Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1889

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
HD 200.122.649_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding op de voet van artikel 6:106 lid 1 sub b BW afgewezen. Eisers stelden psychische schade te hebben geleden als gevolg van huisbezoek sociaal rechercheurs en door (later teruggedraaide) besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering wegens vermeend voeren van gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.649/01

arrest van 24 juni 2014

in de zaak van

1 [de man],

wonende te [woonplaats],

2. [de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellant 1] en [appellante 2],

advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Maastricht,

tegen

de gemeente Maastricht,

gevestigd te Maastricht,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 december 2012 ingeleide hoger beroep van het eindvonnis van de rechtbank Maastricht van 28 november 2012, gewezen tussen [appellant 1] en [appellante 2] als eisers en de gemeente als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 168229 / HA ZA 12-30)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 9 mei 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met drie grieven, twee met producties en een eiswijziging;

- de memorie van antwoord.

De partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in de overwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis enkele feiten vastgesteld. [appellant 1] en [appellante 2] hebben op blz. 2 van hun memorie van grieven meegedeeld dat zij tegen die weergave van de feiten geen grieven opwerpen. Uit het gestelde bij randnummer 9 van de memorie van antwoord blijkt dat ook de gemeente zich met de feitenweergave van de rechtbank kan verenigen. Het hof zal daarom van diezelfde feiten uitgaan. Het hof geeft die feiten hieronder weer, voorzien van een door het hof toegevoegde letteraanduiding.

  1. [appellante 2] ontving vanaf 7 juli 1997 een bijstandsuitkering van de gemeente.

  2. Op 13 juni 2006 heeft de sociale recherche van de gemeente een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning van [appellante 2]. Daarbij is de sociale recherche de woning van [appellante 2] zonder haar toestemming binnengetreden. Aansluitend op het huisbezoek zijn [appellant 1] en [appellante 2] naar het politiebureau gebracht voor verhoor.

  3. Naar aanleiding van het huisbezoek en de bevindingen tijdens de verhoren heeft de gemeente, wegens een vermeende schending van de inlichtingenplicht, bij besluiten van 28 juni 2006, 14 augustus 2006 en 5 september 2006 de bijstandsuitkering van [appellante 2] met ingang van 1 mei 2006 beëindigd. Daarnaast heeft de gemeente het recht van [appellante 2] op een bijstandsuitkering over de periode van 7 juli 1997 tot en met 30 april 2006 ingetrokken en heeft zij de bijstandsuitkering die [appellante 2] in die periode heeft ontvangen, teruggevorderd. Ten slotte heeft de gemeente [appellant 1] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van voornoemde uitkering. De reden van deze besluiten was dat [appellante 2] niet zou hebben gemeld dat ze een gezamenlijke huishouding met [appellant 1] voerde en dat ze inkomsten uit arbeid had.

  4. [appellant 1] en [appellante 2] hebben bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten. De gemeente heeft dit bezwaar op 6 augustus 2007 ongegrond verklaard. [appellant 1] en [appellante 2] hebben vervolgens beroep aangetekend tegen de beslissing op bezwaar bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Maastricht. De gemeente heeft in het kader van die procedure erkend dat het bij voornoemd huisbezoek verkregen bewijsmateriaal als onrechtmatig gekwalificeerd dient te worden en buiten beschouwing dient te worden gelaten. Bij uitspraak van 15 juli 2008 heeft de rechtbank de bestreden beslissing vernietigd. Op 5 december 2008 heeft de gemeente een nieuw besluit genomen en de bestreden besluiten herroepen.

  5. Het Openbaar Ministerie heeft [appellant 1] en [appellante 2] naar aanleiding van de bevindingen van de sociale recherche vervolgd. De politierechter van de rechtbank Maastricht heeft het Openbaar Ministerie bij uitspraak van 4 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard vanwege een schending van de beginselen van een goede procesorde.

