Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1823

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
20-000886-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zijn vriendin met ongeveer 100 messteken om het leven gebracht. Het hof acht, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, niet bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van moord en verklaart doodslag bewezen. Het hof legt niettemin de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf en maatregel op: een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000886-12

Uitspraak : 24 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 maart 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-825428-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1983,

thans verblijvende in Vught PPC te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte ter zake van - kort gezegd - moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, en heeft daarbij gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met dien verstande dat hij daarbij zal worden verpleegd van overheidswege.

Voorts heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest en met oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal beslissen omtrent het beslag overeenkomstig het beroepen vonnis.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde moord. De raadsman heeft zich wat betreft de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft bepleit dat verdachte in het kader daarvan niet ter beschikking zal worden gesteld maar dat het hof zal overgaan tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. De raadsman heeft zich wat betreft het beslag en de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2011 te Helmond opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal (al dan niet met een of meerdere hard(e) en/of scherp(e) voorwerp(en)) geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of

- de luchtwegen van die [slachtoffer] met een (laptop)kabel en/of zijn handen dichtgesnoerd en/of dichtgeknepen, althans geprobeerd dicht te snoeren en/of dicht te knijpen en/of

- met één of meerdere messen, in elk geval één of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, vele malen (ongeveer honderd), althans meerdere malen in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer], is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van voorbedachten raad

Het hof stelt voorop dat voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De advocaat-generaal heeft – op gronden als vervat in het op schrift gesteld requisitoir – gevorderd dat bewezen zal worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood met voorbedachten raad, zodat hij zal worden veroordeeld ter zake van moord.

Het hof kan zich niet verenigen met het standpunt van de advocaat-generaal en is van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord bij gebrek aan bewijsmiddelen voor het bestanddeel voorbedachten raad.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Vooropgezet plan?

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tegenover getuige [getuige 1] door verdachte (op de dag van het feit in de ochtend) gedane uiting “I’m going tot remove some people out of my life”, alsmede de naar het slachtoffer gedane uiting kort voor zijn daad dat zij moest ophouden met het maken van verwijten omdat verdachte haar anders wat zou aandoen, bezien in samenhang met de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3], wijzen op een planmatig handelen van verdachte.

De door verdachte gedane uitingen zouden – bezien in het licht van de latere gebeurtenissen – wellicht een aanwijzing kunnen vormen voor enig vooropgezet plan, maar het hof is er onvoldoende van overtuigd dat verdachte ermee heeft willen uitdrukken dat hij voornemens was om [slachtoffer] van het leven te beroven. Hierbij overweegt het hof enerzijds dat blijkens getuigenverklaringen verdachte ten tijde van de eerstgenoemde uitlating een verwarde indruk maakte en dat mede gelet op die getuigenverklaringen niet uit te sluiten valt dat verdachte met deze woorden (in een taal die niet de zijne was) iets anders heeft willen uitdrukken dan een concreet plan in de richting van het latere slachtoffer. Ten aanzien van de laatst genoemde opmerking van verdachte overweegt het hof dat verdachte hiermede evenzeer in zijn verklaring kan hebben bedoeld te zeggen dat hij in zo hoge mate opgewonden was geraakt dat hij niet meer instond voor zijn reactie hierop. Ook die reactie behoefde daarmede geenszins een voorgenomen plan om het slachtoffer van het leven te beroven in te houden.

Gelegenheid tot nadenken?

Vervolgens dient zich de vraag aan of verdachte zich – in de tijdsspanne tussen de eerste klap met het stanleymes en de laatste doodssteek – gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij door zo te handelen niet (meer) heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven

Volgens de advocaat-generaal blijkt uit het feitelijk handelen van verdachte dat hij zich heeft kunnen beraden op het te nemen besluit en hebben besluitvorming en uitvoering niet in een plotselinge hevige drift plaatsgevonden.

Het hof komt op grond van de voorhanden bewijsmiddelen tot een ander oordeel.

Uit de verklaring van de verdachte en het forensisch technisch onderzoek leidt het hof af dat verdachte gedurende de geweldshandelingen enkele malen naar de keuken is gelopen om een ander mes te gaan halen, zodat vastgesteld kan worden dat er tenminste tussen het toebrengen van het eerste letsel bij het slachtoffer en het toebrengen van de laatste steekverwonding enige tijd is verstreken waarin gelegenheid tot beraad of bezinning kan zijn geweest.

