Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1884

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
HD 200.114.548_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vorderingen uit wanprestatie en onrechtmatige daad in verband met onderhoud aan een motorjacht in eerste aanleg wegens onvoldoende onderbouwing vorderingsrecht afgewezen. Cessie van de vorderingen door een derde tijdens hoger beroep aan appellanten, de oorspronkelijke eisers. Beroep op niet-ontvankelijkheid verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.114.548/01

arrest van 24 juni 2014

in de zaak van

1 [de man],

2. [de vrouw],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats], België,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

verder in mannelijk enkelvoud: [appellant 1],

advocaat: mr. C.A.M. Swagemakers te Tilburg

tegen:

CCA Yachtservice B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

verder: CCA,

advocaat: mr. I.M.F. van Emstede te Amsterdam.

op het bij exploot van dagvaarding van 27 september 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg gewezen vonnissen van 7 december 2011 en 4 juli 2012 (verbeterd bij aanvullend vonnis van 8 augustus 2012) tussen [appellant 1] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en CCA als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer: 79968/HA ZA 11-356)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 27 september 2012;

- de memorie van grieven van [appellant 1] van 15 januari 2013 met producties;

- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel van CCA van 26 maart 2013 met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellant 1] van 7 mei 2013;

- de akte in het incidenteel appel van CCA van 21 mei 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De gronden van het hoger beroep

In het principaal appel en in het incidenteel appel

Voor de inhoud van de grief van [appellant 1] in het principaal appel en van de grief van CCA in het incidenteel appel verwijst het hof naar hun memories van grieven.

4 De beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

4.1

Tegen het tussenvonnis van 7 december 2011 staat op grond van artikel 131 Rv geen hoger beroep open, zodat [appellant 1] in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

4.2

Het gaat in deze zaak om onderhoudswerkzaamheden die door CCA zijn uitgevoerd aan (de motoren) van een motorjacht, type Fairline Squadron 47. Dit jacht is volgens [appellant 1] eigendom van appellante sub 2. In verband met deze werkzaamheden heeft CCA facturen gezonden op naam van AGS NV, een Belgische vennootschap waarvan appellant sub 1 bestuurder is.

4.3

[appellant 1] stelde in eerste aanleg dat hij op 1 juni 2010 problemen met zijn boot heeft gekregen, die onder meer bestonden uit overmatige roetvorming bij het accelereren en varen met snelheden tussen de 23 en 28 knopen en, later (na herstelwerkzaamheden) tevens een verlies van snelheid van 28 knopen naar 15 knopen. Hij heeft daarvan melding gedaan bij CCA, die op haar beurt [Diesel Center] Diesel Center BV (verder: [Diesel Center]) heeft ingeschakeld. [Diesel Center] heeft revisies uitgevoerd van de verstuivers en vervolgens van de brandstofpompen. De problemen zijn daardoor niet verholpen. [Diesel Center] heeft daarop nieuwe verstuivers besteld bij Volvo Penta. Uiteindelijk is het probleem opgelost na hernieuwd onderhoud op de motoren en reiniging van de intercoolers en aftercoolers. De eerdere revisies/vervanging hebben geen bijdrage geleverd aan de oplossing. CCA heeft bij factuur van 25 juli 2010 een bedrag van € 5.224,22 voor het leveren van twee brandstofpompen aan AGS NV in rekening gebracht. Op 9 februari 2011 is CCA zonder toestemming van [appellant 1] aan boord van het motorjacht gegaan en heeft zij de injectiepomp met toebehoren gedemonteerd. De advocaat van AGS NV heeft bij CCA bij brief van 11 februari 2011 bezwaar gemaakt tegen de factuur van CCA en haar gesommeerd tot terugplaatsen van de brandstofpomp. Volgens [appellant 1] lag de oorzaak van de overmatige roetvorming bij de vervuiling van de intercoolers en aftercoolers, waarvan de reiniging behoort tot de normale onderhoudswerkzaamheden, en niet bij de verstuivers en de brandstofpompen. CCA is volgens [appellant 1] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens hem en heeft CCA onrechtmatig gehandeld door de brandstofpomp te verwijderen.

4.4

Op grond hiervan vorderde [appellant 1], samengevat:

  • -

    een verklaring voor recht dat de overeenkomsten van opdracht tot onderhoud en reparatie vanaf mei 2010 zijn ontbonden, althans deze te ontbinden;

  • -

    een verklaring voor recht dat CCA onrechtmatig heeft gehandeld door op 9 februari 2011 de motor van de boot van [appellant 1] te demonteren;

  • -

    veroordeling van CCA tot betaling van € 39.819,46 aan schadevergoeding € 9.427,04 wegens het plaatsen van een nieuwe brandstofpomp, € 45.150,= aan kosten huur van een vervangende boot, de schoonmaakkosten, nader op te maken bij staat, en € 1.788,= aan buitengerechtelijke kosten, in totaal € 96.184,50, vermeerderd met wettelijke rente;

  • -

    veroordeling van CCA in de proceskosten met nakosten.