  6. [appellant 1] en [appellante 2] hebben naar aanleiding van het huisbezoek een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman. Deze heeft hiervoor op 12 november 2009 een rapport opgemaakt.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderden [appellant 1] en [appellante 2] in eerste aanleg, kort weergegeven:

 een verklaring voor recht dat de gemeente jegens [appellant 1] en [appellante 2] onrechtmatig heeft gehandeld;

 veroordeling van de gemeente tot betaling van € 30.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding (9 januari 2012), althans een zodanige schadevergoeding als de rechtbank in goede justitie juist zou achten;

met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering hebben [appellant 1] en [appellante 2] in de inleidende dagvaarding, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Het feitelijk optreden van de sociale recherche op 13 juni 2006, de dag van het huisbezoek, was onrechtmatig jegens [appellant 1] en [appellante 2] en de gemeente is daarvoor aansprakelijk. Daarnaast waren de besluiten van de gemeente van 28 juni 2006, 14 augustus 2006 en 5 september 2006 onrechtmatig jegens [appellant 1] en [appellante 2].

[appellant 1] en [appellante 2] hebben door het onrechtmatige handelen immateriële, psychische schade geleden. De gemeente moet die schade vergoeden.

3.2.3.

De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 9 mei 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 6 september 2012. Volgens het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal heeft de (toenmalige) advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting onder meer het volgende verklaard:

“Cliënten handhaven niet langer als grondslag van hun vordering dat de diverse besluiten daterend uit 2006 van de gemeente onrechtmatige besluiten zijn geweest en een onrechtmatige daad van de gemeente jegens hen hebben opgeleverd. De onrechtmatige daad van de gemeente bestaat in het optreden van haar Sociale Rechercheurs bij gelegenheid van het huisbezoek bij cliënten in 2006 op twee achtereenvolgende dagen. Met name de wijze waarop cliënten zijn bejegend tijdens dat huisbezoek vormt het onrechtmatig optreden van de gemeente.”

3.3.3.

In het eindvonnis van 28 november 2012 heeft de rechtbank, kort samengevat, het volgende overwogen.

  1. [appellant 1] en [appellante 2] hebben gesteld dat de wijze waarop zij tijdens het huisbezoek zijn bejegend, onrechtmatig is (rov. 4.1).

  2. Uit de stellingen van [appellant 1] en [appellante 2] is niet af te leiden dat de sociale recherche tijdens het huisbezoek onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [appellant 1]. [appellant 1] heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht, zodat de gevorderde verklaring voor recht jegens [appellant 1] moet worden afgewezen (rov. 4.1.4.).

  3. Omdat de gemeente de stellingen van [appellant 1] en [appellante 2] over de handelwijze van de sociale recherche tijdens het huisbezoek gemotiveerd heeft betwist, staat zonder nadere bewijslevering niet vast dat tijdens het huisbezoek onrechtmatig is gehandeld jegens [appellante 2] (rov. 4.1.5.).

  4. Uit de stellingen van [appellante 2] is niet af te leiden dat zij als gevolg van de wijze waarop de sociale recherche tijdens het huisbezoek heeft gehandeld, psychische schade heeft geleden die voldoet aan het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW (rov. 4.2.2.).

  5. [appellante 2] heeft dus geen recht op immateriële schadevergoeding. Zij heeft daarom geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Bewijslevering over de gang van zaken tijdens het huisbezoek kan dus achterwege blijven (rov. 4.3).

Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank de vordering van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.

3.4.1.

[appellant 1] en [appellante 2] hebben bij hun memorie van grieven hun eis gewijzigd. Zij vorderen nu, naast vernietiging van het beroepen vonnis:

 een verklaring voor recht dat de gemeente jegens [appellant 1] en [appellante 2] onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor [appellant 1] en [appellante 2] schade hebben geleden;

 veroordeling van de gemeente tot betaling aan [appellant 1] en [appellante 2] van een schadevergoeding, op te maken bij staat, althans van een door het hof naar billijkheid vast te stellen schadebedrag;

met veroordeling van de gemeente in de proceskosten van beide instanties.

3.4.2.

De gemeente heeft niet op de voet van artikel 130 Rv bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Het hof acht de eiswijziging toelaatbaar en zal dus verder van de gewijzigde eis uitgaan. Na bespreking van de grieven zal blijken in hoeverre de gewijzigde eis toewijsbaar is.

