Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1811

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
20-002866-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor oplichting. Veroordeling voor mishandeling van echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002866-13

Uitspraak : 6 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 2 september 2013 in de strafzaak met parketnummer 04-850326-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte

vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde (verduistering) en is hij

veroordeeld ter zake van - kort gezegd – mishandeling (feit 1) en oplichting (feit 2) tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënvijftig dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts heeft de eerste rechter beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is in hoger beroep niet meer aan de orde, nu verdachte voor het desbetreffende feit in eerste aanleg is vrijgesproken en dit feit in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tweeënvijftig dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzonder voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens verdachte is ten aanzien van feit 1 toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepleit en ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit, met niet-ontvankelijk verklaring c.q. afwijzing van de (vordering van de) benadeelde partij. Indien het hof tot een bewezenverklaring komt van feit 2 heeft de verdediging zich aangesloten bij de eis van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 23 augustus 2011 in de gemeente Weert opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] aan de haren heeft getrokken en/of de slang van een sondevoeding uit de neus heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij in of omstreeks de periode van 19 april 2011 tot en met 21 april 2011 in de gemeente Weert met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van een personenauto (kenteken [kenteken], merk BMW), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich ten opzichte van die [slachtoffer 2] heeft voorgedaan als bona fide koper van een personenauto (kenteken [kenteken], merk BMW) en/of tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij een personenauto (kenteken [kenteken], merk BMW) (ter waarde van euro 2700,--) wilde kopen, dat hij krap bij kas zat en die auto niet meteen kon betalen, dat hij op 10 mei 2011 euro 500,-- zou betalen en het restant voor 1 juni 2011 zou betalen, waardoor [slachtoffer 2], voornoemd, en of [slachtoffer 3] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 2

Van strafbare oplichting is volgens artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht pas sprake indien de dader gebruik maakt van een of meer in deze bepaling genoemde oplichtingsmiddelen: het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, het gebruik maken van listige kunstgrepen en het gebruik maken van een samenweefsel van verdichtsels.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde oplichting.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt slechts dat verdachte in de ten laste gelegde periode een BMW heeft gekocht waarvan de prijs € 2700,-- bedroeg en dat verdachte deze op 21 april 2011 geleverd heeft gekregen onder de voorwaarde om op 10 mei 2011 een betaling te doen van € 500,-- en het restant voor 1 juni 2011. Verdachte is met betaling in gebreke gebleven, ondanks voortdurend aandringen door [slachtoffer 2], maar heeft de auto niet teruggegeven aan [slachtoffer 2].

Er is geen bewijs dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bewogen tot afgifte van die BMW door gebruik te maken van een van de in de wet (en in de tenlastelegging) genoemde oplichtingsmiddelen. In dit verband overweegt het hof dat het enkele zich voordoen als bona fide koper niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid. Bovendien acht het hof niet bewezen dat verdachte zich leugenachtig heeft voorgedaan als bona fide koper. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat volgens afspraak met de verkoper, de verdachte bij de koop een overschrijvingsbewijs van een hem toebehorende vrachtauto als onderpand heeft achtergelaten, de verkoper de reservesleutel en kentekenbewijs deel III onder zich hield en dat verdachte op 11 mei 2011 is teruggekeerd naar aangever om een aanbetaling van € 350,- euro te doen.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de verdachte vrijspreken van dit feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 23 augustus 2011 in de gemeente Weert opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] aan de haren heeft getrokken en de slang van een sondevoeding uit de neus heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit acht het hof geen termen aanwezig om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, zoals verzocht door de verdediging.

Verdachte heeft in dronken toestand zijn zieke echtgenote met kracht aan de haren getrokken en de slang van de sondevoeding uit haar neus getrokken, waardoor zij pijn en letsel heeft opgelopen. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Dat verdachte een zijn echtgenote zich inmiddels (weer) hebben verzoend, doet aan de grofheid en de strafwaardigheid van het handelen van verdachte niet af.

Verdachte is eerder veroordeeld ter zake van mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote gepleegd op 23 juli 2009 én op 22 juli 2009 (vonnis politierechter Roermond 2 november 2009).

Het hof acht een gevangenisstraf van zes weken met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.225,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering niet worden ontvangen. Het hof zal de proceskosten compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. T. Kooijmans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,

en op 6 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. T. Kooijmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.