Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1923

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
F200.135.583_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

PARTNERALIMENTATIE, samenleven met een ander als ware zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/114
EB 2014/85
FJR 2015/40.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 juni 2014

Zaaknummer: F 200.135.583/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/166027 / FA RK 11-1399

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

[jongmeerderjarige dochter] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [jongmeerderjarige],

appellanten in principaal appel,

verweersters in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.F. Cohen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. M.M. Bäumler, thans mr. K.G.J. Verbong.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2013, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de beschikking van de rechtbank Maastricht, thans rechtbank Limburg zittingsplaats Maastricht, van 15 februari 2006 te bekrachtigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 december 2013, heeft de man verzocht, naar het hof begrijpt, het verzoek van de vrouw in hoger beroep af te wijzen.

Tevens heeft de man hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover het betreft de te veel betaalde partneralimentatie, althans de terugbetaling daarvan door de vrouw en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige], thans de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] en bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] en de proceskostenveroordeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- de vrouw alsnog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te voldoen de te veel betaalde partneralimentatie over de periode van 1 juli 2009 tot augustus 2013, begroot op € 65.706,37, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- te bepalen dat het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie € 462,50 inclusief child allowance bedraagt en dat eventueel minder te ontvangen child allowance in mindering strekt op de door de man te betalen kinderalimentatie;

- de vrouw alsnog te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, welke kosten in eerste aanleg zijn vast te stellen op € 13.421,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de door het hof te geven beschikking tot en met de dag der algehele voldoening en welke kosten in appel worden begroot op € 299,- griffierecht en P.M.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met productie, ingekomen ter griffie op 23 januari 2014, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man af te wijzen als onbewezen en/of ongegrond en te bepalen dat de man de door hem te ontvangen child allowance aan de vrouw doorbetaalt.

2.3.

Met partijen is ter zitting besproken of de verzoeken van de vrouw geacht moeten worden mede te zijn gedaan door [jongmeerderjarige] (voor zover van belang). Het hof overweegt dat de verzoeken van de vrouw in het geformuleerde petitum naar redelijkheid aldus dienen te worden opgevat, dat deze verzoeken tevens, voor zover van belang, zijn gedaan namens en ten behoeve van [jongmeerderjarige].

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Cohen;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Verbong.

2.4.1.

[jongmeerderjarige] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening met betrekking tot de bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 april 2012, met als bijlage de pleitnota van de man;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 27 januari 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 2 mei 2014.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 19 september 1991 te IJsselstein met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [jongmeerderjarige], op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats], en

[minderjarige], op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw. [jongmeerderjarige] is woonachtig bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 15 februari 2006 heeft de rechtbank Maastricht, thans rechtbank Limburg zittingsplaats Maastricht, tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 21 juni 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (21 juni 2006) als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] en [minderjarige] moet voldoen een bedrag van € 650,- per kind per maand en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 1.200,- per maand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, kort samengevat, de beschikking van de rechtbank Maastricht (thans rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht) van 21 juni 2006 gewijzigd voor zover het betreft de door de man te betalen onderhoudsbijdragen voor [jongmeerderjarige], [minderjarige] en de vrouw. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd op 29 juni 2009 en voorts heeft de rechtbank, kort samengevat, bepaald dat de man met ingang van 27 oktober 2011 een bedrag van € 462,50 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als onderhoudsbijdrage voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige]. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de door de man vanaf 27 oktober 2011 tot heden te veel aan haar betaalde kinderalimentatie niet behoeft terug te betalen.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.1.

De grieven van de vrouw richten zich tegen de overweging van de rechtbank dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd met de heer [partner van appellante] (hierna te noemen: [partner van appellante]), in het bijzonder tegen de overwegingen met betrekking tot de samenwoning, de gemeenschappelijke huishouding, de wederzijdse verzorging en de ingangsdatum van de samenwoning, alsmede tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de terugbetaling van de eventueel door de man onverschuldigd betaalde partneralimentatie. De grieven van de vrouw en [jongmeerderjarige] richten zich, naar het hof begrijpt, tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de wijziging van omstandigheden en de wijziging van de onderhoudsbijdragen voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige].

3.3.2.

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het feit dat de vrouw niet is veroordeeld tot terugbetaling van de door de man onverschuldigd betaalde partneralimentatie vanaf 29 juni 2009 en met betrekking tot het feit dat de door de man ontvangen en te ontvangen child allowance ten onrechte niet in de gewijzigde kinderalimentatie is inbegrepen en ten slotte tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de proceskostenveroordeling.