Naar aanleiding van een beperkte uitleg van grief I

3.5.1.

[appellant 1] en [appellante 2] hebben drie grieven aangevoerd tegen het eindvonnis van 28 november 2012. Het hof zal eerst grief I behandelen. Deze grief is gericht tegen het hiervoor in rov. 3.3.3 onder B weergegeven oordeel van de rechtbank. Dat oordeel betreft uitsluitend de vordering van [appellant 1].

3.5.2.

[appellant 1] en [appellante 2] voeren in de toelichting op de grief, kort samengevat, aan dat de sociaal rechercheurs tijdens de huiszoeking wel degelijk onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant 1]. Het hof verwerpt deze grief omdat [appellant 1] en [appellante 2] in de toelichting op de grief geen enkele concrete gedraging van de sociaal rechercheurs hebben genoemd die tijdens de huiszoeking zou hebben plaatsgevonden en die onrechtmatig jegens [appellant 1] kan worden geacht. Het hof komt daarom evenals de rechtbank tot de conclusie dat

uit de stellingen van [appellant 1] en [appellante 2] niet is af te leiden dat de sociale recherche tijdens het huisbezoek onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [appellant 1]. Om deze reden verwerpt het hof de, beperkt uitgelegde, grief I.

3.5.3.

Voor het geval [appellant 1] en [appellante 2] hebben beoogd aan hun eerste grief een ruimere strekking te geven, verwijst het hof naar rov. 3.7.1 en verder van dit arrest.

Naar aanleiding van een beperkte uitleg van grief II

3.6.1.

De tweede grief van [appellant 1] en [appellante 2] is gericht tegen het hiervoor in rov. 3.3.3 onder C weergegeven oordeel van de rechtbank. Dat oordeel betreft uitsluitend de vordering van [appellante 2].

3.6.2.

In de toelichting op de grief voeren [appellant 1] en [appellante 2] aan:

 dat de gemeente tijdens de zitting bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Maastricht heeft erkend dat het huisbezoek onrechtmatig was en dat het bewijs dat uit het huisbezoek was ontstaan, gekwalificeerd moet worden als onrechtmatig verkregen bewijs;

 dat dit is overgenomen in de uitspraak van de sector bestuursrecht van 15 juli 2008;

 dat de gemeente op grond daarvan de bezwaren van [appellant 1] en [appellante 2] alsnog gegrond heeft verklaard bij nieuw besluit op bezwaar van 15 juli 2008 (hof: [appellant 1] en [appellante 2] bedoelen kennelijk 5 december 2008);

 dat uit een en ander blijkt dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant 1] en [appellante 2].

3.6.3.

Het hof stelt naar aanleiding van deze grief voorop dat de toenmalig advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] tijdens de comparitie van partijen van 6 september 2012 uitdrukkelijk heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

 dat de grondslag van de vordering van [appellant 1] en [appellante 2] niet is dat de diverse besluiten daterend uit 2006 van de gemeente onrechtmatige besluiten zijn geweest en een onrechtmatige daad van de gemeente jegens hen hebben opgeleverd;

 dat hun vordering gebaseerd is op de onrechtmatigheid van het optreden van de sociaal rechercheurs bij gelegenheid van het huisbezoek, en met name op de onrechtmatigheid van de wijze waarop [appellant 1] en [appellante 2] zijn bejegend tijdens dat huisbezoek.

Deze verklaring is door de advocaat in het proces-verbaal ondertekend.

3.6.4.

Gelet op deze verklaring acht het hof het juist dat de rechtbank in het eindvonnis van 28 november 2012 in rov. 4.1 de grondslag van de vordering van [appellant 1] en [appellante 2] als volgt heeft weergegeven:

“[appellant 1] en [appellante 2] hebben gesteld dat de wijze waarop zij tijdens het huisbezoek zijn bejegend, onrechtmatig is.”

