Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1780

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
HD 200.037.556_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:3057
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervolg op tussenarrest 16 juli 2013, faillissement en bestuurdersaansprakelijkheid, primaire vordering ex art. 2:248 BW afgewezen, subsidiaire vordering ex art. 6:162 BW gedeeltelijk toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 248
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.037.556/01

arrest van 17 juni 2014

in de zaak van

mr. Leonard Jozef Marie Luchtman,

kantoorhoudende te [kantoorplaats],
in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [Optiek] Optiek B.V.,
[IT Components] IT Components B.V. en Optiland B.V,

appellant,

advocaat: mr. B.J.M.P. Cremers te Breda,

tegen

1 [de man],

wonende te [woonplaats] (België),

2. [Beheer] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. Rentec B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mrs. Y. Borrius en V.G.T. van Emstede te Amsterdam,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 12 april 2011 en 16 juli 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 173251/HaZa 07-616 gewezen vonnis van 25 maart 2009.

9 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 16 juli 2013;

- de akte na tussenarrest (met twee producties) van de curator;

- de antwoordakte na tussenarrest (met twee producties) van [geïntimeerden c.s.] .

Hierna is opnieuw arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

10.1.1. Het tussenarrest van 16 juli 2013 bevat enkele (typ)fouten die het hof hierbij wil herstellen:

- in r.o. 7.3.1 moet na ‘oordeel’ worden toegevoegd ‘van het hof’;

- in r.o. 7.5.2 moet in de eerste zin na ‘bestuurders’ het woord ‘verweten’ worden toegevoegd;

- in r.o. 7.5.2 onder f (p.8 bovenaan) moet vóór het bedrag 70.483,95 een €-teken worden geplaatst;

- in r.o. 7.5.5 is ten aanzien van de voorraad vermeld dat de voorraad zou zijn betaald aan Verenigde Talenten B.V. Dit moet zijn [SS&G], gevestigd te [vestigingsplaats], waarvan voorzitter, secretaris en penningmeester is de heer [voorzitter, secretaris en penningmeester van SS&G];

- het dictum moet worden voorafgegaan door het nummer ‘8’ i.p.v. ‘5’.

10.1.2. [geïntimeerden c.s.] hebben in hun akte na het tussenarrest opgemerkt dat, anders dan in r.o. 7.1.1 onder l. vermeld, de brief van 21 september 2004 - waarbij cheque voor een bedrag van € 45.278,15 aan dr. [dr.] werd geretourneerd met het verzoek het bedrag over te maken op de rekening van Optiland (nieuw) – was gesteld op briefpapier van Optiland (nieuw) en niet op briefpapier van Optiland (oud). Dit betekent wel dat r.o. 7.5.7 van het tussenarrest bijstelling behoeft maar doet verder aan het in r.o. 7.5.7 gegeven oordeel niet af. Feit blijft dat [geïntimeerde 1] en [Beheer] Beheer als voormalige (indirect) bestuurders van Optiland (oud) (later [Optiek] Optiek) die cheque ten behoeve van Optiland (oud)/ [Optiek] Optiek hadden behoren te innen of doen innen en dat zij daarmee in gebreke zijn gebleven. In plaats daarvan heeft [geïntimeerde 1] bewerkstelligd dat die gelden werden betaald aan Optiland (nieuw).

De omstandigheid dat het bedrag later (na de kort geding procedures daarover) alsnog aan de curator is afgedragen, doet aan voormeld oordeel niet af.

10.1.3. Bij het tussenarrest van 16 juli 2013 heeft het hof in r.o. 7.5.5 van een aantal handelingen van [geïntimeerden c.s.] – waaronder voormeld handelen in verband met de cheque van dr. [dr.] - geoordeeld dat deze duidden op kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof heeft de curator in de gelegenheid gesteld om de bevindingen van het door de curator aan BDO Investigations B.V (verder: BDO) opgedragen onderzoek naar de mogelijke oorzaken van de faillissementen in het geding te brengen. Dit in verband met de stelling van de curator dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van de faillissementen is geweest en [geïntimeerden c.s.] als (in)direct en/of feitelijk bestuurders daarom op grond van art. 2:248 lid 1 BW hoofdelijk jegens de boedels aansprakelijk moeten worden gehouden voor de tekorten in de faillissementen.

