouden verdachten; hof] terug te herleiden strafbare feiten te zien is, verdraagt zich niet met een bewezenverklaring dat het geweld tegen diezelfde personen is gepleegd.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs 2

Inleidende overweging

Met betrekking tot de aanleiding voor de onderhavige strafzaak stelt het hof op grond van de inhoud van het dossier het volgende vast:

Op zaterdag 14 april 2012 omstreeks 23:06 uur ontvingen verbalisanten van de regiopolitie Limburg Noord (Roermond) de melding dat er twee groepen personen met elkaar aan het vechten waren op de Scheepvaartweg te Roermond. Onderweg naar deze melding kregen de verbalisanten de melding dat de vechtpartij reeds gestopt was en dat er gewonden waren gevallen. Op het moment dat de verbalisanten ter plaatse gingen, zagen zij meerdere auto’s die hun tegemoet kwamen gereden. Verschillende voertuigen werden tot stoppen gedwongen en er werden negen personen aangehouden als verdachte van openlijke geweldpleging. Uit de verhoren c.q. gesprekken die de verbalisanten met de aangehouden verdachten hebben gevoerd, is gebleken dat de groep die in het wit gekleed ging, (voornamelijk) bestond uit supporters van voetbalclub Roda JC en dat de groep die gekleed ging in het zwart bestond uit supporters van voetbalclub PSV. Door de politie Limburg Noord (Roermond) is later aan personeel van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost een cd-rom overhandigd met daarop de videobeelden van de vechtpartij die zijn opgenomen door een beveiligingscamera. Verbalisanten betrokken bij het bureau Voetbal & Evenementen van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost hebben de beelden bekeken. Daarbij zijn elf personen door één of meer verbalisanten herkend. Het ging hierbij om supporters van PSV.3 Voetbalclub PSV had eerder die avond om 18.45 uur een (thuis)wedstrijd gespeeld tegen voetbalclub AZ.4

Het hof overweegt voorts het volgende.

1.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de beelden die van de vechtpartij zijn gemaakt, bekeken en hebben in dit verband het volgende gerelateerd:

‘Op zaterdag 14 april 2012 omstreeks 23.06 uur vond er een openlijke geweldpleging plaats tussen twee groepen personen op de Scheepvaartweg te Roermond. Door een bewakingscamera ter plaatse is de vechtpartij tussen beide groepen personen vastgelegd. (...) Wij, verbalisanten, hebben via collega’s van de regiopolitie Limburg Noord genoemd beeldmateriaal overhandigd gekregen. Na de beelden bekeken te hebben, bleek ons het volgende.

Beelden bewakingscamera

Wij zien dat er links in beeld een groep personen komt aangelopen. De groep bestaat uit ongeveer 23 personen. Alle personen zijn gekleed in donkere kleding. Eén persoon die vooraan in de groep loopt heeft een lichtkleurige baseballpet op. Van een aantal personen is te zien dat zij handschoenen dragen of deze aandoen tijdens het lopen. De groep loopt in een rustige pas, komende vanaf een parkeerterrein, een smalle weg in. Gezien de looprichting van de groep bevindt zich aan de linkerzijde van de weg een hek en aan de rechterzijde een talud. Op een zeker moment draait de camera naar rechts en is te zien dat er een groep personen de [eerder] genoemde groep personen tegemoet gelopen komt. Deze groep bestaat eveneens uit ongeveer 23 personen. Alle personen binnen deze groep zijn gekleed in witte bovenkleding. Wij zien dat de personen binnen deze laatstgenoemde groep dicht bij elkaar in een rustige pas in de richting lopen van de groep personen in het zwart gekleed. Vervolgens zien wij dat beide groepen in een rustige pas op elkaar aflopen. Beide groepen blijven compact bij elkaar lopen. Wij zien dat op het moment dat beide groepen elkaar tot ongeveer één meter genaderd zijn er een massale vechtpartij uitbreekt. Tijdens de vechtpartij vallen diverse personen op de grond. Het gevecht duurt ongeveer één minuut. (...) Wij zien dat beide groepen weer terug lopen in de richting waar zij vandaan kwamen.5

2.