Het hof stelt daar tegenover dat, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede gelet op de inhoud van de gedragsdeskundige rapportages die over verdachte zijn uitgebracht, er meerdere contra indicaties zijn die erop wijzen dat verdachte het grote aantal verwondingen in een vlaag van razernij heeft toegebracht. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd over de demon die hij in het slachtoffer wilde doden. Daar komt bij dat verdachte, zo blijkt uit de verklaringen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5], na zijn handelen niet zodanig heeft gereageerd dat daaruit aanwijzingen kunnen worden gevonden voor de gevolgtrekking dat hij handelde ter afronding van een (bij hem al langer levend) plan.

Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, stelt het hof dan ook vast dat besluitvorming en uitvoering tot stand zijn gekomen in een korte tijdspanne, die werd beheerst door totale razernij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 augustus 2011 te Helmond opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet,

- die [slachtoffer] meerdere malen, (met een hard voorwerp) geslagen en/of gestompt en/of getrapt en

- de luchtwegen van die [slachtoffer] met een (laptop)kabel dichtgesnoerd en/of dichtgeknepen en

- met meerdere messen vele malen (ongeveer honderd), in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer], is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het is strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Nadat in eerste aanleg door A.E. Grochowska en M.D. Ligaj medio december 2011 respectievelijk psychiatrisch en psychologisch onderzoek is gedaan naar de verdachte, is gedurende de beroepsprocedure door beide deskundigen een aanvullend rapport uitgebracht, respectievelijk op 11 januari 2013 en op 14 januari 2013. Op verzoek van de verdediging is in 2014 voor een derde maal onderzoek gedaan naar de geestesgesteldheid van verdachte, door psychiater J.M.L. Dinjens en door genoemde psycholoog Ligaj (beide rapporten dateren van 10 april 2014).

Het in hoger beroep uitgebrachte rapport van J.L.M. Dinjens d.d. 10 april 2014 houdt omtrent de strafbaarheid van de verdachte onder meer het volgende in. Er is bij betrokkene sprake van schizofrenie van het paranoïde type en cannabisafhankelijkheid, welke stoornissen ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig waren. De ziekelijke stoornis beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde in zodanige duidelijke mate dat dit mede daaruit verklaard kan worden. Het is aannemelijk dat de psychische conditie van betrokkene in aanloop naar het delict heeft doorgewerkt, vooral wat betreft de emotieregulatie en de agressiehuishouding. Dinjens adviseert betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ook psychologe M.D. Ligaj komt in haar rapport d.d. 10 april 2014 tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde type. Daarnaast zijn er volgens Ligaj aanwijzingen voor cannabismisbruik en/of –afhankelijkheid. Ligaj stelt eveneens vast dat deze psychotische stoornis ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig was en dat deze de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zodanig beïnvloedden dat het ten laste gelegde mede daaruit verklaard kan worden. Door de psychotische toestand van verdachte was hij in verminderde mate in staat om zijn gedrag te bepalen en een adequate gedragskeuze te maken op het moment dat hij tot fysieke agressie overging. Ligaj adviseert dan ook dat verdachte als tenminste verminderd toerekeningsvatbaar zou moeten worden beschouwd.

Het hof volgt de aangehaalde deskundigen in hun overwegingen en conclusies en legt die ten grondslag aan zijn oordeel dat de verdachte het bewezen verklaarde feit wegens een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens verminderd kan worden toegerekend.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zelf verklaard dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is voor het bewezen verklaarde feit. Het hof gaat gelet op het voorgaande hieraan voorbij.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld (ter zake van moord) tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, met bevel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte (ter zake van moord) zal veroordelen tot een straf zoals door de rechtbank is opgelegd.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte niet ter beschikking zal worden gesteld, maar dat hij zal worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, zo mogelijk in Polen. Volgens de raadsman hoort de verdachte met zijn schizofrenie van het paranoïde type, mede gelet op zijn culturele achtergrond, niet thuis in een (Nederlandse) Tbs-kliniek.

Het hof overweegt het volgende.

straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft op 12 augustus 2011 een einde gemaakt aan het leven van zijn 26-jarige vriendin. Hij heeft haar in haar eigen woning – een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen – onder andere door ongeveer 100 messteken om het leven gebracht en heeft haar daarmee het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Daarbij is verdachte op bijzonder gewelddadige en gruwelijke wijze te werk gegaan.