10.2.1. De curator heeft vervolgens het rapport d.d. 31 oktober 2013 van BDO inzake het aan BDO opgedragen onderzoek overgelegd. In deze rapportage heeft BDO te kennen gegeven dat zij over de mogelijke oorzaak van het faillissement van Optiland (nieuw) geen uitspraak kan doen. Als twee belangrijke mogelijke oorzaken voor de faillissementen van [IT Components] IT Components (voorheen Optiland IT Components) en [Optiek] Optiek (voorheen Optiland (oud)) noemt BDO de verlieslatendheid van de handelsactiviteiten en het niet hebben kunnen aantrekken van (nieuwe) financieringsbronnen (rapport 9.3 Resumé).

BDO vermeldt onder meer een terugloop in de bruto-marge vanaf 2002, het ontbreken van eigen middelen en een hoge mate van afhankelijkheid van externe financiering. BDO noemt verder als mogelijke (indirecte) oorzaken een impact van het verscherpte toezicht van de belastingdienst op het vergroten van de omzetvolumes en een ineffectieve beheersing van valutarisico’s.

10.2.2. Naar het oordeel van het hof kan het rapport van BDO niet (voldoende) bijdragen tot bewijs van de stelling van de curator dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van de faillissementen is geweest. Het rapport van BDO werpt geen ander licht op het in het tussenarrest van 16 juli 2013 in r.o. 7.5.4 al uitgesproken oordeel van het hof dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de opzegging van het krediet door NMB [NMB] is veroorzaakt door kennelijk onbehoorlijk bestuur van [Beheer] Beheer en/of [geïntimeerde 1]. Het hof deelt voor wat betreft de in het tussenarrest als onbehoorlijk aangemerkte bestuurshandelingen het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.34 van het beroepen vonnis dat de daarmee gemoeide bedragen in relatie tot de tekorten in de faillissementen niet zodanig zijn dat deze op zichzelf tot de conclusie kunnen leiden dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van de tekorten in de faillissementen (van [Optiek] Optiek en [IT Components] IT Components) zijn geweest.

10.2.3. In de akte na het tussenarrest betoogt de curator thans dat ten gevolge van het door [geïntimeerden c.s.] niet tijdig verstrekken van informatie aan NMB [NMB] de kredietverstrekking door NMB [NMB] niet eerder is stopgezet, waardoor het niet al eerder tot faillissementen is gekomen en de tekorten zijn toegenomen. Het hof acht deze nieuwe - en in tegenspraak met zijn eerdere verwijt zijnde - aantijging van de curator tardief en gaat daaraan om die reden voorbij. Dat geldt eveneens voor de door de curator aangevoerde grond dat het door BDO gesignaleerde onvermogen van de (indirect) bestuurders om de kostenstructuur van [Optiek] Optiek (Optiland (oud)) te verlagen - dat volgens BDO (mogelijk) gezien kan worden als een belangrijke oorzaak van het faillissement van [Optiek] Optiek (voorheen Optiland (oud)) (rapport p. 96) – als kennelijk onbehoorlijk bestuur dient te worden aangemerkt. Bovendien biedt de rapportage van BDO ten aanzien van deze mogelijke oorzaak van het faillissement onvoldoende grond voor de conclusie dat het zou gaan om een zodanig onvermogen dat dit als kennelijk onbehoorlijk bestuur zou moeten worden bestempeld. Datzelfde geldt voor de door de curator in de akte na het tussenarrest genoemde ineffectieve beheersing van valutarisico’s, waarvan BDO bovendien niet meer stelt dat dat deze mogelijk (indirect) heeft bijgedragen tot het faillissement.

10.2.4. Het voorgaande betekent dat geen van de grieven doel treft voor zover de grieven zijn gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de thans primaire vorderingen van de curator.