Onderhoudsbijdrage voor de vrouw

Artikel 1:160 BW

3.4.1.

De vrouw heeft aangevoerd, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte voor recht heeft verklaard dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 29 juni 2009 van rechtswege is geëindigd op de grond dat de vrouw met ingang van die datum samenwoont met de heer [partner van appellante] als waren zij gehuwd in de zin van art. 1:160 BW, nu aan de daaraan te stellen criteria niet is voldaan. De vrouw heeft betwist dat de man in de periode van 27 mei 2009 tot en met 29 juni 2009 dagelijks van 5.00 uur tot 5.30 uur in de ochtend naar de woning van vrouw in [woonplaats] is gereden waarna hij vervolgens naar de woning van [partner van appellante] is gereden en dat de man in ongeveer 70% van deze periode de auto van [partner van appellante] ’s ochtends heeft aangetroffen op een parkeerplaats welke zich in de nabijheid van de woning van de vrouw bevindt, ofwel dat hij de motor van [partner van appellante] voor de woning van de vrouw heeft waargenomen, ofwel dat hij de auto van de vrouw bij de woning van [partner van appellante] heeft aangetroffen. De vrouw heeft voorts betwist dat uit de door de man in dat verband overgelegde foto’s de conclusie kan worden getrokken dat [partner van appellante] in die periode veelvuldig bij de vrouw heeft overnacht, zoals de rechtbank, aldus de vrouw, ten onrechte heeft overwogen. De vrouw heeft verder gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw haar stelling met betrekking tot het rapport van de heer [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts is de vrouw van mening dat zij de constatering van de heer [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] dat de man zich met een eigen sleutel de toegang tot de woning van de vrouw heeft verschaft, voldoende heeft weerlegd, evenals de door de man overgelegde jaarafrekeningen van WML. De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verklaring van de heer [getuige 3] onvoldoende gewicht in de schaal legt om te kunnen aannemen dat de vrouw niet samenwoont met [partner van appellante]. Uit het feit dat de vrouw en [partner van appellante] elkaar alleen zien als het dienstrooster van [partner van appellante] dat toelaat, kan naar de mening van de vrouw niet worden geconcludeerd dat de vrouw met [partner van appellante] samenwoont. Verder heeft de vrouw gesteld dat er geen sprake is van gemeenschappelijke huishouding en evenmin van wederzijdse verzorging en dat de door de rechtbank opgesomde feiten die conclusie ook niet rechtvaardigen. Ten slotte heeft de vrouw betwist dat uit de door de rechtbank opgesomde feiten en omstandigheden volgt dat tussen [partner van appellante] en de vrouw sprake is van een bestendige invulling van hun affectieve relatie op een wijze die getuigt van een (praktisch) dagelijkse samenleving in een lotsverbondenheid gedurende zekere tijd, waardoor dit samenleven de kenmerken draagt van een huwelijksverhouding als bedoeld in art.1:160 BW.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.4.2.

Het hof overweegt het navolgende. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleven met een ander als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Op grond van het navolgende, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de vrouw met ingang van 22 juni 2011 samenleeft met [partner van appellante] als waren zij gehuwd.

Duurzame affectieve relatie

3.4.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een duurzame affectieve relatie tussen de vrouw en [partner van appellante], zodat het hof daarvan uitgaat.

Samenwonen

3.4.2.2. Het hof stelt voorop dat het door de man in eerste aanleg overgelegde rapport van het bureau RBZ Recherche te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: RBZ) en de door de man als

productie 1 bij zijn verweerschrift tevens incidenteel appel overgelegde ‘Uitdraai observatie’ van de heer [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] (hierna te noemen: [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche]) behorend bij dat rapport, aangemerkt kunnen worden als een objectieve waarneming van een onafhankelijk onderzoeksbureau. RBZ heeft een vergunning van het Ministerie van Justitie en de betrokken rechercheurs [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] en [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] (hierna te noemen: [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche]) zijn in het bezit van de vereiste passen. De observaties zijn door twee rechercheurs uitgevoerd en betreffen een periode van 4 april tot en met 15 september 2011. De observaties hebben plaatsgevonden tijdens 3 periodes van 6 dagen, waarbij de dagdelen willekeurig zijn gekozen door de betrokken rechercheurs. Het hof ziet in hetgeen door partijen is aangevoerd en ter zitting is gesteld, geen aanleiding aan te nemen dat de bevindingen gedurende de periode van waarneming een van het normale patroon afwijkend beeld zouden vertonen.

