Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1901

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
HD 200.137.337_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verplichting tot verlenging van erfpachtscontract.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.137.337/01

arrest van 24 juni 2014

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid R.K.V.V. Heksenberg,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.J. Mookhram te Heerlen,

tegen

de gemeente Heerlen,

zetelend te Heerlen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.K. Decupere te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Heerlen door de kantonrechter gewezen vonnis van 24 juli 2013 tussen appellante -Heksenberg- als eiseres in conventie en verweerster in reconventie, en geïntimeerde -de gemeente- als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    een memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, waarbij zes producties zijn overgelegd;

  • -

    een antwoord-memorie;

  • -

    de pleidooizitting, tijdens welke partijen onder het overleggen van pleitaantekeningen hebben gepleit en vragen van het hof hebben beantwoord.

Vervolgens is arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken

van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 509204 CV EXPL 13-492)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 24 juli 2013.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Onder het hoofd “De achtergrond van het geschil” van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter enige feiten vastgesteld waarvan hij bij de beoordeling van dit geschil is uitgegaan. Tegen die feiten is niet gegriefd, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

a. Bij overeenkomst van 25 maart 1983 (productie 7 conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie) komen de gemeente en Heksenberg overeen dat de gemeente in erfpacht uitgeeft aan Heksenberg, een voetbalvereniging, een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie [sectieletter] nr. [sectienummer] (hierna “het terrein”) tegen een jaarlijkse canon van fl. 1,- voor een tijdvak van 30 jaar. Een verlengingsbepaling is niet opgenomen. De overeenkomst houdt verder in, voor zover van belang:

(…)

1. Deze overeenkomst wordt geacht niet bindend te zijn, indien de vereiste goedkeuringen van burgemeester en wethouders van Heerlen, de gemeenteraad van Heerlen en van de gedeputeerde staten van Limburg niet zouden worden verkregen.

(…)

11. Indien de gemeente de beschikking over het geheel of een gedeelte van het terrein (…) wenst te verkrijgen voordat de gefixeerde erfpachtstermijn is verlopen, heeft zij de bevoegdheid het erfpachtsrecht bij besluit van de gemeenteraad (…) te beëindigen zonder dat daartoe gerechtelijke tussenkomst nodig zal zijn. (…)”.

b. Bij besluit van 7 juni 1983 (productie 6 conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie) heeft de gemeenteraad van de gemeente besloten om met Heksenberg een overeenkomst aan te gaan waarbij de gemeente aan Heksenberg voor een tijdvak van 30 jaar het recht van erfpacht verleent op het terrein tegen een jaarlijkse canon van f 1,--. Een verlengingsbepaling is niet opgenomen. Het besluit houdt verder in, voor zover relevant:

(…)

9. indien de gemeente de beschikking over het geheel of een gedeelte van het terrein (…) wenst te verkrijgen voordat de gefixeerde erfpachtstermijn is verlopen, heeft zij de bevoegdheid het erfpachtsrecht bij besluit van de gemeenteraad (…) te beëindigen zonder dat daartoe gerechtelijke tussenkomst nodig zal zijn; (…)”.

c. Bij notariële akte van 26 juli 1983 (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg) wordt het recht van erfpacht op het terrein gevestigd. In de akte is geen verlengingsbepaling opgenomen. De akte houdt in, voor zover relevant:

“(…)

De comparanten (…) verklaren dat deze uitgifte en aanvaarding in erfpacht geschied zijn

a. voor een tijdvak van dertig jaren, ingaande op heden en eindigende op vijf en twintig juli tweeduizend dertien;

b. tegen een canon van f. 1,-- (…) per jaar;

(…)

9. indien de Gemeente de beschikking over het geheel of een gedeelte van het terrein (…) wenst te verkrijgen voordat de gefixeerde erfpachtstermijn is verlopen, heeft zij de bevoegdheid het erfpachtsrecht bij besluit van de Gemeenteraad (…) te beëindigen zonder dat daartoe gerechtelijke tussenkomst nodig zal zijn; (…)”

d. Heksenberg heeft op het terrein voor eigen rekening en risico een sportaccommodatie opgericht. Onderdeel daarvan is een gebouw waarin zich onder meer een kantine bevindt. Heksenberg heeft voor de bouw van dit gebouw geld geleend van een bank onder verlening aan die bank van een recht van hypotheek op dit gebouw. Heksenberg heeft de lening nog niet volledig afgelost.