Uitgaande van die grondslag acht het hof de door grief II aangevallen overweging van de rechtbank, die hiervoor in rov. 3.3.3 onder C is weergegeven, volkomen juist. Uit het enkele feit dat het huisbezoek niet had mogen plaatsvinden en dat de primaire besluiten niet in stand konden blijven, is immers niet af te leiden dat de sociaal rechercheurs zich tijdens het huisbezoek op een onbehoorlijke en onrechtmatige wijze hebben gedragen. Grief II kan, indien aldus beperkt uitgelegd, dus geen doel treffen.

3.6.5.

Voor het geval [appellant 1] en [appellante 2] hebben beoogd aan hun tweede grief een ruimere strekking te geven, verwijst het hof naar rov. 3.7.1 en verder van dit arrest.

Naar aanleiding van een welwillende en ruime uitleg van de grieven I en II

3.7.1.

Als het hof de grieven I en II, in combinatie met de toelichting op grief III, welwillend en ruim interpreteert, kan daaruit worden afgeleid dat [appellant 1] en [appellante 2] in hoger beroep, in afwijking van het standpunt dat hun advocaat bij de comparitie van partijen heeft ingenomen, niet alleen het optreden van de sociale recherche tijdens het huisbezoek onrechtmatig achten, maar dat zij hun vordering nu tevens baseren op:

 de onrechtmatigheid van het huisbezoek op zichzelf c.q. de onrechtmatigheid van het binnentreden van de woning van [appellante 2];

 de onrechtmatigheid van de primaire besluiten van 28 juni 2006, 14 augustus 2006 en 5 september 2006.

3.7.2.

Het staat [appellant 1] en [appellante 2] in beginsel vrij om in hun memorie van grieven de grondslag van hun vorderingen op deze wijze (weer) uit te breiden. In zoverre slagen de grieven als zij op deze wijze worden uitgelegd. Dit brengt mee dat het hof alsnog moet beoordelen of deze uitbreiding van de grondslag van de vorderingen van [appellant 1] en [appellante 2] kan leiden tot een toewijzing van hun vorderingen. Het hof zal bij de bespreking van grief III nader ingaan op de vordering van [appellante 2]. Het hof zal nu eerst nader ingaan op de vordering van [appellant 1].

Met betrekking tot de vordering van [appellant 1]

3.8.1.

Als het hof tot uitgangspunt neemt dat het betreden van de woning in verband met het huisbezoek jegens [appellant 1] onrechtmatig is geweest en dat de [appellant 1] betreffende primaire besluiten uit 2006 onrechtmatig zijn geweest, komt het hof toe aan de vraag of [appellant 1] daardoor schade heeft geleden die voldoet aan het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Volgens dat artikelonderdeel kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

3.8.2.

Volgens de parlementaire geschiedenis kan het toebrengen van psychische storingen onder artikel 6:106 lid 1 sub b vallen, mits de storingen zo ernstig zijn dat zij een aantasting in de persoon opleveren (Eindverslag I, Parl. Gesch. 6, p. 389). Uitgangspunt voor een zodanige aantasting is dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, tenzij de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer een uitzondering rechtvaardigen (HR 29 juni 2012, NJ 2012/410). Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen (HR 13 januari 1995, NJ 1997/366; HR 23 januari 1998, NJ 1998/366).

3.8.3.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat bij [appellant 1] als gevolg van de in rov. 4.7.3 genoemde onrechtmatige daden psychisch letsel is ontstaan dat als een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW moet worden gekwalificeerd. De (in tweevoud overgelegde) schriftelijke verklaring van de huisarts van [appellant 1] van 10 november 2009 houdt slechts in dat de huisarts het echtpaar [appellant 1] (waarmee de huisarts kennelijk [appellante 2] en [appellant 1] bedoeld) regelmatig op het spreekuur ziet, “gezien hun conflict met de gemeente Maastricht”, en dat [appellant 1] daarbij “erge verschijnselen van reactie op stress, door heftige agitatie en verborgen agressie” vertoonde. Mede gelet op het feit dat de gemeente de bestreden besluiten uit 2006 toen al geruime tijd (immers in december 2008) had herroepen, acht het hof deze verklaring onvoldoende om op grond daarvan te kunnen aannemen dat bij [appellant 1], als gevolg van een of meer van de voor rekening van de gemeente komende onrechtmatige daden, sprake is of is geweest van een geestelijk letsel dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW oplevert. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat uit de verklaring niet blijkt dat de huisarts een nader onderzoek heeft gedaan naar de objectiveerbaarheid van de verschijnselen/het gedrag dat [appellant 1] vertoonde en ook niet blijkt dat de arts een bepaalde diagnose heeft gesteld.