Voorts overweegt het hof dat de man ter zitting heeft verklaard dat RBZ geen belang heeft gehad bij de resultaten van het onderzoek nu de man RBZ een vaste prijs voor het onderzoek heeft betaald, hetgeen de vrouw niet heeft betwist.

Uit voormeld observatieverslag van [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] en [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] blijkt dat [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] c.q. [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] tijdens de door hen in de periode van 4 april 2011 tot en met 22 juni 2011 geobserveerde negentien dagen (te weten van 4 april 2011 tot en met 9 april 2011, van 11 mei 2011 tot en met 17 mei 2011, op 25 mei 2011, op 30 mei 2011 en van 16 juni 2011 tot en met 22 juni 2011) elf maal [partner van appellante] heeft gezien in de zin van komen aanrijden met de auto, uit de auto stappen, komen aanlopen en de woning van de vrouw betreden dan wel verlaten doorgaans in de late avond en een enkele maal in de ochtend of op enig uur in de middag. Acht maal heeft [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] c.q. [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] [partner van appellante] in de woning van de vrouw waargenomen. De getuigenverklaring van [partner van appellante] dat hij de vrouw een tot twee keer per week ziet, strookt niet met de objectieve waarnemingen van [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] c.q. [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche], evenmin als de verklaring van de vrouw ter zitting van het hof dat [partner van appellante] gemiddeld twee nachten per week bij haar verblijft. Het hof is, evenals de rechtbank van oordeel dat de stelling van de vrouw dat zij en [partner van appellante] elkaar alleen zien als het dienstrooster van [partner van appellante] dit toelaat de vrouw niet kan baten, nu gebruikelijk is in een relatie dat de partners elkaar zien wanneer de omstandigheden, zoals bijvoorbeeld werktijden, dat toelaten.

De vrouw heeft verder een uitdraai van het aanwezigheidssysteem van de sportschool van [partner van appellante] overgelegd, doch in de observatieperiode is [partner van appellante] slechts eenmaal, en wel op 9 april 2011, bij de sportschool ingecheckt en wel om 9.03 uur, hetgeen niet in strijd is te achten met de waarneming van [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] op die dag, namelijk dat hij [partner van appellante] rond middernacht (te weten om 00.08 uur) heeft zien parkeren en het huis van de vrouw heeft zien binnentreden. Uit de overige momenten waarop [partner van appellante] heeft ingecheckt zou hebben bij de sportschool valt niet af te leiden dat [partner van appellante] op die dagen niet bij de vrouw geweest zou kunnen zijn.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het waterverbruik in de woning van [partner van appellante] ver beneden het landelijk gemiddelde verbruik voor een alleenstaande ligt en dat het verbruik in de loop der jaren onbetwist is gedaald, terwijl het waterverbuik van de vrouw, zoals blijkt uit de door haar overgelegde productie 32, is gestegen. Dat [partner van appellante] op de sportschool zou douchen en dat hij twee à drie keer kledingwasbeurten per maand draait is naar het oordeel van het hof niet afdoende om te kunnen aannemen dat het beperkt waterverbruik van [partner van appellante] daardoor wordt veroorzaakt. Aannemelijk is verder dat [partner van appellante] bij een nachtelijk verblijf bij de vrouw gebruik zal maken van de sanitaire voorzieningen in de woning van de vrouw, zoals de douche en het toilet. De vrouw heeft voorts met betrekking tot het waterverbruik van [partner van appellante] gesteld dat [partner van appellante] zijn auto in een wasstraat wast, hetgeen niet strookt met de door de vrouw overgelegde verklaring van de heer [getuige 1] die verklaart dat hij en [partner van appellante] ‘regelmatig samen werkzaamheden uitvoeren rondom het huis zoals tuinieren en auto wassen’. De stelling van de vrouw strookt ook niet met de verklaring van heer [getuige 2] die verklaart: ‘Is hij niet in de tuin aan het werk dan wast hij wel zijn auto’. Ook de stelling van de vrouw met betrekking tot de tuin die [partner van appellante] niet hoeft te sproeien (buxushaagtuin) strookt niet met de verklaringen van de heren [getuige 1] en [getuige 2]. Ten slotte kan naar het oordeel van het hof de verklaring van de vrouw ter zitting van het hof dat zij heeft gekozen voor een LAT-relatie (en niet voor samenwonen) omdat zij alleen de taken en beslissingen wil nemen met betrekking tot de opvoeding van haar kinderen, haar niet baten nu partners ook kunnen samenwonen zonder dat een van de partners is belast met taken en beslissingen met betrekking tot de opvoeding van de kinderen van de andere partner.