e. In maart 2011 is van de hand van de gemeente verschenen de nota “Herstructurering buitensportcomplexen in Heerlen. De toekomst voor de voetbalaccommodaties” (hierna “de nota”, overgelegd als productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg). De nota vermeldt dat de gemeente 13 voetbalaccommodaties (ook wel complexen genoemd) kent (par. 4.1). In par. 5.3 van de nota is vermeld dat 5 complexen zullen blijven, dat 5 complexen, waaronder het terrein waarop Heksenberg voetbalt, zullen worden afgestoten en dat de toekomst van 3 complexen onder invloed staat van externe ontwikkelingen gelegen buiten het voetbal waarop de gemeente deels wel en deels geen invloed heeft. Beoogd is dat Heksenberg haar activiteiten zal voortzetten op een ander complex.

f. Bij deurwaardersexploot van 26 april 2012 (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de gemeente Heksenberg het volgende, voor zover relevant, meegedeeld:

“(…)

Bij notariële akte van 26 juli 1983 is (…) voor een tijdvak van 30 jaar aan uw vereniging een gedeelte van een perceel grond (…) in erfpacht uitgegeven, (…)

Het betreffende zakelijke recht van erfpacht eindigt derhalve, zoals u bekend is, van rechtswege op 25 juli 2013 door verloop van de tijd waarvoor het recht is verleend. Deze kennisgeving dient - voor zoveel nodig - door uw vereniging te worden opgevat als een formele kennisgeving inhoudende dat de gemeente het recht van erfpacht per die datum als geëindigd beschouwd. (…)”.

g. Heksenberg heeft eind 2013 het terrein ontruimd en voetbalt thans op een ander terrein.

4.2.1

Heksenberg heeft in eerste aanleg in conventie en na wijziging eis gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat de erfpachtovereenkomst ten onrechte is opgezegd dan wel niet verlengd en veroordeling van de gemeente om de erfpachtovereenkomst te verlengen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat de gemeente in verzuim is deze kosten te voldoen.

4.2.2

De gemeente heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat de overeenkomst van erfpacht en het recht van erfpacht van rechtswege eindigt op 25 juli 2013 met veroordeling van Heksenberg om het terrein te ontruimen uiterlijk op 26 juli 2013, met veroordeling van Heksenberg in de kosten van de procedure in conventie en reconventie met de bepaling dat Heksenberg de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd indien zij deze niet binnen 14 dagen na de uitspraak heeft voldaan.

4.2.3

De kantonrechter heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen omdat, kort gezegd, de erfpachtovereenkomst van rechtswege eindigt op 25 juli 2013. Opzegging van het recht is niet nodig. Hij heeft verder geoordeeld dat de gemeente niet verplicht is om de overeenkomst en/of het recht van erfpacht te verlengen. Heksenberg is veroordeeld in de conventionele en reconventionele procedurekosten, gerezen aan de zijde van de gemeente.

4.3

In dit hoger beroep vordert Heksenberg, na wijziging van eis, dat dit hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. vernietigt het beroepen vonnis van 24 juli 2013;

2. en, opnieuw rechtdoende:

primair:

a. voor recht verklaart dat de gemeente de tussen partijen gesloten overeenkomst van erfpacht d.d. 25 september 1983, althans het op grond van die overeenkomst gevestigde recht van erfpacht, in strijd met de tussen partijen geldende afspraken niet heeft verlengd, dan wel in strijd met artikel 3:13 lid 2 BW niet heeft verlengd, althans dat het niet-verlengen van de tussen partijen gesloten overeenkomst van erfpacht d.d. 25 september 1983, althans het op grond van die overeenkomst gevestigde recht van erfpacht, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel het niet verlengen in strijd is met de gerechtvaardigde verwachtingen die de gemeente bij Heksenberg heeft gewekt, en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

subsidiair:

b. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens Heksenberg door de overeenkomst van erfpacht, althans het op grond van die overeenkomst gevestigde recht van erfpacht, in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet te verlengen;

zowel primair als subsidiair:

3. voor recht verklaart dat de gemeente medewerking dient te verlenen aan het bij akte vestigen van een recht van erfpacht overeenkomstig en onder dezelfde voorwaarden als het eerder tussen Heksenberg en de gemeente overeengekomen recht van erfpacht zoals bij akte van 26 juli 1983 gevestigd, althans onder in goede justitie door dit hof te bepalen voorwaarden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-;

4. de gemeente veroordeelt om (medewerking te verlenen aan) al hetgeen Heksenberg ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan op de datum van het in deze zaak te wijzen eindarrest, ongedaan te maken, althans de gemeente veroordeelt om al hetgeen Heksenberg (zoals het hof “geïntimeerde” leest) ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan ongedaan te maken, zulks met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.

4.4.1

De gemeente heeft aangevoerd dat de door Heksenberg gevorderde en door dit hof uit te spreken verklaringen voor recht leiden tot een declaratoire uitspraak, waarbij slechts rechtsverhoudingen worden vastgesteld. Nu de gemeente daarmee niet kan worden gelast een nieuw recht van erfpacht te vestigen ten behoeve van Heksenberg, heeft Heksenberg geen belang bij haar vorderingen en dient zij daarom niet ontvankelijk te worden verklaard in deze vorderingen, aldus de gemeente.

4.4.2

Naar het oordeel van het hof is sprake van een kennelijk rechtens te respecteren belang bij de door Heksenberg gevorderde verklaringen voor recht. Deze vorderingen sturen alle aan op de vaststelling van de rechtsrelatie tussen Heksenberg en de gemeente. Het enkele feit dat de gemeente in onderhavige procedure op grond van het gevorderde niet kan worden gelast een nieuw recht van erfpacht te vestigen ten behoeve van Heksenberg doet hieraan niet af. De gemeente heeft overigens niets aangevoerd op grond waarvan Heksenberg geen belang zou hebben bij het door haar gevorderde. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt daarom verworpen.

4.5

Heksenberg heeft in de appeldagvaarding en in haar memorie van grieven vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd. Dat die gevorderde vernietiging is beperkt tot het in conventie gewezen vonnis valt niet te lezen. De grieven richten zich ook onmiskenbaar tegen het hele vonnis, alleen al omdat de reconventionele vordering van de gemeente het spiegelbeeld is van de conventionele vordering van Heksenberg. Een en ander blijkt ook uit het bestreden vonnis. In dat vonnis heeft de kantonrechter immers onder het hoofd “3. De beoordeling in conventie en in reconventie” in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.17 het gevorderde beoordeeld zonder onderscheid te maken tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie. In r.o. 3.18 heeft hij vervolgens alleen vermeld: “De vorderingen van de vereniging (in conventie) worden dus afgewezen” terwijl hij in r.o. 3.19 alleen heeft overwogen: “De tegenvorderingen van de gemeente worden daarentegen toegewezen, inclusief de veroordeling tot ontruiming.” Ook daaruit blijkt onmiskenbaar dat de vorderingen in conventie en reconventie elkaars spiegelbeeld zijn, zodat, gelet op de inhoud van de appeldagvaarding en de memorie van grieven, het door Heksenberg ingestelde beroep geacht wordt zich te richten tegen het vonnis gewezen in conventie én in reconventie.