Verdachte heeft met zijn handelen de familie en naaste omgeving van het slachtoffer onherstelbaar leed en verdriet toegebracht, zoals onder meer is gebleken uit de in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaring van de familie [slachtoffer].

De nabestaanden moeten hun dochter en zus niet alleen missen, maar zij moeten ook leven met het besef dat zij op gewelddadige en gruwelijke wijze van het leven is beroofd.

Daarnaast wordt door een misdrijf als het onderhavige de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg. Het handelen van verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven.

Het hof heeft met betrekking tot de geestesgesteldheid van de verdachte acht geslagen op hetgeen uit voormelde Pro Justitia opgemaakte rapporten (onder meer omtrent de verminderde toerekenbaarheid) is gebleken alsmede op hetgeen ter terechtzitting omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gekomen.

Het hof komt (ten aanzien van de straf) tot de conclusie dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren passend en geboden is. Het hof heeft zich er daarbij rekenschap van gegeven dat de rechtbank bij haar oordeel en de advocaat-generaal bij zijn vordering eveneens tot oplegging van een straf van die duur is gekomen, maar dat zij daarbij wel een zwaardere kwalificatie tot uitgangspunt hebben genomen, te weten: moord. Het hof is echter van oordeel dat in een lagere straf de ernst van het feit – een zeer gruwelijk en gewelddadig feit, gepleegd tegen een weerloos slachtoffer, dat zich blijkens het dossier heeft getracht te verzetten tegen de vele messteken die volgens het rapport van de patholoog alle bij leven zijn toegebracht – onvoldoende tot uitdrukking zou komen.

maatregel

Voorts ligt voor de vraag of terbeschikkingstelling van de verdachte ten behoeve van verpleging van overheidswege noodzakelijk is. In dat verband overweegt het hof het navolgende.

Ten aanzien van de vraag in welke mate en op welke wijze de ziekelijke stoornis bij voortbestaan ervan opnieuw aanleiding kan geven tot soortgelijke strafbare feiten, rapporteert psychiater Dinjens dat het recidiverisico als duidelijk verhoogd wordt ingeschat. Er is sprake van een ernstige psychiatrische stoornis, met recidiverende paranoïde psychoses, gepaard gaand met angst en impulsdoorbraken. Er is sprake van cannabisafhankelijkheid en het gebruik hiervan wordt niet geproblematiseerd. Er is weinig probleembesef en –inzicht. De psychiatrische problematiek (inclusief verslaving) behoeft volgens Dinjens zeker behandeling in een strikt kader. Gezien de aard en de ernst van de problematiek in relatie tot het delict adviseert Dinjens tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Ten aanzien van de kans op recidive stelt psychologe Ligaj dat er zonder een adequate psychiatrische behandeling een grote kans bestaat op herhaling van soortgelijke delicten. Terugval van psychose is aannemelijk, waarbij het onvoldoende ziektebesef en – inzicht, samen met verdachtes neiging tot ‘acting out’-gedrag, een risico vormen op gewelddadig gedrag. Volgens Ligaj vormt verdachte een gevaar voor de maatschappij, gezien de ernst van zijn psychopathologie en de aanzienlijke kans op herhaling.

Het hof stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en dat de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte vereist. Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van de voornoemde rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde.

Nu de algemene veiligheid van personen zulks eist, zal het hof bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van het verzoek van de raadsman om over te gaan tot plaatsing van verdachte in een (Pools) psychiatrisch ziekenhuis, overweegt het hof dat – nu uit de aangehaalde Pro Justitia rapportages eenduidig de noodzaak tot dwangverpleging naar voren komt – een andere modaliteit geen bespreking behoeft.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande van het slachtoffer]

De benadeelde partij [nabestaande van het slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.382,37. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [nabestaande van het slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in het geheel toewijsbaar is, met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van de datum van het bewezen verklaarde.

Het hof ziet tevens aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Beslag

Ter zake de in beslag genomen en nog niet terug gegeven voorwerpen, zal het hof beslissen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    2 stuks kleding, te weten een broek en een t-shirt

  • -

    1 paar schoenen

  • -

    1 mobiele telefoon, merk: HTC, kleur: wit

  • -

    1 sleutelbos.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande van het slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.382,37 (duizend driehonderdtweeëntachtig euro en zevenendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de [nabestaande van het slachtoffer] een bedrag te betalen van € 1.382,37 (duizend driehonderdtweeëntachtig euro en zevenendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 24 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.