Het hof betrekt hierbij in de overwegingen de constateringen van [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] c.q. [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] dat gedurende de observatiemodulen [partner van appellante] steeds op het woonadres van de vrouw is aangetroffen, dat [partner van appellante] een sleutel van de woning van de vrouw heeft, dat [partner van appellante] onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden aan de auto van de vrouw verricht, dat hij in de woning van de vrouw haar computer gebruikt en dat hij de zomervakanties 2010 en 2011 met de vrouw heeft doorgebracht. Nu deze waarnemingen hebben plaatsgevonden in een periode van zes maanden, gedurende willekeurig gekozen periodes en dagdelen, oordeelt het hof in het licht van deze bevindingen in onderling verband en gezamenlijk beschouwd dat tussen de vrouw en [partner van appellante] sprake is van een relatie welke gelijkgesteld kan worden met samenwoning. Hieraan staat niet in de weg dat [partner van appellante] nog een eigen woning heeft. [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] en [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] hebben geconstateerd dat [partner van appellante] gedurende de observatieperiodes geen vaste woon- of verblijfplaats had op het door hem aangehouden adres.

Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging

3.4.2.3. Wat betreft de gemeenschappelijke huishouding en de wederzijdse verzorging, zoekt het hof aansluiting bij de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daaruit blijkt dat van de bedoelde huishouding en verzorging onder meer sprake is als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Niet vereist is dat van een financiële verstrengeling van beide inkomens moet zijn gebleken. Een ‘in elkaars verzorging voorzien’ kan ook worden aangenomen als sprake is van een taakverdeling tussen samenwonenden.

De vrouw heeft verklaard dat zij de boodschappen doet en kookt wanneer [partner van appellante] en zij samen eten, terwijl [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] c.q. [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] blijkens hun rapport op 16 juni 2011 heeft waargenomen dat [partner van appellante] de auto van de vrouw poetst en de auto stofzuigt. In de door de vrouw in hoger beroep overgelegde productie 41 stelt de vrouw dat [partner van appellante] op 16 juni 2011 ‘in de Ziektewet zat’, doch zij betwist niet dat [partner van appellante] bij haar verbleef en zij betwist ook niet (meer) dat [partner van appellante] haar auto poetste. Voorts heeft de vrouw daartoe ter zitting van het hof gevraagd verklaard dat [partner van appellante], wanneer hij bij de vrouw overnacht, ’s ochtends bij de vrouw doucht en bij haar ontbijt.

Het hof acht het aannemelijk dat bij die gelegenheden [partner van appellante] gebruik maakt(e) van de voorzieningen van de vrouw, zoals beddengoed, handdoeken en bewassing, alsmede eet en drinkt van hetgeen in de woning van de vrouw voorhanden is, nu de vrouw het tegendeel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Aldus is er sprake van een zekere mate van verzorging, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat [partner van appellante] bij de vrouw verbleef terwijl hij niet kon werken wegens ziekte en dat [partner van appellante] ook werkzaamheden voor de vrouw verrichtte, onder meer door haar auto schoon te maken.

Verder neemt het hof in aanmerking dat de vrouw en [partner van appellante] samen hun hobby motorrijden beoefenen, dat zij samen, met de kinderen van de vrouw, op vakantie gaan - in ieder geval tweemaal met de kinderen van [partner van appellante] en met de kinderen van de vrouw - en [partner van appellante] onbetwist bij de diploma-uitreiking van [jongmeerderjarige] is geweest, dat de vrouw [partner van appellante] heeft vergezeld naar een ‘open dag’ op de werkplek van [partner van appellante] en dat [partner van appellante] vaker bij de vrouw heeft verbleven toen hij door zijn voormalige werkgever op non-actief was gesteld. Ten slotte staat vast dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden door Buro [buro] en door de Raad voor de Kinderbescherming vanwege de omgangsproblematiek tussen [partner van appellante] en zijn kinderen en dat de vrouw, zoals zij in haar verweerschrift in eerste aanleg heeft gesteld, haar zorgsignalen met betrekking tot de omgangsproblematiek bij de Raad voor de Kinderbescherming kenbaar wenste te maken en ook kenbaar heeft gemaakt en dat de vrouw samen met [partner van appellante] naar de zitting bij de rechtbank is geweest.

