Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1774

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
20-004319-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedreigd zijn ex-vriendin zwaar te mishandelen in haar woning in Veldhoven. Veroordeling tot 3 weken gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004319-09

Uitspraak : 17 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 november 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-825274-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd –:

  • -

    bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling (feit 1) en

  • -

    poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade (feit 2 primair),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden verbonden.

De rechtbank heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van de benadeelde partijen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in de door hem ingediende vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij medegedeeld dat hij zijn vordering in hoger beroep niet handhaaft. Deze vordering is dan ook niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en 2 primair (impliciet) ten laste gelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer 1] zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren, met aan de voorwaardelijke straf verbonden de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden;

  • -

    de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] zal toewijzen tot een bedrag van
    € 1.034,47 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal verklaren.

De raadsman heeft:

  • -

    bepleit dat sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging dient te worden verklaard dan wel deze dienen te leiden tot strafvermindering;

  • -

    vrijspraak van het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit;

  • -

    verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    bepleit dat benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, subsidiair de vordering dient te worden afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Daartoe is aangevoerd, zakelijk samengevat:

A.1

Tijdens het verhoor van verdachte d.d. 18 juni 2009 heeft verbalisant [verbalisant 1] of verbalisant [verbalisant 2] aan verdachte voorgehouden dat anderen hebben verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] (het hof: [slachtoffer 2]) bij de keel heeft gepakt (p. 78). Tevens heeft één van de verhorende verbalisanten voorgehouden dat buurtbewoners hebben verklaard dat verdachte heeft gezegd “ik pak je kutwijf”, terwijl [slachtoffer 1] (het hof: [slachtoffer 1]) met het licht aan in haar kamer stond (p. 83). Ondanks herhaaldelijk verzoek van de verdediging zijn de verklaringen van “anderen” en “de buurtbewoners” niet overgelegd. Uit de verklaringen van de verbalisanten bij de raadsheer-commissaris is bovendien gebleken dat verklaringen met een dergelijke strekking niet bestaan. De raadsman heeft betoogd dat door voor te houden dat er belastend bewijs ten opzichte van verdachte lag, terwijl dit bewijs niet bestond, de verbalisanten hebben getracht om verdachte listiglijk te misleiden om een verklaring af te leggen. Door op deze wijze verdachte te horen, is in strijd gehandeld met de instructienorm van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering en in het verlengde daarvan artikel 6 van het EVRM, aldus de raadsman.

A.2

Door de verdediging is verzocht om de in beslag genomen vuisthamer, die is aangetroffen in de woning van [slachtoffer 1], op de aanwezigheid van biologische sporen te onderzoeken, nu wordt vermoed dat verdachte de betreffende hamer had meegenomen, terwijl verdachte zich dat niet meer kan herinneren. Deze hamer bleek echter tijdens de inbeslagname niet behoorlijk te zijn verpakt, waardoor een gedegen sporenonderzoek niet meer mogelijk was. Door op deze wijze te handelen is doelbewust of met grove veronachtzaming tekort gedaan aan de belangen van verdachte, aldus de raadsman.

Ad. A.

Het hof stelt voorop dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering slechts plaats is in geval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ten aanzien van de te onderscheiden verweren overweegt het hof als volgt.

Ad. A.1

Het hof stelt vast dat het ervoor moet worden gehouden dat de gewraakte passages waarnaar de raadsman heeft verwezen onjuist zijn voorgehouden door de verhorende verbalisanten. Immers, uit nader onderzoek is niet gebleken dat er verklaringen van “buurtbewoners” of “anderen” zijn die hebben verklaard zoals de verbalisanten dat tijdens de verhoren hebben voorgehouden. Het hof is van oordeel dat het voorhouden van belastende verklaringen, terwijl deze niet voorhanden zijn, onder omstandigheden een dusdanige (psychische) druk kan opleveren bij een verdachte, dat die verdachte zich daarna niet meer in staat voelt om in vrijheid te verklaren, hetgeen in strijd is met artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (het pressieverbod) en artikel 6 van het EVRM.

Naar het oordeel van het hof is echter niet aannemelijk geworden dat de onjuiste informatie die de verbalisanten hebben verstrekt, noch de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden verdachtes verklaringen hebben beïnvloed, noch dat hij tijdens zijn verklaringen dusdanig druk voelde dat gezegd kan worden dat hij zijn verklaring niet in vrijheid heeft kunnen afleggen. Verdachte heeft zijn verklaring bij de politie d.d. 18 juni 2009 – die het hof overigens niet tot het bewijs bezigt – op een later moment niet betwist. Bovendien is het hof van oordeel dat, voor zover er in eerste aanleg zich al een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering heeft voorgedaan, dit in hoger beroep in voldoende mate is hersteld, nu de verdediging de gelegenheid heeft gekregen de verhorende politieagenten te horen omtrent het betreffende verhoor en van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt.

Het hof is derhalve van oordeel dat door het voorhouden van onjuiste passages tijdens het verhoor van verdachte niet gezegd kan worden dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Ad. A.2

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2011 stelt het hof vast dat de hamer die door aangeefster [slachtoffer 1] is aangetroffen in de wasmand in haar woning, door de politieambtenaar alleen is verpakt in een plastic zakje en werd beschouwd als een gevonden voorwerp, in plaats van een voorwerp waarvan door de afdeling Forensisch Technische Ondersteuning (FTO) sporen konden worden genomen. Toen op een later moment de hamer alsnog werd aangeboden aan de afdeling FTO, bleek dat de hamer door de wijze van inbeslagneming en aanbieding niet meer kon worden onderzocht op sporen.