De beelden zijn vervolgens bekeken door verschillende andere verbalisanten.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft hierover in zijn proces-verbaal van bevindingen van 2 mei 2012 – voor zover thans van belang – het volgende gerelateerd:

‘Op zaterdag 14 april 2012 omstreeks 23.00 uur vond er een openlijke geweldpleging plaats bij het Outletcentrum in Roermond tussen twee groepen personen. Uit bewakingsbeelden is gebleken dat beide groepen ieder uit ongeveer 22 personen bestonden. Tevens is te zien dat één groep gekleed ging in witte kleding en de andere groep in zwarte kleding. Op de beelden is te zien dat beide groepen in een gesloten formatie rustig naar elkaar toe lopen. Op het moment dat beide groepen elkaar genaderd zijn, ontstaat er een vechtpartij tussen beide groepen. Uit onderzoek is gebleken dat de groep in het zwart gekleed doelgroep supporters van PSV waren en de groep in het wit gekleed supporters van Roda JC. Door de politie Roermond zijn genoemde beelden veiliggesteld en ter beschikking gesteld aan personeel van bureau Voetbal & Evenementen politie Brabant Zuid-Oost.

Naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit heb ik, verbalisant [verbalisant 3], brigadier regiopolitie Brabant Zuid-Oost, werkzaam als buurtbrigadier met als neventaak spotter genoemd beeldmateriaal zelfstandig bekeken. De herkenningen zijn door mij persoonlijk gemaakt, gebaseerd op mijn ervaringen als spotter, opgedaan in de afgelopen jaren.

Door mij, verbalisant [verbalisant 3], werden de volgende PSV supporters herkend:

(...)

Op de video-opnames zag ik aan de rechterzijde van de in het zwart geklede groep personen een man lopen in het donker gekleed, jas met witte baan rondom de nek en witte schoenen. Te zien is dat deze man op enig moment in het licht loopt waardoor zijn gezicht herkenbaar in beeld komt. Ik herken deze man als zijnde de mij ambtshalve bekende probleemsupporter [verdachte]. Ik ken deze verdachte vanuit mijn werkzaamheden rondom wedstrijden van PSV en omdat hij reeds meerdere malen negatief in beeld is gekomen bij de politie rondom wedstrijden van PSV. Op de video-opnames is te zien dat verdachte [verdachte] deelneemt aan de vechtpartij.

De verdachte is volledig genaamd: [verdachte], geboren [geboortedatum]1981 te [geboorteplaats], wonende [adres], [woonplaats].’6

3.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen van 3 mei 2012 het volgende opgenomen:

‘Vanaf 2000 ben ik, [verbalisant 4], ambtshalve nauw betrokken bij de begeleiding van de zogenaamde PSV probleemsupporters tijdens zowel thuis- als uitwedstrijden van PSV. Vanaf 2009 ben ik tevens in functie als voetbalspotter. (...) Op 29 april 2012 heb ik, verbalisant [verbalisant 4], de videobeelden geanalyseerd, welke waren opgenomen op zaterdag 14 april 2012 te Roermond en waarop de openlijke geweldpleging is te zien tussen twee groepen personen. Uit onderzoek is gebleken dat de groep in het donker gekleed supporters van PSV zijn en de groep in lichte kleding gekleed supporters van Roda JC zijn. Bij de analyse herkende ik een achttal personen, te weten:

(...)

[verdachte], geboren [geboortedatum]1981 te [geboorteplaats].