4.6

Het hof stelt vast dat de erfpachtovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 25 juli 2013. Het hof begrijpt het standpunt van Heksenberg uit de grieven aldus dat de gemeente destijds een contractuele verplichting had de erfpachtovereenkomst te verlengen dan wel dat de gemeente die verplichting had op andere gronden. Heksenberg heeft zich vooreerst beroepen op een afspraak tussen partijen dat de erfpachtovereenkomst na afloop van voormelde termijn van dertig jaar zou worden voortgezet. Ook brachten volgens Heksenberg verschillende omstandigheden met zich dat de gemeente destijds een contractuele verplichting tot verlenging van de erfpachtovereenkomst had. Heksenberg mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de erfpachtovereenkomst zou worden verlengd. Dat de gemeente ondanks de omstandigheden niet tot verlening van de erfpachtovereenkomst is overgegaan, acht Heksenberg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Voorts heeft Heksenberg gesteld dat sprake is van gebruikmaking van een bevoegdheid in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dan wel dat overigens sprake is van misbruik van bevoegdheid. Heksenberg heeft hiermee een beroep gedaan op, naar het hof begrijpt, het bepaalde in de artikelen 3:13 lid 2 BW en 3:14 BW.

4.7.1

Heksenberg wilde omstreeks 1975 een (moderne) sportkantine met kleedlokalen (hierna het gebouw) op het in die tijd van de gemeente gehuurde terrein. Hiertoe heeft zij een stichting in het leven geroepen, en wel de stichting Heksenbergse Sport Accommodatie ’76 (hierna HSA). Financiering van het gebouw bleek moeilijk te zijn, mede omdat Heksenberg geen, in elk geval onvoldoende, eigen vermogen bezat en geen zekerheid kon verschaffen. HSA heeft zich vervolgens tot de gemeente gewend (zie onder meer nrs. 8-9 dagvaarding in eerste aanleg en hetgeen is gesteld tijdens het pleidooi in hoger beroep). Er zijn hierna onderhandelingen geweest tussen de Sportstichting HSLOS, een gemeentelijke stichting, bij monde van gemeenteambtenaren [gemeenteambtenaar 1] en [gemeenteambtenaar 2] enerzijds en HSA anderzijds. Bij die gesprekken is volgens Heksenberg door de gemeente de mogelijkheid van erfpacht geopperd. Tijdens de besprekingen die hebben geleid tot de verlening van het erfpachtrecht in 1983 hebben genoemde [gemeenteambtenaar 1] en [gemeenteambtenaar 2] naar de stellingen van Heksenberg duidelijk gemaakt dat de overeenkomst van erfpacht geen tijdelijk karakter zou hebben. Er is concreet toegezegd dat de overeenkomst zou worden verlengd op het moment dat deze af zou lopen (nr. 4.4 memorie van grieven). De gemeente heeft betwist dat bij de onderhandelingen is toegezegd dat de overeenkomst zou worden verlengd. Voor zover dit wel is toegezegd, aldus de gemeente, is die toezegging gedaan door ambtenaren die niet bevoegd waren om de gemeente te binden en is geen sprake van omstandigheden die zich brengen dat Heksenberg erop mocht vertrouwen dat die ambtenaren de gemeente wel mochten binden. De gemeente heeft ten slotte gewezen op art. 1. zoals vermeld in de hiervoor onder 4.1 sub a vermelde overeenkomst.