3.8.4.

Overigens acht het hof de stelling van [appellant 1] in de toelichting op grief III, dat hij “door het wegvallen van de bijstandsuitkering” niet meer kon voldoen aan zijn betalingsverplichtingen, niet goed te verenigen is met het feit dat er geen bijstandsuitkering van [appellant 1] is weggevallen en dat de bijstandsuitkering van [appellante 2] niet wegviel maar op basis van een andere grondslag werd berekend.

3.8.5.

[appellant 1] heeft in de inleidende dagvaarding van 9 januari 2012 aangekondigd dat hij meer recente verklaringen van de huisarts zou opvragen en overleggen. Hij heeft een dergelijke nadere verklaring echter niet overgelegd; ook niet bij de memorie van grieven van 21 mei 2013. Het hof houdt het er daarom voor dat een dergelijke nadere verklaring niet beschikbaar is gekomen. Een voldoende gespecificeerd aanbod tot het leveren van nader bewijs met betrekking tot psychisch letsel bij [appellant 1] heeft [appellant 1] niet gedaan. Voor het geval hij dat bewijs hadden willen leveren aan de hand van verklaringen van behandelaars van het gestelde psychische letsel, had hij die verklaringen zelf al in het geding moeten brengen.

3.8.6.

Ook hetgeen [appellant 1] in de toelichting op grief III heeft aangevoerd over zijn longklacht voert niet tot een ander oordeel. Daarover heeft [appellant 1] gesteld dat hij “in de voorfase van deze procedure” (naar het hof begrijpt: vóór het uitbrengen van de inleidende dagvaarding) informatie heeft opgevraagd bij – naar het hof begrijpt – de behandelend specialist. Ook die informatie is kennelijk niet met de door [appellant 1] gewenste inhoud beschikbaar gekomen. Enige informatie van de genoemde persoon is in elk geval niet in het geding gebracht. Ook op dit punt acht het hof geen termen aanwezig voor nadere bewijslevering.

3.8.7.

Tot slot acht het hof de door [appellant 1] en [appellante 2] genoemde omstandigheid dat op 30 juni 2006 (hof: ongeveer tweeëneenhalve week na het huisbezoek) een publicatie in Dagblad De Limburger is verschenen over een frauderende bijstandsgerechtigde, welke publicatie door omwonenden misschien herleid zou kunnen worden tot [appellant 1] en [appellante 2], onvoldoende om toewijzing van een immateriële schadevergoeding te rechtvaardigen. Naar het oordeel van het hof levert deze publicatie, waarin [appellant 1] en [appellante 2] niet met naam zijn genoemd, geen ernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de gemeente de publicatie van dit krantenartikeltje heeft geïnitieerd of bevorderd.

3.8.8.

Om bovenstaande redenen is het hof van oordeel dat [appellant 1] geen aanspraak heeft op vergoeding van immateriële schade door de gemeente. Het hof neemt wel aan dat [appellant 1] als gevolg van de genoemde onrechtmatige daden te kampen heeft gekregen met een bepaalde mate van psychisch onbehagen en een zich gekwetst voelen. Dat is op zichzelf echter niet voldoende om toewijzing van een schadevergoeding op de voet van artikel 6:106 lid 1 sub b BW te rechtvaardigen. De vordering tot betaling van een schadevergoeding aan [appellant 1] is dus niet toewijsbaar.

3.8.9.

De vordering tot een verklaring voor recht is, voor zover door [appellant 1] ingesteld, evenmin toewijsbaar nu een voldoende belang bij die verklaring voor recht niet is komen vast te staan. Dat vanwege de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding geen belang bestaat bij de verklaring voor recht, is door de rechtbank overwogen in rov. 4.3 van het vonnis en tegen die redenering hebben [appellant 1] en [appellante 2] geen grief gericht.