CCA heeft de vorderingen van [appellant 1] betwist en daarbij met name aangevoerd dat de werkzaamheden aan het jacht zijn uitgevoerd in opdracht en voor rekening van AGS NV, die volgens CCA ook de eigenaar van het jacht is. Aan [appellant 1] komt daarom volgens CCA geen vordering toe.

Voor het geval dat niet AGS NV als contractspartij zou moeten worden aangemerkt vorderde CCA in voorwaardelijke reconventie, samengevat, veroordeling van [appellant 1] tot betaling van € 11.292,82 aan openstaande facturen, € 3.203,78 aan schadevergoeding (onder meer vanwege door [appellant 1] op 12 juli 2011 ten laste van CCA gelegde derdenbeslagen) en € 3.038,= aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met rente en proceskosten.

4.5

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 7 december 2011 een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 25 januari 2012 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 4 juli 2012 heeft de rechtbank overwogen dat zij op grond van de elkaar tegensprekende feiten en stukken niet kan vaststellen aan wie van de in de stukken voorkomende partijen mogelijk een vorderingsrecht toekomt, zodat [appellant 1] zijn vorderingen in conventie onvoldoende heeft onderbouwd met het gevolg dat deze worden afgewezen. [appellant 1] is veroordeeld in de proceskosten in conventie. Op dezelfde grond heeft de rechtbank de vordering van CCA in voorwaardelijke reconventie afgewezen. De proceskosten in reconventie zijn tussen partijen gecompenseerd.

4.6

Bij memorie van grieven heeft [appellant 1] een registratiebewijs overgelegd waaruit blijkt dat appellante sub 2 van 25 mei 2006 tot 14 september 2012 als eigenaresse van het jacht ingeschreven is geweest. CCA betwijfelt of zij eigenaresse was en niet AGS NV, maar heeft deze twijfel niet gesubstantieerd, zodat het hof hieraan voorbijgaat en er thans van uitgaat dat appellante sub 2 in die periode eigenaresse was van het jacht.

4.7

Bij memorie van grieven heeft [appellant 1] verder overgelegd een akte van cessie van 10 juli 2012 waarbij AGS NV aan [appellant 1] cedeert ‘al haar contractuele en buitencontractuele vorderingen ten bedrage van € 96.184,50 (te vermeerderen met rente en kosten) die zij heeft op CCA Yachtservice B.V. ter zake van onderhoud, dat niet beantwoordt aan de overeenkomst, en het - onrechtmatig - demonteren en onklaar maken van het motorjacht, type Fairline Squadron 47’. In de preambule is opgenomen dat [appellant 1] zich realiseert appellante sub 2 ‘als eigenaresse van het motorjacht tevens een zelfstandig re cht op schadevergoeding heeft wegens het onrechtmatig uitoefenen van het retentierecht door CCA Yachtservice’. Van deze cessie heeft [appellant 1] bij de memorie van grieven, derhalve op 15 januari 2013, aan CCA kennis gegeven. CCA heeft de rechtsgeldigheid van de cessie niet betwist, maar zij stelt zich op het standpunt dat hieruit blijkt dat de vorderingen van [appellant 1] in eerste aanleg terecht zijn afgewezen. Volgens CCA vloeit hier ook uit voort dat de grief van [appellant 1] moet worden verworpen. Op dit laatste komt het hof hierna terug.

4.8

[appellant 1] woont in België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de EEX-Verordening. Ingevolge artikel 2 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. Met partijen gaat het hof uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

4.9

De memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft mede betrekking op het principaal appel (punt 1-7). CCA maakt daar in haar akte van 21 mei 2013 bezwaar tegen. Dat bezwaar is terecht. Gelet op de twee conclusie regel die ligt besloten in artikel 347 lid 1 Rv laat het hof bedoeld gedeelte buiten beschouwing.