4.7.2

Gesteld noch gebleken is dat nadat de hiervoor onder 4.1 sub a genoemde overeenkomst is gesloten nog onderhandelingen zijn gevoerd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de door Heksenberg gestelde toezegging dat de overeenkomst zou worden verlengd, voor 25 maart 1983 moet zijn gedaan. Het hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat de door Heksenberg gestelde en door de gemeente betwiste toezegging is gedaan door voornoemde [gemeenteambtenaar 1] en/of [gemeenteambtenaar 2]. In een dergelijk geval dienen de betreffende ambtenaren voordat sprake is van een rechtsgeldige toezegging, de bevoegdheid te hebben om de gemeente te binden dan wel moet er sprake zijn van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat Heksenberg erop heeft mogen vertrouwen dat de gestelde toezegging de gemeente zou binden. Heksenberg heeft niet gesteld dat de betreffende ambtenaren de bevoegdheid hadden om de gemeente te binden noch heeft zij gewezen op feiten of omstandigheden op grond waarvan zij erop mocht vertrouwen dat [gemeenteambtenaar 1] en/of [gemeenteambtenaar 2] de gemeente konden binden. Heksenberg heeft evenmin uitgelegd hoe de door haar gestelde toezegging, die niet is opgenomen in de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst van 25 maart 1983, moet worden bezien in het licht van art. 1. in die overeenkomst inhoudende dat de overeenkomst geacht wordt “niet bindend te zijn, indien de vereiste goedkeuringen van burgemeester en wethouders van Heerlen, de gemeenteraad van Heerlen en van de gedeputeerde staten van Limburg niet zouden worden verkregen”. Waar de gemeente volgens de schriftelijke inhoud van de overeenkomst zelfs niet aan die overeenkomst is gebonden totdat goedkeuring zou zijn verkregen van B&W, de gemeenteraad en van GS van Limburg, behoeft het nadere toelichting, die ontbreekt, waarom de gemeente wel zou zijn gebonden aan een niet-schriftelijk vastgelegde toezegging waarvan is gesteld noch gebleken dat deze is voorgelegd aan B&W en/of de gemeenteraad van Heerlen en/of GS van Limburg. Het hof is dan ook van oordeel dat voor zover een toezegging is gedaan, niet kan worden vastgesteld dat de gemeente daaraan is gebonden. De eerste grief faalt derhalve op dit punt. Dit betekent tevens dat voorbij kan worden gegaan aan het aanbod van Heksenberg om de toezegging te bewijzen, waarmee ook de tweede grief faalt.

4.8.1

Heksenberg heeft voorts een aantal omstandigheden aangevoerd die alle zowel individueel als in onderlinge samenhang bezien naar haar standpunt maakten dat de gemeente destijds een contractuele verplichting tot verlenging van de erfpachtovereenkomst had. Heksenberg is een voetbalvereniging met een ideële doelstelling, gericht op maatschappelijk welzijn in de gemeentelijke woonwijk “De Heksenberg”. Deze doelstelling wordt door de gemeente gedragen en ondersteund. Uit de aard van die doelstelling vloeit voort dat geen termijn wordt gesteld. De erfpachtverhouding dient dan ook te worden aangemerkt als een duurverhouding, althans dient gelijk te worden geschakeld met een duurovereenkomst. Heksenberg heeft hiernaast naar voren gebracht dat zij heeft geïnvesteerd in een goed uitgeruste sportkantine en de hypothecaire geldlening die in dat kader is gesloten nog niet was afgelost. Ook heeft Heksenberg benadrukt dat het de gemeente is geweest die in 1983 de mogelijkheid van erfpacht heeft voorgesteld en verder de hoedanigheid van partijen, waarbij de gemeente een professioneel handelende en ter zake deskundige partij is, terwijl Heksenberg professioneel noch ter zake deskundig is. Ten slotte heeft Heksenberg nog aangevoerd dat de gemeente tot de verschijning van de nota ook zelf niet de intentie heeft gehad de erfpachtovereenkomst niet te verlengen.