10.3.1. Daarmee resteren ter beoordeling de subsidiaire vorderingen van de curator (in het faillissement van [IT Components] IT Components, voordien Optiland IT Components) tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden c.s.] tot betaling van de bedragen van € 70.483,05 en $ 137.000,= (het hof beschouwt het door de curator in de inleidende dagvaarding in hoger beroep genoemde bedrag van $ 136.000,= als een kennelijke typfout) tegen de koers van 28 september 2004, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding c.q. 6 maart 2007.

10.3.2. Aan deze vorderingen legt de curator ten grondslag dat de (indirect) bestuurders van Optiland IT Components deze gelden aan Optiland IT Components/ [IT Components] IT Components hebben onttrokken/onthouden en aan zichzelf dan wel met hen gelieerde vennootschappen ten goede hebben doen komen op een moment dat zij wisten dat Optiland IT Components geen bestaansrecht meer had, zulks ten nadele van de gezamenlijke crediteuren van Optiland IT Components, later [IT Components] IT Components. De curator stelt dat dit de (indirect) bestuurders [geïntimeerde 1] en [Beheer] Beheer persoonlijk als onrechtmatig handelen moet worden verweten jegens de gezamenlijke crediteuren van Optiland IT Components, later [IT Components] IT Components en dat Rentec, de eenmansvennootschap van [geïntimeerde 1] waaraan het bedrag van $ 137.000,= is overgemaakt en die de voorraad heeft verkregen, het medeplegen van dat onrechtmatig handelen valt te verwijten. De curator acht de overmaking van het bedrag van $ 137.000,= aan Rentec voorts paulianeus en vernietigbaar.

De overmaking van het bedrag van in totaal $ 137.000,= ($ 120.000,= op 16 juli 2004 en $ 17.000,= 20 juli 2004) aan Rentec

10.3.3. In r.o. 7.5.6 van het tussenarrest van 16 juli 2013 heeft het hof in het kader van de primaire vordering van de curator al overwogen dat [Beheer] Beheer en [geïntimeerde 1] van die overboeking persoonlijk een ernstig verwijt moet worden gemaakt. [geïntimeerden c.s.] hebben voor de overmaking van voormelde bedragen van de US $-rekening van Optiland IT Components bij de Deutsche Bank aan Rentec geen rechtsgrond aangevoerd. In de antwoordakte na het tussenarrest voeren [geïntimeerden c.s.] aan dat de overgemaakte gelden ten behoeve van Optiland IT Components zijn aangewend. Zij stellen voorts dat de vraag of Rentec al dan niet een vordering had op Optiland IT Components niet relevant is, aangezien in elk geval [Beheer] Beheer een dergelijke vordering had en een pandrecht op grond waarvan zij de gelden kon laten overmaken aan Rentec. [geïntimeerden c.s.] verwijzen voor de vordering van [Beheer] Beheer naar de overnamebalans van Optiland IT Components.

10.3.4. Voor wat betreft het laatste overweegt het hof dat uit het feit dat de gestelde vordering van [Beheer] Beheer in de overnamebalans is opgenomen niet anders kan worden geconcludeerd dan dat vóór de overdracht van de aandelen in Optiland IT Components aan Stichting [Stichting] ([voorzitter, secretaris en penningmeester van SS&G]) geen betaling op die gestelde vordering heeft plaatsgevonden en dat de overboeking aan Rentec niet ter voldoening van enige vordering van [Beheer] Beheer is gedaan. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden c.s.] evenmin aannemelijk gemaakt dat de gelden aan Rentec zijn overgemaakt teneinde daaruit crediteuren van Optiland IT Components te voldoen c.q. dat met die gelden crediteuren van Optiland IT Components zijn voldaan. [geïntimeerden c.s.] hebben de gemotiveerde uiteenzetting van de curator over de door Rentec met de ontvangen bedragen gedane betalingen (mem.v.grieven 3.6) niet (gemotiveerd) betwist. Naar het oordeel van het hof blijkt uit die betalingen niet, althans onvoldoende van de voldoening van schulden van Optiland IT Components en al helemaal niet van het bestaan van schulden van Optiland IT Components waarvan in de situatie waarin laatstgenoemde vennootschap verkeerde betaling met voorrang van andere crediteuren van die vennootschap gerechtvaardigd was. Het hof merkt in dit verband op dat de bemiddelingskosten voor de verkoop en overdracht van de aandelen (waarmee een bedrag van € 18.450,= gemoeid was) een aangelegenheid waren van de aandeelhouder van Optiland IT Components (of de nieuwe aandeelhouder van [IT Components] IT Components) en niet van Optiland IT Components. Voor de aanvulling van de negatieve banksaldi van [Beheer] Beheer, de kosten van KPMG en de betaling voor de voorraad Optiland valt evenmin in te zien dat het zou gaan om betalingen waartoe Optiland IT Components gehouden was.