Ik zag [verdachte] bij aanvang van de opname wanneer hij midden en vooraan in de groep loopt. [verdachte] is op dat moment gekleed in een donker jack met witte strepen ter hoogte van zijn kraag. Ook zag ik dat [verdachte] lichte schoenen draagt en op dat moment achter [naam 10] loopt. Ik herken [verdachte] zonder twijfel aan zijn gezicht en aan zijn postuur.’7

4.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen van 29 april 2012 het volgende verklaard:

‘Ik, verbalisant [verbalisant 5], ben belast met de neventaak ‘spotter’ bij voetbalwedstrijden van PSV. In verband met deze neventaak ben ik bekend met een groot aantal risicosupporters van PSV.

Op zaterdag 14 april 2012 omstreeks 23.00 uur vond er een openlijke geweldpleging plaats bij het Outletcentrum in Roermond tussen twee groepen personen. Uit bewakingsbeelden is gebleken dat beide groepen ieder uit ongeveer 22 personen bestonden. Tevens is te zien dat één groep gekleed ging in witte kleding en de andere groep in zwarte kleding. Op de beelden is te zien dat beide groepen in een gesloten formatie rustig naar elkaar toe lopen. Op het moment dat beide groepen elkaar genaderd zijn, ontstaat er een vechtpartij tussen beide groepen. Uit onderzoek is gebleken dat de groep in het zwart gekleed doelgroep supporters van PSV waren en de groep in het wit gekleed supporters van Roda JC. Door de politie Roermond zijn genoemde beelden veiliggesteld en ter beschikking gesteld aan personeel van bureau Voetbal & Evenementen politie Brabant Zuid-Oost.

Naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit heb ik, verbalisant [verbalisant 5], genoemd beeldmateriaal bekeken. Door mij werden de volgende PSV supporters herkend:

(...)

Op de video-opnames zag ik een man met zwart haar, een donkere jas met witte rits. Ik herken deze man als zijnde [verdachte]. Het is mij bekend dat [verdachte] deel uitmaakt van de groep probleemsupporters van PSV. Op 31-3-2012 werd de voetbalwedstrijd PSV-VVV gespeeld. Door politiepersoneel Venlo werd ik attent gemaakt op het feit dat twee PSV supporters in café [café] te Eindhoven (alwaar supporters van VVV voor de voornoemde wedstrijd verbleven) supporters van VVV aanspraken met het verzoek om te gaan vechten. Politiepersoneel Venlo wees mij de betreffende twee PSV supporters aan. Ik controleerde deze twee PSV supporters. Een van deze supporters was [verdachte]. De verdachte is volledig genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.’8

5.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 2012 – voor zover thans van belang – het volgende gerelateerd:

‘Op zaterdag 14 april 2012 omstreeks 23.00 uur vond er een openlijke geweldpleging plaats bij het Outletcentrum in Roermond tussen twee groepen personen. Uit bewakingsbeelden is gebleken dat beide groepen ieder uit ongeveer 22 personen bestonden. Tevens is te zien dat één groep gekleed ging in witte kleding en de andere groep in zwarte kleding. Op de beelden is te zien dat beide groepen in een gesloten formatie rustig naar elkaar toe lopen. Op het moment dat beide groepen elkaar genaderd zijn, ontstaat er een vechtpartij tussen beide groepen. Uit onderzoek is gebleken dat de groep in het zwart gekleed doelgroep supporters van PSV waren en de groep in het wit gekleed supporters van Roda JC. Door de politie Roermond zijn genoemde beelden veiliggesteld en ter beschikking gesteld aan personeel van bureau Voetbal & Evenementen politie Brabant Zuid-Oost.

Naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit heb ik, verbalisant [verbalisant 6], hoofdagent regiopolitie Brabant Zuid-Oost, neventaak spotter bij PSV, genoemd beeldmateriaal bekeken. Door mij werden de volgende PSV supporters herkend:

(...)

Op de video-opnames zag ik een man met zwart haar, een donkere jas met witte rits. Ik herken deze man als zijnde de probleemsupporter [verdachte]. Ik ken [verdachte] van de afgelopen voetbalseizoenen. Ik ken hem door mijn werkzaamheden als spotter bij PSV wedstrijden. De verdachte is volledig genaamd: [verdachte], geboren [geboortedatum]1981 te [geboorteplaats].’9

6.