4.8.2

Zoals hierboven reeds vermeld heeft Heksenberg zich tot de gemeente gewend omdat Heksenberg een gebouw wilde bouwen op het terrein, maar de financiering daarvan niet rond kreeg. In het kader van de vervolgens gevoerde besprekingen is de mogelijkheid van erfpacht opgeworpen. Veronderstellenderwijs uitgaande van het door de gemeente ontkende feit dat de gemeente heeft voorgesteld om het terrein in erfpacht uit te geven zodat Heksenberg zekerheid kon geven voor een lening om de oprichtingskosten voor het gebouw te betalen, is het hof van oordeel dat dit voorstel op zich geenszins maakt dat de gemeente na ommekomst van de overeengekomen dertig jaren termijn gehouden was tot verlenging van de overeenkomst tot erfpacht over te gaan. De gemeente heeft met dit voorstel immers niet meer gedaan dan een mogelijke, alleszins redelijk lijkende oplossing gepresenteerd voor Heksenberg om haar doelstelling om te komen tot een (moderne) sportkantine met kleedlokalen te verwezenlijken. De gemeente heeft niets bedongen wat niet passend was, gesteld noch gebleken is althans dat dat wel het geval was, en slechts een canon van fl. 1,- per jaar verlangd. Het hof benadrukt dat het in 1983 juist Heksenberg is geweest die een oplossing zocht voor haar financieringsprobleem voor het gebouw en dat Heksenberg ook thans, 30 jaar later, niet heeft gewezen op het bestaan van mogelijke andere oplossingen voor de vervulling van haar toenmalige wens. De dertigjarige termijn is overigens in beginsel lang genoeg om voldoende profijt te (kunnen) trekken van een redelijke investering en lang genoeg om een lening voor de financiering van een gebouw als het onderhavige af te lossen. Voor zover een en ander in dit geval anders zou zijn, heeft Heksenberg niet gewezen op andere mogelijkheden en ook geen concreet inzicht verschaft in bijvoorbeeld haar financiële gegevens, zodat daar geen rekening mee kan worden gehouden. Het enkele feit dat Heksenberg heeft gesteld ondeskundig te zijn geweest -hetgeen overigens door de gemeente is betwist- en afhankelijk zou zijn geweest van de gemeente voor het verkrijgen van financiering voor de door haar gewenste accommodatie doet geen afbreuk aan bovenstaande overwegingen. Dat de ondeskundigheid en afhankelijkheid van de gemeente verlenging van de erfpachtovereenkomst aangewezen maakte is verder niet onderbouwd.

4.8.3.

Het hof gaat voorbij aan de stelling dat de erfpachtverhouding dient te worden aangemerkt als een duurverhouding, althans dient gelijk te worden geschakeld met een duurovereenkomst, omdat deze stelling geen steun vindt in het recht. Dit is niet anders indien het betreft een verhouding tussen een vereniging als Heksenberg enerzijds en een gemeente anderzijds. Een erfpachttermijn van 30 jaar is, naar het oordeel van het hof, beleidsmatig gezien en bezien in het licht van het feit dat een gemeente rekening moet houden met de mogelijkheid dat maatschappelijke opvattingen en inzichten in een periode van 30 jaar (aanzienlijk) kunnen wijzigen, al zodanig lang dat daarmee voldoende rekening is gehouden met het feit dat Heksenberg een maatschappelijke vereniging is met een ideële doelstelling in de gemeentelijke woonwijk “De Heksenberg” die door de gemeente wordt gedragen en ondersteund. Daarbij komt dat slechts een gebruiksrecht op een bepaald terrein wordt geëindigd en dat Heksenberg als vereniging niet wordt opgeheven terwijl zij haar ideële doelstelling kan voortzetten op een terrein dat slechts ongeveer 3,5 km afstand van het huidige terrein is gelegen. Gelet op deze omstandigheden en met inachtneming van hetgeen hiervoor in r.o. 4.8.2 is overwogen mag er niet op worden vertrouwd dat een termijn van zo’n lange duur zonder meer wordt verlengd. Het hof overweegt nog dat Heksenberg niet heeft gesteld hoelang een dergelijk vertrouwen, indien gerechtvaardigd, doorwerkt, zodat uit haar stellingen wat dat betreft voortvloeit dat zij in feite in 1983 een nooit eindigend recht van erfpacht heeft verkregen.

4.8.4

Voor zover dat al juist zou zijn, is het enkele bestaan van een “intentie” de erfpachtovereenkomst niet te verlengen, afgezet tegen het feit dat de gemeente beleid mag maken en in beginsel ook beleid mag veranderen zoals is geschied door de nota, onvoldoende van gewicht om tot een verplichting tot verlenging te leiden, terwijl de overeenkomst van 25 maart 1983 geen verlengingsbepaling bevat. Het hof wijst er hierbij nog op dat de nota is verschenen in maart 2011 zodat Heksenberg in elk geval ruim twee jaar de tijd had om met de inhoud van die nota rekening te houden, totdat in juli 2013 de 30-jarige termijn van erfpacht eindigde.