10.3.5. Op grond van het voorgaande verwerpt het hof het verweer van [geïntimeerden c.s.] tegen de door de curator gestelde onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerden c.s.] Het hof acht de subsidiaire vordering van de curator tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden c.s.] van de door de boedel/ gezamenlijke crediteuren van [IT Components] IT Components (voordien Optiland IT Components) door de overmaking van het bedrag van $ 137.000,= geleden schade toewijsbaar. Het hof zal die vordering toewijzen als door de curator geformuleerd ($ 137.000,= tegen de koers van 28 september 2004) en door [geïntimeerden c.s.] op dat punt niet weersproken. Ook voor de door de curator gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen nu die rente in beginsel toewijsbaar is vanaf het moment van onrechtmatig handelen en de door de curator gevorderde rente vanaf 6 maart 2007 aan die maatstaf voldoet.

10.3.6. In de antwoordakte na het tussenarrest hebben [geïntimeerden c.s.] zich nog beroepen op onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in r.o. 7.5.5 dat [Beheer] Beheer en [geïntimeerde 1] als (indirect) bestuurders van Optiland IT Components onbehoorlijk handelen moet worden verweten doordat zij de vennootschappen hebben afgestoten. Die onbegrijpelijkheid vloeit, naar het hof veronderstelt, voort uit het feit dat [geïntimeerden c.s.] het desbetreffende oordeel van het hof onvolledig weergeven. Het hof verwijt [geïntimeerden c.s.] niet het afstoten van de vennootschappen maar het afstoten van de vennootschappen met daarin nagenoeg uitsluitend de daarin aanwezige schulden en verplichtingen en met behoud voor de andere vennootschappen wat voor de voortzetting van de bedrijfsvoering van nut kon zijn. Die wijze van afstoten doet de stelling van [geïntimeerden c.s.], dat (zij mochten aannemen dat) de Stichting [Stichting] - die volgens [geïntimeerden c.s.] de vennootschappen uitsluitend heeft overgenomen vanwege de daarin aanwezige compensabele verliezen - een regeling met de crediteuren zou treffen, volstrekt onaannemelijk zijn. Door [geïntimeerden c.s.] is niets aangevoerd op grond waarvan zij zouden mogen verwachten dat de Stichting [Stichting] tot een regeling met de crediteuren zou kunnen komen. Zij hebben niets gesteld omtrent concrete afspraken die zij daarover met de Stichting [Stichting] hebben gemaakt noch over de middelen waaruit de Stichting [Stichting] een dergelijke regeling zou kunnen realiseren. [geïntimeerden c.s.] bevestigen in de antwoordakte na het tussenarrest juist dat de financiële toestand van de vennootschappen ten tijde van de verkoop van de aandelen van dien aard was dat het faillissement zou moeten worden aangevraagd (antwoordmemorie 16). De vennootschappen verkeerden derhalve in een toestand dat het de (indirect) bestuurders niet meer vrijstond om de ene crediteur boven de andere te bevoordelen. Enige geloofwaardige reden waarom dit anders zou worden door de verkoop van de aandelen is door [geïntimeerden c.s.] niet gesteld noch anderszins gebleken.