Verbalisant [verbalisant 7] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2012 het volgende opgenomen:

‘Op zaterdag 14 april 2012 omstreeks 23.00 uur vond er een openlijke geweldpleging plaats bij het Outletcentrum in Roermond tussen twee groepen personen. Uit bewakingsbeelden is gebleken dat beide groepen ieder uit ongeveer 22 personen bestonden. Tevens is te zien dat één groep gekleed ging in witte kleding en de andere groep in zwarte kleding. Op de beelden is te zien dat beide groepen in een gesloten formatie rustig naar elkaar toe lopen. Op het moment dat beide groepen elkaar genaderd zijn, ontstaat er een vechtpartij tussen beide groepen. Uit onderzoek is gebleken dat de groep in het zwart gekleed doelgroep supporters van PSV waren en de groep in het wit gekleed supporters van Roda JC. Door de politie Roermond zijn genoemde beelden veiliggesteld en ter beschikking gesteld aan personeel van bureau Voetbal & Evenementen politie Brabant Zuid-Oost.

Naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit heb ik, verbalisant [verbalisant 7], brigadier regiopolitie Brabant Zuid-Oost, werkzaam als coördinator bij het bureau Voetbal & Evenementen, genoemd beeldmateriaal bekeken. Door mij werd de volgende PSV supporter herkend:

Op de video-opnames zag ik in het midden van de in het zwart geklede groep personen een man lopen. Ik zag een man in een donkere jas tot op zijn heupen met witte rits en capuchon met een lichte rand. Verder draagt deze man lichte schoenen. Ik herken deze man als zijnde de probleemsupporter [verdachte]. Ik ken deze verdachte vanuit mijn werkzaamheden rondom wedstrijden van PSV. Op de video-opnames is te zien dat verdachte [verdachte] deelneemt aan de vechtpartij. De verdachte is volledig genaamd: [verdachte], geboren [geboortedatum]1981 te [geboorteplaats].’10

7.

Op grond van de herkenningen die door verschillende verbalisanten zijn gedaan, zijn meerdere personen aangehouden tegen wie de verdenking bestond dat zij deel hebben uitgemaakt van de groep in het zwart geklede personen. Tot de groep met aangehouden personen behoorde, naast verdachte, onder meer ook [naam medeverdachte]. [naam medeverdachte] is op 30 mei 2012 door de politie Brabant Zuid-Oost als verdachte gehoord. Hij heeft daarbij, voor zover thans relevant, het volgende verklaard:

Vraag verbalisant: Wat deed jij direct na de wedstrijd PSV-AZ? Met wie en hoe?

Ik ben er wel geweest. Ik ben met de trein terug naar Roermond gegaan. Ik heb in de loop van de dag gehoord dat er iets ging plaatsvinden. Met ‘iets’ bedoel ik dat er gevochten zou gaan worden. Er was in Roermond afgesproken omdat dit halverwege is. Ik weet dat de vechtpartij tussen Zuid Limburg en ons was. Ik bedoel met ‘ons’ PSV. (...)

Vraag verbalisant: Wat voor kleding droeg jij?

Ik had een witte pet op en verder droeg ik een zwarte jas. (...) we [droegen] allemaal zwarte kleding.11

8.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de digitale beelden bekeken die van de vechtpartij tussen twee groepen personen op 14 april 2012 zijn gemaakt. Het hof heeft daarbij waargenomen dat een groep in het zwart geklede personen over een weg, gelegen op of in de onmiddellijke nabijheid van een parkeerterrein, in de richting van een groep in witte bovenkleding geklede personen loopt. Het hof heeft waargenomen dat daarbij sprake is van een coherent geheel en van een gezamenlijk optreden. Wanneer de groepen elkaar zijn genaderd, ontstaat er een vechtpartij tussen beide groepen. Het hof heeft waargenomen dat door personen die deel uitmaken van de groep in het zwart geklede personen tegen het lichaam van in witte bovenkleding geklede personen is geslagen.