Op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, oordeelt het hof dat de vrouw en [partner van appellante] zodanig op elkaar betrokken zijn en dat zij hun dagelijkse levens zodanig hebben geïntegreerd dat voldoende aannemelijk is dat er van een zekere mate van wederzijdse verzorging tussen de vrouw en [partner van appellante] sprake is en dat een en ander kan worden gekwalificeerd als het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en een wederzijdse verzorging tussen de vrouw en [partner van appellante].

3.4.2.4. Het hof komt, evenals de rechtbank, gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat tussen de vrouw en [partner van appellante] sprake is van een bestendige invulling van hun affectieve relatie op een wijze die getuigt van een (praktisch) dagelijks samenleven in een lotsverbondenheid gedurende zekere tijd, waardoor dit samenleven de kenmerken draagt van een huwelijksverhouding zoals is bedoeld in

artikel 1:160 BW.

Het hof laat, evenals de rechtbank, de verklaring van [jongmeerderjarige] buiten beschouwing. Ook indien de verklaring van [jongmeerderjarige] wel zou zijn meegewogen, zou dit niet tot een ander oordeel hebben geleid.

3.5.

Het door de vrouw gedane bewijsaanbod passeert het hof, nu de vrouw geen stellingen heeft aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

Ingangsdatum

3.6.

Het hof is, mede gelet op de laatste datum waarop [rechercheur 1 van bureau RBZ Recherche] c.q [rechercheur 2 van bureau RBZ Recherche] zijn observaties heeft verricht, van oordeel dat naar redelijkheid en billijkheid de datum waarop de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd dient te worden gesteld op 22 juni 2011.

Terugbetaling

3.7.

Nu de alimentatieverplichting van de man van rechtswege is geëindigd op 22 juni 2011, heeft de man over de periode daarna, zoals hij onbetwist heeft gesteld tot en met juli 2013, de alimentatie onverschuldigd aan de vrouw betaald. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij de reeds door de man aan haar betaalde onderhoudsbijdragen niet kan terugbetalen omdat de gelden reeds zijn opgesoupeerd. Nu de man de stelling van de vrouw dat de betaalde bijdragen zijn opgesoupeerd, niet heeft betwist en het hof het ook aannemelijk acht dat de door de man betaalde onderhoudsbijdragen door de vrouw in het kader van haar levensonderhoud zijn verbruikt, is het hof van oordeel dat in redelijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij het te veel betaalde aan de man terugbetaalt. Het verzoek van de man de vrouw een terugbetalingsverplichting op te leggen, wijst het hof dan ook af.

Onderhoudsbijdragen voor de kinderen

Wijziging van omstandigheden

3.8.

Gelet op het feit dat de vrouw met ingang van 22 juni 2011 samenwoont als ware zij gehuwd, overweegt het hof, evenals de rechtbank, dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de bij de beschikking van 15 februari 2006 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (voor [jongmeerderjarige] thans de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie) opnieuw beoordeeld dient te worden.

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de rechtbank, en thans het hof, daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt. Het hof overweegt dat de rechter volgens vaste jurisprudentie vrij is te beoordelen aan welke omstandigheden hij bij zijn beslissing betekenis wil toekennen en tevens welke betekenis hij daaraan wil toekennen.

Behoefte van de kinderen

3.9.1.

De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de behoefte van de kinderen € 602,50 per kind per maand bedraagt en dat de behoefte van de kinderen becijferd dient te worden aan de hand van de meest recente inkomensgegevens van de man nu dat inkomen (mogelijk) hoger is dan het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2006.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.9.2.

Het hof overweegt het navolgende.

De man heeft onbetwist heeft gesteld dat de behoefte van € 602,50 per kind per maand is becijferd aan de hand van Nibud-normen en de Tabel kosten kinderen en gerelateerd is aan het hoogste tabelinkomen van € 5.000,- netto per maand. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de behoefte van de kinderen mogelijk hoger zou zijn indien het inkomen van de man zou zijn gestegen, nu het bedrag van € 602,50 per kind per maand de maximale behoefte van de kinderen volgens de tabel betreft en de vrouw niet heeft gesteld dat de behoefte van de kinderen vanwege bijzondere omstandigheden uitstijgt boven het maximale tabelbedrag.

Aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen

3.10.1.

De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw een aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voor haar rekening dient te nemen van € 140,- per kind per maand. De man heeft de stellingen van de vrouw betwist.

3.10.2.