Naar aanleiding van grief III: de vordering van [appellante 2]

3.9.1.

De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de stellingen van [appellante 2] niet is af te leiden dat zij als gevolg van de wijze waarop de sociale recherche tijdens het huisbezoek heeft gehandeld, psychische schade heeft geleden die voldoet aan het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

3.9.2.

Het hof begrijpt uit de toelichting op deze grief dat [appellante 2] in hoger beroep, in afwijking van het standpunt dat haar advocaat bij de comparitie van partijen heeft ingenomen, niet alleen het optreden van de sociale recherche tijdens het huisbezoek onrechtmatig acht, maar dat zij haar vordering tevens baseert op:

 de onrechtmatigheid van het huisbezoek op zichzelf c.q. de onrechtmatigheid van het binnentreden van de woning van [appellante 2];

 de onrechtmatigheid van de primaire besluiten van 28 juni 2006, 14 augustus 2006 en 5 september 2006.

3.9.3.

Zoals het hof in rov. 3.7.2 heeft overwogen, staat het [appellante 2] in beginsel vrij om in de memorie van grieven de grondslag van haar vorderingen op deze wijze (weer) uit te breiden. In zoverre slaagt grief III.

3.9.4.

Dit brengt mee dat het hof alsnog moet beoordelen of deze uitbreiding van de grondslag van de vorderingen van [appellante 2] kan leiden tot een toewijzing van haar vorderingen. Het hof zal daarbij tot uitgangspunt nemen dat het binnentreden van de woning in verband met het huisbezoek jegens [appellante 2] onrechtmatig is geweest en dat de [appellante 2] betreffende primaire besluiten uit 2006 onrechtmatig zijn geweest. Daarnaast zal het hof in het navolgende uitgaan van de veronderstelling dat de sociale recherche tijdens het huisbezoek op de door [appellante 2] gestelde wijze onbehoorlijke en onrechtmatig heeft gehandeld. Dit betreft nadrukkelijk slechts een veronderstelling bij het onderzoek naar toewijsbare schade, want de gemeente heeft uitdrukkelijk betwist dat de sociale recherche zich onbehoorlijk heeft gedragen en dat kan dus niet als vaststaand worden aangenomen. Het hof zal beoordelen of [appellante 2] door de gestelde onrechtmatige daden schade heeft geleden die voldoet aan het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Het hof verwijst allereerst naar hetgeen in rov. 3.8.2 over de in dat artikel neergelegde maatstaf is overwogen.

3.9.5.

[appellante 2] heeft er onderbouwing van de door haar gestelde psychische schade gewezen op twee schriftelijke verklaringen van haar huisarts. De eerste verklaring dateert van 19 september 2007 en de tweede verklaring dateert van 7 december 2009.

In de eerste verklaring staan enkele gezondheidsklachten opgesomd die [appellante 2] kennelijk tegenover de huisarts heeft geuit en waarvan zij tegen de huisarts heeft gezegd dat die na het huisbezoek van 13 juni 2006 zijn ontstaan. Dat de huisarts enig onderzoek heeft gedaan om een objectiveerbare oorzaak te vinden voor deze klachten blijkt niet uit de verklaring.

De verklaring van 7 december 2009 voegt hier niet veel aan toe. Ook in die verklaring worden klachten opgesomd die [appellante 2] tegenover haar huisarts heeft geuit. Ook uit deze verklaring blijkt niet dat de huisarts enig onderzoek heeft gedaan om de klachten te objectiveren en om de oorzaak van de klachten vast te stellen. De brief besluit met de volgende zin:

“Deze klachten zijn begonnen na de inval in haar huis en tijdens de verdere afhandeling van deze zaak. Een samenhang tussen de gebeurtenissen en haar klachten lijkt mij dan ook zeker aanwezig.”

Naar het oordeel van het hof kan ook uit deze slotzin niet worden afgeleid dat bij [appellante 2] als gevolg van de gestelde onrechtmatige daden, psychisch letsel is ontstaan dat als een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW moet worden gekwalificeerd en dat dus verder gaat dan een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit de brief niet blijkt van de ernst en het verloop van de klachten.

3.9.6.

