Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:180

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
HD 200.127.117_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot voortzetting huur op de voet van artikel 7:268 lid 2 BW. Duurzame gemeenschappelijke huishouding?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.127.117/01

arrest van 28 januari 2014

in de zaak van

Vereniging met rechtspersoonlijkheid Bouwvereniging Huis & Erf,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.L.W. Weerts te ’s-Hertogenbosch,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.G. van Heertum te Veghel,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, sector kanton, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 28 februari 2013 tussen appellante – hierna Huis & Erf – als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie, en geïntimeerde – hierna [geïntimeerde] – als eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 839163/12-6257)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met een productie;

- de akte uitlating productie van Huis & Erf van 1 oktober 2013, en

- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 29 oktober 2013.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het hof gaat uit van de navolgende vaststaande feiten.

4.1.1.

Huis & Erf verhuurde met ingang van 22 juni 1977 aan de ouders van [geïntimeerde] de woning gelegen aan de [pand] te [plaats]. [geïntimeerde] heeft de ouderlijke woning verlaten op 14 november 2002. Hij heeft vanaf toen ongeveer 7 jaar zelfstandig gewoond.

4.1.2.

[geïntimeerde] is in 2009 weer naar de ouderlijke woning aan de [A-straat] teruggekeerd met als reden (in ieder geval onder meer) het verzorgen van zijn moeder in verband met haar suikerziekte. Hij was toen 28 jaar oud. De vader van [geïntimeerde] was toen reeds geruime tijd eerder overleden. Vanaf 2009 is hij onafgebroken in de woning blijven wonen.

4.1.3.

[geïntimeerde] stond vanaf 9 december 2009 als woningzoekende bij Huis & Erf ingeschreven. Hij heeft sindsdien jaarlijks zijn inschrijving als woningzoekende verlengd.

4.1.4.

[geïntimeerde] is nimmer medehuurder geworden. Zijn moeder, huurster van de woning, is overleden op 4 januari 2012.

4.1.5.

[geïntimeerde] is na het overlijden van zijn moeder diverse malen door Huis & Erf aangeschreven dat hij niet in de woning kan blijven wonen en de woning uiterlijk op 31 juli 2012 diende te verlaten.

4.2.

[geïntimeerde] vordert in conventie een verklaring voor recht dat de huur van de woning aan de [pand] te [plaats] op grond van artikel 7:268 lid 2 BW door hem wordt voortgezet, met veroordeling van Huis & Erf in de kosten van de procedure.

Hij stelt daartoe, samengevat, dat hij nadat hij in 2009 bij zijn moeder was ingetrokken een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar heeft gevoerd. In voorwaardelijke reconventie vordert Huis & Erf kort gezegd een verklaring voor recht dat geen sprake is van een huurrelatie/huurovereenkomst tussen Huis & Erf en [geïntimeerde] alsmede de ontruiming en schone oplevering van het gehuurde door [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom.

4.3.

De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Aan de reconventionele vorderingen is de kantonrechter vanwege het voorwaardelijke karakter ervan niet toegekomen.

4.4.

Stellende dat er geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestrijdt Huis & Erf het vonnis van de kantonrechter met twaalf grieven, die het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorleggen en zich lenen voor gezamenlijke behandeling.

4.5.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of [geïntimeerde] voldoet aan de voorwaarden die artikel 7:268 lid 2 BW stelt aan de voortzetting van de huur door de ‘samenwoner’ die geen medehuurder is in geval van overlijden van de huurder, en meer in het bijzonder of [geïntimeerde] een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder heeft gevoerd zoals genoemde bepaling vereist. In hoger beroep is niet bestreden het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] zijn vordering met het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 3 juli 2012 tijdig, want binnen zes maanden na het overlijden van zijn moeder op 4 januari van dat jaar, heeft ingesteld. Evenmin is bestreden het oordeel dat [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf in de woning heeft.

Gemeenschappelijke huishouding

4.6.

Ter beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding in de zin van (artikel 7:267 lid 1 en) artikel 7:268 lid 2 BW dienen alle omstandigheden van het geval in onderling verband te worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn dat de huurder en die andere persoon gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, alsmede dat die andere persoon de verzorging van de huurder duurzaam op zich heeft genomen (vgl. HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0838). Het ligt op de weg van de beoogde huurder om, bij betwisting door de verhuurder dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, voldoende concrete feiten omtrent de gestelde gemeenschappelijke huishouding aan te voeren (vgl. HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901 en HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932).

4.7.

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder in eerste aanleg aangevoerd dat tijdens de samenwoning de kosten van de huishouding werden gedeeld. Hij heeft in dat verband gesteld dat hij de boodschappen, het witgoed en veel van de rekeningen betaalde. Voorts heeft hij gesteld dat hij en zijn moeder samen aten, samen leefden en samen veel dagelijkse dingen deden.

