Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1777

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
HD 200.134.847_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 339 lid 5 Rv. Verzoek oproeping in vrijwaring in hoger beroep afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 339
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.847/01

arrest van 17 juni 2014

gewezen in het incident in de zaak van

[bouwmaterialen] Bouwmaterialen B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. C.J. Peeters te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 september 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 14 augustus 2013 tussen appellante - [appellante] - als eiseres in de hoofdzaak en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in de hoofdzaak.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 356997 CV EXPL 12-5617)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede het vonnis in incident tot oproeping in vrijwaring van 29 januari 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord tevens memorie in het incident met producties;

- de antwoordmemorie in het incident.

Het hof heeft arrest bepaald in het incident.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

De incidentele vordering strekt tot oproeping in vrijwaring van Allianz Nederland Schadeverzekeringen N.V., HDI-Gerling Verzekeringen N.V. en Stichting Bouwgarant (hierna: de verzekeraars). [appellante] refereert zich wat betreft de incidentele vordering aan het oordeel van het hof.

3.2.

Uit de overgelegde processtukken blijkt dat:

- de rechtbank bij vonnis in het incident van 29 januari 2013 [geïntimeerde] heeft toegestaan om de verzekeraars in vrijwaring op te roepen;

- [geïntimeerde] de verzekeraars in vrijwaring heeft doen dagvaarden;

- de vrijwaringsprocedure bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer/ rolnummer 366532/HA ZA 13-808;

- de rechtbank bij het bestreden vonnis van 14 augustus 2013 in de hoofdzaak de vordering van [appellante] heeft afgewezen;

- de rechtbank bij datzelfde vonnis de vordering van [geïntimeerde] in de vrijwaringszaak heeft afgewezen op grond van de afwijzing in de hoofdzaak.

3.3.

Artikel 339 lid 5 Rv bepaalt dat indien in eerste aanleg een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, het hoger beroep daartegen openstaat tot het moment dat in de hoofdzaak in hoger beroep de conclusie van antwoord wordt genomen. Gelet op de in de vrijwaringsprocedure gegeven afwijzingsgrond, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] op grond van voornoemde bepaling in hoger beroep kon komen van het vonnis in de vrijwaringszaak, hetgeen hij overigens ook heeft gedaan; de vrijwaringsprocedure is bij dit hof bekend onder zaaknummer HD 200.141.510/01, maar op verzoek van [geïntimeerde] geroyeerd. De vordering van [geïntimeerde] tot oproeping in vrijwaring van de verzekeraars wordt om die reden afgewezen.

3.4.

[geïntimeerde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het incident.

In de hoofdzaak

3.5.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [appellante] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 632,00 aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2014 voor beraad partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juni 2014.