9.

De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota, op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het hof zal de verweren puntsgewijs bespreken.

a. Heeft de verdachte deel uitgemaakt van de groep in het zwart geklede personen die op 14 april 2012 heeft gevochten met een groep in witte bovenkleding geklede personen?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is vast te stellen dat verdachte aanwezig is geweest bij het incident te Roermond en deel heeft uitgemaakt van de groep in het zwart geklede personen. De verdediging heeft daarbij vraagtekens geplaatst bij de bewijswaarde van de processen-verbaal van bevindingen van de spotters, mede gelet op het algemene en summiere signalement dat van de verdachte is gegeven en de stellige ontkenning van de verdachte dat hij zich aan het ten laste gelegde feit schuldig heeft gemaakt.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de hiervoor onder 2 tot en met 6 opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte door vijf verbalisanten is herkend als één van de personen die op 14 april 2012 deel heeft uitgemaakt van de groep in het zwart geklede personen. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 6] en [verbalisant 7]. Uit de hiervoor bedoelde processen-verbaal van bevindingen blijkt dat zij de verdachte al vóór 14 april 2012 kenden en vanuit hun functie en de daaruit voortvloeiende contacten met supporters van PSV, waaronder de verdachte, ook goed in staat zijn om verdachte te herkennen. Verbalisant [verbalisant 3] heeft als getuige bij de raadsheer-commissaris nog verklaard dat hij verdachte vóór 14 april 2012 zeker al dertig keer had gezien en dat hij hem ook na deze datum nog regelmatig heeft gezien. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep kennis genomen van de camerabeelden en waargenomen dat deze van zodanige kwaliteit zijn dat herkenning van één of meerdere personen op die beelden mogelijk is.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat in meerdere processen-verbaal van bevindingen voor wat betreft de aanleiding voor het bekijken van de videobeelden gebruik is gemaakt van een min of meer gestandaardiseerd tekstblok. Deze omstandigheid doet naar het oordeel van het hof echter niet aan de overige bevindingen van de verbalisanten af, nu zij hun herkenning hebben gebaseerd op eerdere contacten met de verdachte en temeer niet nu zij daarbij ieder voor zich hebben gerelateerd aan de hand van welke kenmerken zij de verdachte hebben herkend. Van andere omstandigheden die aan de betrouwbaarheid van de bevindingen van de verbalisanten raken, is het hof niet gebleken.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte behoorde tot de bedoelde in het zwart geklede groep. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Was er sprake van geweld?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat om te kunnen spreken van ‘geweld’ in de zin van de tenlastelegging is vereist dat sprake is van mishandeling. Nu geen van de bij het incident betrokken personen aangifte heeft gedaan, is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van pijn en/of letsel voor de betrokkenen.

Uit hetgeen het hof hierover onder 8 heeft opgenomen, blijkt dat de verdachte deel uitmaakte van een groep in het zwart geklede personen die in de richting van een groep in witte bovenkleding geklede personen liep en dat de groep waarvan verdachte deel uitmaakte vervolgens in gevecht is geraakt met de andere groep, waarbij tegen het lichaam van personen van die andere groep is geslagen. Hieruit volgt dat sprake is van geweld.

Ook overigens is het hof van oordeel dat voor ‘geweld’ in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht niet is vereist dat sprake is van mishandeling (derhalve van pijn en/of letsel), terwijl evenmin sprake hoeft te zijn van een (of meer) aangifte(n), voordat kan komen vast te staan dat geweld is gebruikt. In zoverre heeft de verdediging een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip ‘geweld’ als bedoeld in genoemd artikel

Het hof verwerpt het verweer.

Heeft de verdachte een significante bijdrage aan het geweld geleverd?