Verder acht het hof van belang dat [appellante 2] geen meer recente informatie van haar huisarts heeft overgelegd, ook niet bij haar memorie van grieven van 21 mei 2013, terwijl zij al in de inleidende dagvaarding van 9 januari 2012 heeft aangekondigd dat zij meer recente verklaringen van de huisarts zouden opvragen en overleggen. Het hof houdt het er daarom voor dat dergelijke nadere verklaringen niet beschikbaar zijn gekomen. Een voldoende gespecificeerd aanbod tot het leveren van nader bewijs met betrekking tot psychisch letsel bij [appellante 2] niet gedaan. Voor het geval zij dat bewijs had willen leveren aan de hand van verklaringen van behandelaars van het gestelde psychische letsel, had zij die verklaringen zelf al in het geding moeten brengen.

3.9.7.

Voor zover [appellante 2] in de toelichting op grief III overigens de suggestie wekt dat zij als gevolg van de primaire besluiten uit 2006 lange tijd geen enkel inkomen heeft gehad, is die suggestie onjuist. De gemeente heeft aan [appellante 2] immers al bij het (door [appellante 2] bij de inleidende dagvaarding overgelegde) besluit van 5 september 2006 een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 29 juni 2006, zij het dat er bij de vaststelling van die uitkering aanvankelijk vanuit is gegaan dat [appellante 2] met [appellant 1] een gezamenlijke huishouding voerde. Uit dit besluit blijkt verder dat [appellante 2] ook voorschotten op de uitkering heeft ontvangen.

3.9.8.

Voor wat betreft de publicatie in Dagblad De Limburger over een frauderende bijstandsgerechtigde verwijst het hof naar rov. 3.8.7 van dit arrest. Om de daar genoemde redenen geeft die publicatie [appellante 2] geen aanspraak op schadevergoeding jegens de gemeente.

3.9.9.

Het bovenstaande voert tot de conclusie dat [appellante 2] geen aanspraak heeft op vergoeding van immateriële schade door de gemeente. Het hof neemt wel aan dat [appellante 2] als gevolg van de genoemde onrechtmatige daden te kampen heeft gekregen met een bepaalde mate van psychisch onbehagen en een zich gekwetst voelen. Het door [appellante 2] gestelde handelen van de sociaal rechercheurs tijdens het huisbezoek (welk handelen zoals gezegd niet vast staat) zal, als dat inderdaad heeft plaatsgevonden, in relevante mate hebben bijgedragen aan het ervaren psychische onbehagen. Een en ander is echter op zichzelf niet voldoende om toewijzing van een schadevergoeding op de voet van artikel 6:106 lid 1 sub b BW te rechtvaardigen. Voor toekenning van een dergelijke vergoeding gelden nu eenmaal strengere maatstaven. De vordering tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante 2] is dus niet toewijsbaar.

3.9.10.

De vordering tot een verklaring voor recht is, voor zover door [appellante 2] ingesteld, evenmin toewijsbaar nu een voldoende belang bij die verklaring voor recht niet is komen vast te staan. Dat vanwege de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding geen belang bestaat bij de verklaring voor recht, is door de rechtbank overwogen in rov. 4.3 van het vonnis en tegen die redenering hebben [appellant 1] en [appellante 2] geen grief gericht.

Slotsom

3.10.

Uit het voorgaande volgt dat het hof, evenals de rechtbank, van oordeel is dat de vorderingen van [appellant 1] en [appellante 2] niet toewijsbaar zijn. Dat geldt ook voor de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellant 1] en [appellante 2]. Het hof zal die vordering afwijzen. De grieven hebben dus geen doel getroffen. Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen en [appellant 1] en [appellante 2] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente. Deze kostenveroordeling wordt, zoals door de gemeente gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank Maastricht tussen partijen gewezen vonnis van 28 november 2012;

wijst de in hoger beroep gewijzigde eis van [appellant 1] en [appellante 2] af;

veroordeelt [appellant 1] en [appellante 2] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van gemeente tot op heden begroot op € 1.815,-- aan vast recht en op € 894,-- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de veertiende dag na de datum van dit arrest;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 juni 2014.