de vordering van € 70.483,95 ter zake de voorraden

10.3.7. Door [geïntimeerden c.s.] is niet betwist dat de in Optiland IT Components aanwezige voorraad nimmer de plaats heeft verlaten waar deze was opgeslagen. De voorraad is blijven liggen waar deze lag ten tijde van de verkoop en levering van de aandelen, in het pand van [geïntimeerde 1] te [vestigingsplaats] waar Optiland IT Components haar bedrijf uitoefende en waar Optiland (nieuw) later eveneens is gevestigd. [geïntimeerden c.s.] stellen in hun antwoord-akte na het tussenarrest wel nadrukkelijk opnieuw dat zij niet de gehele voorraad zouden hebben overgenomen doch zij geven niet aan wat zij dan wel voor het bedrag van € 22.160,45 hebben overgenomen noch wat er met de rest van de op € 70.483,95 gewaardeerde en in het pand van [geïntimeerde 1] aanwezige voorraad is gebeurd. Daarmee acht het hof de betwisting van [geïntimeerden c.s.] dat zij niet de gehele voorraad met de boekwaarde van € 70.483,95 zouden hebben overgenomen en dat zij voor de door hen overgenomen voorraad geen redelijke prijs zouden hebben betaald onvoldoende gemotiveerd. Aan het aanbod tot bewijs van [geïntimeerden c.s.] door het doen vaststellen door een deskundige van de waarde van de door hen overgenomen voorraad komt het hof daarom niet toe.

10.3.8. Het hof acht het aanbod van [geïntimeerden c.s.] om de vijf werknemers onder ede te doen horen over hun verklaring over de bijeenkomst van 20 juli 2004 (prod. 5c inc. memorie 21-12-2010 curator) niet relevant en gaat om die reden aan dat bewijsaanbod voorbij. Ook indien de overname van de voorraad niet al vóór de verkoop en overdracht van de aandelen zou zijn afgesproken, is die zozeer verweven met het (indirect) bestuur van [Beheer] Beheer en [geïntimeerde 1] van Optiland IT Components dat het handelen van [Beheer] Beheer en [geïntimeerde 1] ter zake die overname ook dan als handelen van hen als (voormalig) (indirect) bestuurders van Optiland IT Components (later [IT Components] IT Components) moet worden bestempeld. Het feit dat zij geen bestuurder waren van [IT Components] IT Components staat er niet aan in de weg dat dit handelen hen als (indirect) bestuurders van Optiland IT Components persoonlijk als onrechtmatig kan worden verweten. Voor Rentec geldt dat ook aan haar onrechtmatig handelen kan worden verweten in haar medewerking aan dat handelen, dat volledig door haar enig aandeelhouder en bestuurder [geïntimeerde 1] werd geregisseerd. Overigens gaat het hof ook los van de verklaringen van vorenbedoelde werknemers op grond van de hierna te melden, door [geïntimeerden c.s.] niet of onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden, ervan uit dat ten tijde van de overdracht van de aandelen op 26 juli 2004 voor alle betrokkenen al duidelijk was dat de voorraad bij [geïntimeerden c.s.] zou blijven ten behoeve van de onderneming waarin een bedrijfsvoering als voorheen uitgeoefend in Optiland IT Components zou worden voortgezet. De voorraad is na de overdracht van de aandelen niet daadwerkelijk aan Stichting [Stichting] overgedragen maar in het pand van [geïntimeerde 1] aan de [perceel] te [vestigingsplaats], waar Optiland IT Components haar bedrijf uitoefende, blijven liggen. Stichting [Stichting] had bij de voorraad ook geen enkel belang omdat zij de bedrijfsvoering van Optiland IT Components (na de aandelenoverdracht [IT Components] IT Components) niet zou voortzetten. Dat zou geschieden door Optiland (nieuw), gevestigd op voormeld adres ([perceel] te [vestigingsplaats]), welke vennootschap daartoe al voor de aandelenoverdracht, op 21 juli 2004, was opgericht.