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de camerabeelden sprake is van een soort ‘knip’. De camera zoomt in eerste instantie in op de groep in het zwart geklede personen, maar vervolgens draait de camera, waarna wordt ingezoomd op de naderende groep in witte bovenkleding geklede personen. Daarbij is de groep in het zwart geklede personen enige tijd uit beeld. Voor zover het hof al bewezen acht dat de verdachte deel uitmaakte van de groep in het zwart geklede personen op het moment dat deze groep voor het eerst in beeld komt, kan het hof niet vaststellen dat de verdachte ook in tweede instantie, op het moment van de confrontatie met de groep personen in witte bovenkleding, deel heeft uitgemaakt van de groep in het zwart geklede personen. Bovendien moet het hof voor wat betreft de beoordeling van de vraag of sprake is van een significante bijdrage het individu aanwijzen op de beschikbare beelden, aldus de verdediging.

Zoals het hof hiervoor onder 8 heeft overwogen, heeft het op de camerabeelden waargenomen dat een groep in het zwart geklede personen over een weg, gelegen op of in de onmiddellijke nabijheid van een parkeerterrein, in de richting van een groep in witte bovenkleding geklede personen loopt. Op basis van hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd, gaat het hof ervan uit dat verdachte zich op het moment dat de groep in het zwart geklede personen in beeld komt, vanuit het standpunt van de kijker bezien, rechts vooraan in de groep bevindt. Het hof heeft waargenomen dat daarbij sprake is van een coherent geheel en van een gezamenlijk optreden. Wanneer de groepen elkaar zijn genaderd, ontstaat er een vechtpartij tussen beide groepen. Het hof heeft waargenomen dat door personen die deel uitmaken van de groep in het zwart geklede personen tegen het lichaam van in witte bovenkleding geklede personen is geslagen.

Weliswaar is de groep in het zwart geklede personen enige tijd niet in beeld, maar op het moment dat de groep weer in beeld komt, is naar het oordeel van het hof nog steeds sprake van dezelfde coherent ogende groep die kort daarop in gevecht raakt met de tegenpartij, waarbij personen van de groep in witte bovenkleding tegen het lichaam worden geslagen. Niet gebleken is dat de verdachte zich op enig moment voorafgaand aan het gevecht heeft onttrokken uit de groep. Het hof gaat er dan ook van uit dat de verdachte daarbij aanwezig was.

Het hof overweegt voorts het volgende.

Op grond van de wetsgeschiedenis bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals weergegeven in HR 11 november 2003, LJN: AL6209, is van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat voor het aannemen van een voldoende significante of wezenlijke bijdrage een concrete individuele gedraging van verdachte vooropstaat, is het hof van oordeel dat, zelfs indien de verdachte niet zelf zou hebben geslagen, ook het dreigend opdringen naar anderen, terwijl dit plaatsvindt binnen het verband van een in homogeen verband opererende groep geweld plegende personen, is aan te merken als een gewelddadige handeling die een veroordeling ter zake van artikel 141 Sr kan rechtvaardigen, mede gelet op het fysiek intimiderende onderlinge verband van de gedragingen van de groep.

Het hof verwerpt het verweer.

Was er sprake van ‘openlijk geweld’?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het incident uitsluitend ‘openlijk’ was omdat het via een beveiligingscamera kon worden waargenomen en de bediener van de camera actief ging draaien en inzoomen. Dat een willekeurige derde het incident, dat bovendien in de avonduren en op een verlaten parkeerplaats plaatsvond, zelfs maar had kunnen waarnemen, is niet komen vast te staan.

Het hof overweegt als volgt.

Van ‘openlijk’ geweld ex art. 141, eerste lid, Sr is sprake bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was (HR 26 juni 1979, NJ 1979, 618). Daarbij moet het begrip ‘openlijk’ zeer ruim worden opgevat; het gaat om geweldpleging die voor derden zichtbaar had kunnen zijn, terwijl niet is vereist dat die derden zonder enige belemmering op de plaats waar de geweldpleging plaatsvond aanwezig konden zijn. In het onderhavige geval heeft de geweldpleging plaatsgevonden op een openbare weg, te weten de Scheepvaartweg te Roermond. Daarmee was de geweldpleging ook zonder de aanwezigheid van toevallige passanten openlijk.