4.10

Door de cessie geeft [appellant 1] te kennen dat het vorderingsrecht met betrekking tot alle vorderingen die in deze procedure bij dagvaarding in eerste aanleg zijn ingesteld destijds bij AGS NV berustte en eerst vanaf 15 januari 2013 bij [appellant 1] berust. Dit betekent dat die vorderingen door de rechtbank terecht zijn afgewezen en dat, ook indien in hoger beroep met betrekking tot die vorderingen als gevolg van die cessie een ander resultaat wordt bereikt, de proceskostenveroordeling in conventie in stand blijft. Anders dan CCA betoogt, is de consequentie van de cessie niet dat [appellant 1] de desbetreffende vorderingen opnieuw in eerste aanleg had moeten instellen en dat hij daarom in dit hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Als gevolg van de cessie berust het vorderingsrecht immers nu (in ieder geval) wel bij [appellant 1], zodat hij dit in hoger beroep alsnog geldend kan maken. CCA voert in dit verband aan dat zij op deze wijze een instantie mist. Op zich is het juist dat de inzet van de procedure is gewijzigd, het gaat immers niet meer om een eigen vorderingsrecht van [appellant 1] maar om een vorderingsrecht van AGS NV dat aan hem is overgedragen, maar een dergelijke wijziging is toelaatbaar en het eventuele verlies van een instantie inherent aan de functie van het hoger beroep.

4.11

Deze wijziging van de inzet van de procedure leidt intussen wel tot onduidelijkheden met betrekking tot zowel de vorderingen in conventie als de vorderingen in reconventie. [appellant 1] lijkt er gezien de formulering van de akte van cessie van uit te gaan dat alle vorderingen zoals door hem in eerste aanleg ingesteld en die hiervoor onder 4.4 zijn samengevat, toentertijd aan AGS NV toekwamen. Dat lijkt evenwel niet in overeenstemming met zijn stelling dat appellante sub 2 destijds eigenaresse van het jacht was. De vraag is dan jegens wie in de visie van [appellant 1] door CCA onrechtmatig is gehandeld, jegens AGS NV of jegens appellante sub 2. De tweede verklaring voor recht die [appellant 1] vordert, laat dat in het midden, terwijl de daarmee samenhangende vordering tot schadevergoeding onderdeel uitmaakt van het totaalbedrag van € 96.184,50 dat kennelijk eerst geheel onder het vorderingsrecht van AGS NV viel en eerst nu, als gevolg van de cessie, onder het vorderingsrecht van [appellant 1]. In zijn memorie van grieven behandelt [appellant 1] de verschillende onderdelen van zijn vorderingen op dezelfde wijze als in eerste aanleg, dat wil zeggen als eigen vorderingen, terwijl de cessie impliceert dat het steeds gaat om vorderingen van AGS NV die aan [appellant 1] zijn overgedragen. [appellant 1] zal hierover duidelijkheid moeten verschaffen. Het hof zal hem daartoe in de gelegenheid stellen.

4.12

Voor de vorderingen van CCA in reconventie geldt iets dergelijks ook. In eerste aanleg heeft zij in reconventie voorwaardelijk enkele vorderingen ingesteld, namelijk voor het geval zou blijken dat AGS NV niet als contractspartij moet worden aangemerkt, hetgeen volgens CCA wel het geval is. In hoger beroep gaat [appellant 1] er blijkens de cessie eveneens van uit dat AGS NV als contractspartij van CCA moet worden aangemerkt, zodat de reconventionele vordering van CCA niet verder aan de orde zou behoeven te komen. Echter, in haar memorie van grieven in het incidenteel appel stelt CCA dezelfde vordering opnieuw voorwaardelijk in, maar nu voor het geval het hof [appellant 1] ontvankelijk verklaart in zijn hoger beroep. Dat laatste is het geval zodat deze voorwaarde is vervuld. Door CCA is evenwel niet aangegeven of thans de voorwaarde die zij in eerste aanleg aan haar reconventionele vordering verbond is komen te vervallen. Bovendien betroffen die vorderingen haar contractspartner, dat wil zeggen AGS NV en niet [appellant 1]. AGS NV is geen partij in deze procedure en wordt dat (vanzelfsprekend) ook niet door de cessie.

De vraag is dan jegens wie de - eventuele - vorderingen van CCA zijn gericht. CCA dient daarover duidelijkheid te verschaffen. Het hof zal haar hiertoe in de gelegenheid stellen.

4.13

De stand van zaken is nu dat beide partijen een nadere toelichting dienen te verschaffen. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor nadere memorie aan beide zijden op dezelfde datum. Partijen kunnen vervolgens, en dan eveneens op dezelfde datum, over en weer een antwoordmemorie nemen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

verklaart [appellant 1] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 7 december 2011;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 22 juli 2014 voor nadere memorie aan beide zijden met het hiervoor onder 4.11 ([appellant 1]) en 4.12 (CCA) vermelde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.W.G.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 juni 2014.