4.8.5

Het hof ziet derhalve in de aangevoerde omstandigheden geenszins aanleiding tot het oordeel te komen dat de gemeente destijds contractueel gehouden was de erfpachtovereenkomst te verlengen. Het hof ziet reeds om bovenstaande redenen verder ook anderszins in genoemde omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de gemeente nog tot uitgifte in erfpacht gehouden is. Voor zover in dit kader bij de eerste, derde, vierde en vijfde grief is gegriefd, falen deze grieven.

4.9.1

De stelling dat de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebruik heeft gemaakt van onderhavige, haar krachtens burgerlijk recht toekomende bevoegdheid (het niet verlengen van de erfpachtovereenkomst dan wel het zich beroepen op haar eigendomsrecht nadat de erfpachtovereenkomst van rechtswege was geëindigd, zoals het hof het door Heksenberg naar voren gebrachte begrijpt,) heeft Heksenberg als volgt onderbouwd. Het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat is toegezegd dat de overeenkomst zou worden verlengd; er is sprake van willekeur/strijd met het gelijkheidsbeginsel en strijd met het transparantiebeginsel omdat de keuze in de nota om het terrein waarop Heksenberg voetbalt op te heffen enkel is ingegeven door de toevallige omstandigheid dat de 30-jarige termijn van de erfpachtovereenkomst eindigt; de beslissing in de nota tot opheffing van het terrein is niet zorgvuldig omdat het complex Heksenberg zonder meer is aan te wijzen als een multifunctioneel kwaliteitssportcomplex, goed bereikbaar is, er scholen in de directe nabijheid liggen, er een stabiel (375) en zelfs groeiend ledenaantal is en Heksenberg zelf zorg kan dragen voor de noodzakelijke investeringen en kosten van onderhoud en er is sprake van détournement de pouvoir omdat de reden tot opheffing van het complex niet de werkelijke reden is, aldus Heksenberg.

4.9.2

Uit het hiervoor in r.o. 4.7.2 geoordeelde blijkt dat de gemeente niet heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het hof overweegt verder, los van het antwoord op de vraag of kan worden gesproken over een bevoegdheid van de gemeente om niet te verlengen, als volgt. Heksenberg heeft haar stelling dat er sprake is van willekeur, strijd met het gelijkheidsbeginsel en strijd met het transparantiebeginsel alleen onderbouwd met de stelling dat de keuze in de nota om het terrein waarop Heksenberg voetbalt op te heffen enkel is ingegeven door de toevallige omstandigheid dat de 30-jarige termijn van de erfpachtovereenkomst eindigt (zie nr. 32 van de dagvaarding in eerste aanleg). Heksenberg miskent hierbij het bestaan van een centrale doelstelling bij de gemeente inhoudende dat het aantal sportaccommodaties moet worden teruggebracht en dat dit doel niet onrechtmatig is. Daarmee is de opheffing van de accommodatie dus niet (alleen) ingegeven door het einde van de 30-jarige termijn, maar (ook) door de doelstelling in de nota. Het hof merkt hierbij verder nog op dat de kennelijk bij Heksenberg bestaande veronderstelling dat haar accommodatie alleen maar als af te stoten is aangemerkt omdat toevallig haar erfpachttermijn afliep, in elk geval miskent dat de gemeente krachtens art. 11 van de in r.o. 4.1 sub a genoemde overeenkomst de bevoegdheid had het erfpachtrecht bij besluit van de gemeenteraad te beëindigen zonder gerechtelijke tussenkomst indien de gemeente de beschikking over het terrein wenste te verkrijgen voordat de gefixeerde erfpachtstermijn zou zijn verlopen. De fixatie van Heksenberg op het feit dat zij toevallig slachtoffer is van het feit dat haar erfpachttermijn afliep, kan dus niet zonder meer worden onderschreven. Het hof wijst er verder op dat uit de nota blijkt dat bij de beoordeling van de vraag welke accommodaties moeten worden opgeheven om het in de nota gestelde doel te halen vele factoren een rol spelen. Deze in de nota genoemde factoren zijn dermate verschillend van aard dat zij zich moeilijk in duidelijke bewoordingen tegen elkaar laten afwegen. Bij wijze van voorbeeld wijst het hof op de in de nota genoemde omvang van een complex, de onderhoudskosten voor de gemeente van een klein complex en de nabijheid van scholen. Bezien in dit licht had Heksenberg, gelet op de in de nota genoemde factoren, in elk geval concreet haar stelling moeten onderbouwen dat zij bijvoorbeeld langdurig in staat zou zijn om de kosten van onderhoud van het complex volledig zelf te betalen (de gemeente wil immers mede van een aantal complexen af omdat het onderhoud van alle complexen teveel geld kost), de namen moeten noemen van scholen die volgens haar dicht in de buurt van het terrein liggen en concreet moeten onderbouwen dat het feit dat op het terrein slechts ruimte is voor drie voetbalvelden en dat uitbreiding niet mogelijk is, niet in de weg staat aan het bereiken van de doelstellingen zoals verwoord in de nota, waaronder de doelstelling om binnen de gemeente tot grotere complexen te komen. Heksenberg heeft dit niet gedaan. Haar stelling dat zij een financier heeft die bereid is de grond te kopen, is met niets onderbouwd en ook overigens volledig in het vage gelaten, zodat alleen al daarom aan die stelling moet worden voorbijgegaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is die stelling overigens in deze procedure van geen belang omdat uit niets blijkt dat de gemeente het terrein wil verkopen. Nu de stelling dat er sprake is van willekeur, strijd met het gelijkheidsbeginsel en strijd met het transparantiebeginsel overigens niet is toegelicht en op geen enkele wijze van strijd met deze beginselen is gebleken, zal deze stelling worden verworpen. Gelet op al het vorenstaande kan evenmin tot het oordeel worden gekomen dat sprake is van détournement de pouvoir aan de zijde van de gemeente.