10.3.9. Ten aanzien van de overname van de voorraad is alleen een vordering tot schadevergoeding wegens aan [geïntimeerden c.s.] te verwijten onrechtmatig handelen ingesteld. Nu het hof hiervoor (r.o. 10.3.7) de betwisting van [geïntimeerden c.s.] - dat zij niet de gehele voorraad met de boekwaarde van € 70.483,95 hebben overgenomen - als onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen en [geïntimeerden c.s.] op zichzelf niet (gemotiveerd) hebben betwist dat voormelde boekwaarde een voor de gehele voorraad realistische waarde betrof, zal het hof de schade van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerden c.s.] doordat zij de voorraad hebben overgenomen tegen een aanmerkelijk lagere waarde dan de aan de voorraad toe te kennen waarde, begroten op (afgerond) € 48.000,=. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. De curator heeft wel gesteld dat het onder de vermelding ‘voorraad Optiland’ door Rentec betaalde bedrag van € 22.180,45 gelijk was aan het bedrag dat Optiland IT Components voor juli 2004 nog aan lonen verschuldigd was aan het personeel en welk bedrag door [voorzitter, secretaris en penningmeester van SS&G] aan het personeel zou worden betaald (maar niet is betaald). Hij heeft echter onvoldoende concreet gesteld dat de desbetreffende betaling niet als betaling voor de overname voorraad zou kunnen worden beschouwd. Anderzijds gaat het hof uit van het bedrag van € 70.483,93 als reële overnamewaarde. Zoals het hof in het tussenarrest van 16 juli 2013 in r.o. 7.5.5 al heeft overwogen, valt het aan het bestuur van een onderneming waarvan het voortbestaan wordt bedreigd op zichzelf niet als onbehoorlijk te verwijten dat het een oplossing zoekt in de voortzetting van de activiteiten in een nieuwe vennootschap die voor die activiteiten wel financiering kan verkrijgen. Van het bestuur mag dan echter wel een zorgvuldige liquidatie van de oude vennootschap worden verlangd en een zorgvuldige behartiging van de belangen van de crediteuren van de oude vennootschap. De verkoop van de aandelen van de oude vennootschap is met een dergelijke liquidatie op één lijn te stellen. Naar het oordeel van het hof brengt een dergelijke zorgvuldige afwikkeling met zich dat een overname van voorraden ten behoeve van de voortzetting van de activiteiten in een nieuwe vennootschap plaatsvindt tegen de boekwaarde van die voorraden indien en voor zover die boekwaarde als een reële waarde van de voorraden kan worden beschouwd.

10.4.1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd voor wat betreft de beslissing op de primaire vorderingen van de curator en dat de in hoger beroep onvoorwaardelijk ingestelde subsidiaire vordering van de curator zal toegewezen voor wat betreft de vordering van $ 137.000,=, althans de tegenwaarde daarvan in euro’s tegen de koers van 28 september 2004, en tot een bedrag van € 48.000,= voor wat betreft de vordering van het bedrag van € 70.483,95 in hoofdsom, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2007.

10.4.2. Het vonnis waarvan beroep zal ook voor het overige worden bekrachtigd nu de toewijzing van de in hoger beroep onvoorwaardelijk ingestelde subsidiaire vorderingen onverlet laat dat de curator als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg dient te worden aangemerkt. De kosten van het hoger beroep (met inbegrip van die van het incident in hoger beroep) zullen, nu partijen daarin over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, in die zin tussen partijen worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

11 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met betrekking tot de in eerste aanleg ingestelde primaire vorderingen,

en ten aanzien van de in hoger beroep onvoorwaardelijk ingestelde subsidiaire vorderingen:

veroordeelt [geïntimeerden c.s.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de curator (in diens hoedanigheid van curator in het faillissement van [IT Components] IT Components) een bedrag van US $ 137.000,= tegen de koers van 28 september 2004, en een bedrag van € 48.000,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 6 maart 2007;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juni 2014.