Huis & Erf heeft de gemeenschappelijkheid van de huishouding betwist. Zij heeft daartoe in hoger beroep aangevoerd, samengevat, dat [geïntimeerde] niet heeft gesteld of gespecificeerd waarin zijn bijdrage in de kosten van de huishouding precies bestond en wat de omvang daarvan was. Huis & Erf heeft erop gewezen dat de huur- en de energiekosten door de moeder van [geïntimeerde] werden voldaan. Ten aanzien van het door [geïntimeerde] gestelde samenleven heeft Huis & Erf erop gewezen dat [geïntimeerde] een eigen leven leidde, dat hij overdag werkte en dat hij een vriendin had. Voorts heeft Huis & Erf aangevoerd dat uit niets blijkt dat er een noodzaak was om de moeder van [geïntimeerde], die suikerziekte had, te verzorgen en evenmin dat die verzorging daadwerkelijk plaatsvond.

4.8.

Het hof constateert dat [geïntimeerde] zijn stellingen ten aanzien van het gemeenschappelijke karakter van de huishouding in hoger beroep niet nader heeft toegelicht.

Met betrekking tot de kosten van de huishouding heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord volstaan met de overlegging van enige rekeningafschriften waaruit blijkt van pinbetalingen bij supermarkten. Deze stukken zijn onvoldoende om aan te nemen dat de kosten van de huishouding werden gedeeld. [geïntimeerde] heeft nagelaten inzicht te geven in de omvang van zijn bijdrage in de kosten, in het bijzonder heeft hij zijn stelling dat hij “het witgoed en veel van de rekeningen” betaalde niet toegelicht of onderbouwd. Niet is gesteld of gebleken om welke (verdere) rekeningen het daarbij ging. Dit klemt te meer nu [geïntimeerde] niet heeft weersproken de stelling van Huis & Erf dat de moeder van [geïntimeerde] de huur en de energiekosten betaalde en [geïntimeerde] in zijn antwoordakte voorts niet heeft gereageerd op de stelling van Huis & Erf (in haar akte houdende uitlating productie) dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken volgt dat [geïntimeerde] geen andere kosten, zoals waterkosten en gemeentelijke belastingen, betaalde die duidelijk zien op een gemeenschappelijke huishouding.

Met betrekking tot het samenleven is door [geïntimeerde] niet toegelicht waarin het samenleven en het samen doen van “veel dagelijkse dingen”, anders dan het gezamenlijk eten, precies bestond. De enkele stelling dat de woning geen gescheiden leven mogelijk maakte (cvr onder 12), is niet voldoende om het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding te kunnen aannemen. Door [geïntimeerde] is niet betwist dat hij overdag werkte en dat hij een vriendin had. Voorts heeft hij zijn stelling dat zijn moeder verzorging nodig had niet toegelicht. Niet is door hem gesteld waarin die verzorging precies bestond en in welke mate zijn moeder voor haar verzorging van hem afhankelijk was.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde], gelet op de gemotiveerde betwisting door Huis & Erf, niet heeft voldaan aan de op hem rustende (verzwaarde) stelplicht ten aanzien van de gemeenschappelijkheid van de huishouding. De vordering van [geïntimeerde] kan reeds om deze reden niet worden toegewezen. Het hof overweegt volledigheidshalve nog als volgt.

Duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding

4.10.

De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur die de gemeenschappelijke huishouding reeds kent, en subjectieve, zoals de bedoeling van de betrokkenen. De enkele omstandigheid dat een gemeenschappelijke huishouding van twee personen als gevolg van de leeftijd of gezondheidstoestand van een hunner naar verwachting niet langdurig zal zijn, staat niet eraan in de weg dat geoordeeld wordt dat die huishouding een duurzaam karakter heeft. Ten aanzien van de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding geldt geen verzwaarde stelplicht. (vgl. HR 10 maart 2006, genoemd hiervoor in 4.6).

4.11.

Het hof stelt voorop dat naar de stand van de rechtspraak bij ouders en inwonende kinderen in beginsel geen sprake is van een duurzame, maar juist van een aflopende gemeenschappelijke huishouding, doch dat dit onder meer anders kan zijn bij ‘terugkeerders’: volwassen kinderen die na hun jeugd uit huis zijn gegaan en zelfstandig hebben gewoond, maar op een gegeven moment bij hun ouders of een overgebleven ouder intrekken (vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage 16 oktober 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:

BY0802). In het onderhavige geval is sprake van een dergelijke ‘terugkeersituatie’, immers uit de hiervoor in 4.1 weergegeven feiten volgt dat [geïntimeerde] na ruim 7 jaar zelfstandig te hebben gewoond naar zijn moeder in het ouderlijk huis is teruggekeerd. Het hof is echter van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat het samenwonen met zijn moeder een duurzaam karakter had. Het hof acht daartoe van belang dat [geïntimeerde] bij Huis & Erf sinds december 2009 staat ingeschreven als woningzoekende en dat hij jaarlijks zijn inschrijving heeft verlengd. Voor deze inschrijving heeft [geïntimeerde] geen andere verklaring gegeven dan dat hem is medegedeeld dat hij zich moest inschrijven en dat hij daaraan gehoor heeft gegeven (cvr onder 10, mva onder 19). Waarom hij zich volgens Huis & Erf moest inschrijven en waarom hij zijn inschrijving vervolgens ook jaarlijks heeft verlengd, is door [geïntimeerde] niet toegelicht. Dat het verlengen van de inschrijving geen enkele moeite kostte en plaatsvond door middel van het reageren op een mailtje van Huis & Erf (vgl. mva onder 25), laat onverlet dat [geïntimeerde] zelf ieder jaar ervoor koos om zijn inschrijving te laten voortduren en zodoende, zoals hij stelt, woonjaren opbouwde. De herhaalde verlenging van zijn inschrijving verdraagt zich niet zonder meer met een duurzaam karakter van de terugkeer van [geïntimeerde] naar zijn moeder. Van belang voor de beoordeling van de duurzaamheid van de samenwoning is welke bedoeling betrokkenen voor de toekomst hadden. Zoals hiervoor in 4.8 reeds aan de orde kwam, heeft [geïntimeerde] geen toelichting gegeven op hetgeen het samenwonen en de in dat verband gestelde verzorging van zijn moeder precies inhielden. Aan de inhoud van het feitelijk samenwonen kunnen dan ook geen feiten of omstandigheden worden ontleend waaruit de bedoeling van [geïntimeerde] en zijn moeder kan worden afgeleid. Gelet voorts op de nog jonge leeftijd van [geïntimeerde] op het moment dat hij naar zijn moeder terugkeerde en de, in verhouding tot de tijd dat [geïntimeerde] voordien zelfstandig had gewoond, betrekkelijk korte duur van de inwoning bij zijn moeder (ongeveer 2,5 jaar, zoals volgt uit de onweersproken stellingen van [geïntimeerde], cvr onder 3) heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van het samenwonen.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld welke, indien bewezen, kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De vordering van [geïntimeerde] kan ook om deze reden niet worden toegewezen.

4.13.

De grieven van Huis & Erf slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] zal alsnog worden afgewezen. De voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld, zijn vervuld. De door Huis & Erf gevorderde ontruiming en schone oplevering, welke laatste vordering niet afzonderlijk door [geïntimeerde] is bestreden, zullen alsnog worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft (in eerste aanleg) een langere ontruimingstermijn (twee maanden) verzocht. Huis & Erf heeft (de redelijkheid van) deze langere termijn niet bestreden. Het hof zal de ontruiming en schone oplevering met de gevorderde dwangsom, waartegen [geïntimeerde] zich niet heeft verweerd, toewijzen en de datum van ontruiming en schone oplevering vaststellen op een termijn van twee maanden na betekening van dit arrest. Het hof zal de dwangsom maximeren op een bedrag van € 10.000,--. Het hof zal voorts de door Huis & Erf gevorderde verklaring voor recht, die evenmin door [geïntimeerde] is bestreden, toewijzen. Anders dan Huis & Erf heeft gevorderd, zal het hof zijn arrest niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, nu geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die grond geven om van het uitgangspunt van artikel 7:268 lid 2 BW af te wijken.

4.14.

Nu [geïntimeerde] – zie r.o. 4.9 en 4.12 – zowel ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding als ten aanzien van de duurzaamheid van de beoogde samenleving onvoldoende concrete en voor bewijs vatbare feiten heeft gesteld, komt het hof aan bewijslevering niet toe, zodat het aan het door [geïntimeerde] gedane bewijsaanbod voorbijgaat. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de beide instanties en de gevorderde wettelijk rente toewijzen vanaf veertien dagen na heden.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 28 februari 2013 waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

in reconventie:

verklaart voor recht dat geen sprake is van een huurrelatie c.q. huurovereenkomst tussen Huis & Erf en [geïntimeerde] betreffende de woning staande en gelegen aan de [pand] te [plaats];

veroordeelt [geïntimeerde] de woning aan de [pand] te [plaats] binnen twee maanden na betekening van dit arrest te verlaten en verlaten te houden met medeneming van al het zijne en de zijnen en schoon op te leveren conform de opleverregels van Huis & Erf, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,--;

in conventie en reconventie:

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Huis & Erf worden begroot op nihil aan verschotten en op € 180,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg, en op € 777,45 aan verschotten en op € 1.341,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van de voldoening,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, M. van Ham en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2014.