4.9.3

Dat de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebruik heeft gemaakt van onderhavige haar krachtens burgerlijk recht toekomende bevoegdheid kan derhalve niet worden vastgesteld. Het antwoord op de vraag of de beslissing om niet te verlengen een bevoegdheid kan worden genoemd, kan hierbij in het midden worden gelaten.

4.10

Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 3:13 lid 2 BW kan, voor zover er al sprake is van een dergelijke bevoegdheid in het geval van een beslissing tot niet-verlenging, evenmin worden vastgesteld. Heksenberg heeft zich kennelijk beroepen op het laatste in dit artikellid opgesomde geval en heeft in dit kader onder opsomming van wederzijdse belangen aangevoerd dat de gemeente geen in rechte te respecteren belang heeft gehad bij het niet verlengen van de erfpachtovereenkomst, althans dat aan dat belang van de gemeente minder gewicht toekomt dan aan de door het handelen van de gemeente geschade belangen van Heksenberg. De naar voren gebrachte feiten en omstandigheden kunnen naar het oordeel van het hof evenwel in het licht van het geheel aan feiten en omstandigheden geenszins de conclusie dragen dat de gemeente, in aanmerking nemend de kennelijk bedoelde onevenredigheid tussen haar belang en het belang van Heksenberg, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar bevoegdheid heeft kunnen komen. Voor een verdergaande belangenafweging is in onderhavige civielrechtelijke procedure geen plaats.

4.11

Met bovenstaande oordelen falen ook de resterende onderdelen van de grieven.

4.12

Uit het vorenstaande blijkt dat het hof niet toekomt aan bewijsopdrachten, zodat aan het aanbod om bewijs te leveren van Heksenberg voorbij kan worden gegaan.

4.13

Nu alle grieven falen, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en Heksenberg als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit hoger beroep, te vermeerderen met de gevorderde en niet weersproken wettelijke rente.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Heksenberg in de kosten van dit appel, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 683,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat Heksenberg over deze kosten de wettelijke rente is verschuldigd wanneer zij deze niet binnen 14 dagen na de dag van deze uitspraak heeft voldaan, vanaf het einde van deze termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze uitspraak voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, J.R. Sijmonsma en J. Hallebeek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 juni 2014.