Het hof verwerpt het verweer.

Kan de verdachte met succes een beroep doen op een rechtvaardigingsgrond?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond, waardoor het handelen van de verdachte – voor zover bewezen – niet wederrechtelijk is. De rechtvaardigingsgrond is gelegen in de omstandigheid dat de twee groepen personen met elkaar een (met een) civielrechtelijke overeenkomst (vergelijkbare overeenkomst) hadden gesloten, waarbij zij elkaar toestemming gaven om geweld te gebruiken. Zoals een arts niet kan worden veroordeeld voor mishandeling indien hij in de operatiekamer in een patiënt snijdt, zo kan ook de verdachte in het onderhavige geval niet worden veroordeeld voor geweld tegen personen van de andere groep, aldus de verdediging.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat mogelijk sprake was van een ‘overeenkomst’ tussen de twee groepen personen om met elkaar in gevecht te gaan, niet kan worden gezien als een rechtvaardigingsgrond, op grond waarvan de wederrechtelijkheid aan het handelen van de verdachte komt te ontvallen. Met de advocaat-generaal overweegt het hof daartoe dat artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht niet alleen de lichamelijke integriteit van personen tegen wie geweld wordt aangewend beoogt te beschermen, maar dat ook de openbare orde het beschermd belang is. Het door het hof bewezen verklaarde feit moet worden aangemerkt als een delict tegen de openbare orde en is om die reden niet te vergelijken met de situatie als door de raadsman is geschetst.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met:

  • de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • de inhoud van het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2014, waaruit blijkt dat hij reeds eerder, te weten bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 8 oktober 2010, ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, met als maatschappelijke kwalificatie voetbalvandalisme, onherroepelijk is veroordeeld, onder meer tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Daarbij komt dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan in de proeftijd van deze veroordeling;

  • de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof zich rekenschap gegeven van de wijziging van het bepaalde in artikel 22b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht nu aan verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit, namelijk bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Leeuwarden als hiervoor genoemd, wegens soortgelijke misdrijven een taakstraf is opgelegd. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken of de verdachte deze taakstraf ook heeft uitgevoerd, zal het hof in het voordeel van de verdachte het in artikel 22b Sr bepaalde buiten toepassing laten en aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Gelet op de omstandigheden als hiervoor genoemd, zal het hof een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, waarvan de duur gelijk is aan de straffen die de politierechter heeft opgelegd.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. E.N. van der Spoel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 27 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Mutatierapport van de regiopolitie Limburg Noord, district Midden-Limburg, registratienummer PL233F 2012035747-1, op 15 april 2012 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 8], gehecht als bijlage aan een brief van 3 februari 2014 van mr. N.P.M. van de Wouw, senior secretaris bij het ressortsparket ’s-Hertogenbosch.

2 In de voetnoten wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar paginanummers van het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afhandeleenheid Eindhoven, met dossiernummer 2012068014, afgesloten d.d. 16 augustus 2012, bestaande uit in de wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 571.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] (brigadier, belofte) en [verbalisant 2] (brigadier, eed), opgemaakt op 16 mei 2012, blz. 44-45.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], op 30 mei 2012 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 9] (hoofdagent, belofte), blz. 299.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] (brigadier, belofte) en [verbalisant 2] (brigadier, eed), opgemaakt op 10 mei 2012, blz. 46-47.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (brigadier, belofte) d.d. 2 mei 2012, blz. 319 en 321.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] (brigadier, eed) d.d. 3 mei 2012, blz. 325 en 326.

8 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] (brigadier, eed) d.d. 29 april 2012, blz. 329 en 330.

9 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] (hoofdagent, belofte) d.d. 1 mei 2012, blz. 334 en 336.

10 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] (brigadier, eed) d.d. 14 mei 2012, blz. 339.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam medeverdachte], op 30 mei 2012 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] (agent, belofte), blz. 394 en 395.