Het hof overweegt het navolgende.

De vrouw heeft gesteld, dat er ten tijde van het huwelijk sprake was van een traditioneel rollenpatroon, dat zij twintig jaar uit het arbeidsproces is geweest en dat het economisch tij tegenzit waardoor zij niet in staat is om inkomen te verwerven, hetgeen de man heeft betwist. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij er na vergeefse open sollicitaties voor heeft gekozen een opleiding te volgen die, zoals de vrouw ter zitting heeft verklaard, na vier jaar ‘modderen’ voor haar te hoog gegrepen bleek te zijn. De vrouw volgt nu een andere, meer klassikaal gerichte opleiding.

Het hof overweegt dat partijen inmiddels ongeveer negen jaar feitelijk uiteen zijn en dat van de vrouw, wat er ook zij van haar pogingen om een opleiding te volgen en af te ronden, mag worden verwacht dat zij zich inspant om inkomen uit arbeid, al dan niet geschoold, te verwerven teneinde in haar levensonderhoud te kunnen voorzien en een bijdrage te kunnen leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Dat de vrouw de zorg heeft voor de twee kinderen, die thans 19 en 15 jaar oud zijn, maakt dit niet anders. Dat de (open) sollicitaties tot niets hebben geleid, zoals de vrouw ook ter zitting van het hof heeft verklaard, heeft de vrouw op geen enkele wijze (bijvoorbeeld door het overleggen van sollicitatiebrieven en afwijzingen van potentiële werkgevers daarop) onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting door de man wel op haar weg had gelegen. De vrouw heeft verder weliswaar gesteld ernstige gezondheidsklachten en derhalve medische beperkingen te hebben, doch dat zij dientengevolge arbeidsongeschikt zou zijn, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist, heeft de vrouw evenmin op geen enkele wijze - bijvoorbeeld door overlegging van een rapport van een arbeidsdeskundige - onderbouwd, zodat het hof ook aan die stelling van de vrouw voorbij gaat. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij niet kan bijdragen met een bedrag van € 140,- per kind per maand, niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd.

Child allowance

3.11.

De man heeft aangevoerd dat de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van de kinderen een bijdrage is inclusief de child allowance die de man van zijn werkgever ontvangt, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft betwist.

3.12.

Het hof overweegt dat de door de man van zijn werkgever ontvangen child allowance op de door hem te betalen onderhoudsbijdrage in mindering mag worden gebracht, nu deze bijdrage door de man van meet af aan inclusief de child allowance is voldaan en de hoogte van de child allowance afhankelijk is (geweest) van de door de vrouw ontvangen kinderbijslag en mede afhankelijk is van de schoolverklaring waarvoor [jongmeerderjarige] toestemming behoort te geven.

Proceskostenveroordeling

3.13.

In zaken tussen ex-partners wordt in het algemeen besloten tot compensatie van kosten, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De gedachte daarachter is dat de afwikkeling van een scheiding en al wat daarmee samenhangt dikwijls gepaard gaat met persoonlijke en inter-relationele moeilijkheden. In dergelijke zaken kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil er sprake zijn van een dergelijke situatie, dan dient zeer evident sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij.

Het hof ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding de vrouw in de werkelijk door de man in eerste aanleg gemaakte kosten te veroordelen en, mede gelet op het feit dat de man zelf incidenteel appel heeft ingesteld, evenmin in de kosten van het hoger beroep.

De proceskosten in beide instanties zullen tussen partijen worden gecompenseerd aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 juli 2013, voor zover het betreft de beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, althans de ingangsdatum daarvan en voor zover het betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging van [minderjarige] en de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige];

wijzigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 15 februari 2006 voor zover het betreft de door de man te betalen onderhoudsbijdragen voor de vrouw en voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige],

verklaart voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw op grond van artikel 1:160 BW is geëindigd op 22 juni 2011;

bepaalt dat de man met ingang van 17 oktober 2011 een bedrag van € 462,50 per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging van:

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] en

  • -

    [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

welke bijdrage voor [jongmeerderjarige] Komen met ingang van [geboortedatum] 2013 is omgezet in een bijdrage in de kosten voor levensonderhoud en studie en welke bijdrage met ingang van [geboortedatum] 2013 rechtstreeks aan [jongmeerderjarige] dient te worden voldaan,

en op welke bijdragen de door de man te ontvangen child allowance in mindering mag worden gebracht;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, M.J. van Laarhoven en A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2014.