Het hof is van oordeel dat weliswaar sprake is geweest van een ongelukkige gang van zaken, maar niet dat aannemelijk is geworden dat op deze wijze door de verbalisant is omgegaan met de hamer om de verdachte in enig gerechtvaardigd belang te schaden. Bovendien wordt verdachte niet geschaad in enig belang, nu het hof de vondst van de hamer niet tot het bewijs bezigt. Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet worden gezegd dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat een en ander is geschied met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, waardoor aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Bijgevolg verwerpt het hof de verweren van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging. Nu ook overigens geen andere feiten of omstandigheden in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 mei 2009 te Eindhoven en/of Veldhoven, althans Nederland, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk:

- voornoemde [slachtoffer 2] bij de keel gepakt en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], al dan niet middels SMS-berichten aan voornoemde [slachtoffer 1], dreigend de woorden toegevoegd: "Vuil kutwijf, ik pak je" en/of "ik snij jullie in stukken en gooi jullie in de Dommel" en/of "ik snij de kop van je romp en ik wacht je thuis op", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2009 tot en met 18 mei 2009 te Veldhoven, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan, gewapend met een (klauw)hamer en ducktape, zich de toegang heeft verschaft tot de woning van die [slachtoffer 1] door met een trap op het balkon van die [slachtoffer 1] te klimmen en een raam van die woning te forceren, althans te vernielen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans indien ter zake het vorenstaande onder 2. geen veroordeling zou volgen:


hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2009 tot en met 18 mei 2009 te Veldhoven en/of Eindhoven, althans in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld, te weten moord danwel doodslag danwel zware mishandeling, opzettelijk een (klauw)hamer en/of ducktape en/of een keukentrap, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

(Partiële) vrijspraken

Partiële vrijspraken van het onder 1 ten laste gelegde

B.

Naar het oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd door hem bij de keel te pakken. Evenmin kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (al dan niet per sms-berichten aan [slachtoffer 1]) dreigend de woorden heeft toegevoegd: “ik snij jullie in stukken en gooi jullie in de Dommel" en "ik snij de kop van je romp en ik wacht je thuis op”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof overweegt daartoe dat de hiervoor genoemde bedreigingen alleen blijken uit de aangiften van respectievelijk [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1], maar niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Bovendien geldt ten aanzien van de gestelde bedreiging door het vastgrijpen van de keel, dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard dat zij niet met zekerheid durven stellen dat verdachte [slachtoffer 2] op 15 mei 2009 bij zijn keel heeft gegrepen. Voorts blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 1] dat verdachte haar en [slachtoffer 2] zou hebben bedreigd middels sms-berichten. Deze sms-berichten heeft [slachtoffer 1] laten lezen aan verbalisant [verbalisant 3]. Verbalisant [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat deze sms-berichten geen strafwaardige bedreigingen inhielden, hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is bevestigd door [slachtoffer 1].

Gelet op het hiervoor overwogene spreekt het hof verdachte partieel vrij van de hiervoor genoemde onder 1 ten laste gelegde bedreigingen.

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde

C.

De raadsman heeft integrale vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde bepleit, nu

op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte het opzet had om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met voorbedachten rade om het leven te brengen dan wel zwaar te mishandelen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof – evenals de rechtbank – bewezen zal verklaren dat verdachte heeft gepoogd om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Blijkens het requisitoir leidt de advocaat-generaal uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte in combinatie bezien met de bedreiging “Vuil kutwijf, ik pak je”, het opzet van verdachte af. De eveneens ten laste gelegde poging moord dan wel zware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer 2] acht de advocaat-generaal niet wettig en overtuigend bewezen.

Het hof gaat in het kader van de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden:

  1. Verdachte heeft een relatie gehad met aangeefster [slachtoffer 1]; nadat deze relatie is beëindigd zijn de problemen tussen verdachte en aangeefster toegenomen.

  2. Op 15 mei 2009 is de situatie geëscaleerd, in die zin dat het tot een confrontatie is gekomen tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds.

  3. In de nacht van 17 op 18 mei 2009 is verdachte met een keukentrap, met daaraan vastgemaakt lussen van ducktape, op het balkon van de woning van aangeefster [slachtoffer 1] geklommen.

  4. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij geluiden op het balkon hoorde en vervolgens is gaan kijken. Zij hoorde daarna een harde bons tegen een raam waar het balkon aan gelegen is.

  5. Door de openstaande gordijnen zag [slachtoffer 1] verdachte op het balkon staan. Zij hoorde hem roepen: “Vuil kutwijf, ik pak je”, althans woorden met een dergelijke strekking. Vervolgens heeft [slachtoffer 1] keihard gegild. Tevens heeft zij gezien dat verdachte met zijn blote vuisten tegen het raam van de balkondeur heeft geslagen.

  6. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in bed lag en een stem van een man hoorde. Meteen daarna hoorde hij [slachtoffer 1] gillen. [slachtoffer 1] is vervolgens met [slachtoffer 2] de woning uit gevlucht.

  7. Verdachte heeft de woning betreden door de (dubbelglas) balkonruit te vernielen. In de woning heeft hij de ruiten van een boekenkast vernield. Uiteindelijk is verdachte door verbalisanten aangetroffen op het bed van [slachtoffer 1].

  8. Bij de aanhouding van verdachte is een rol ducktape in zijn broek aangetroffen.

  9. Op een later moment heeft aangeefster een vuisthamer aangetroffen in haar wasmand.

Het hof overweegt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte de in de wasmand van [slachtoffer 1] aangetroffen vuisthamer naar de woning heeft meegenomen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben daartoe slechts het vermoeden geuit, maar hebben dat niet gezien. Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet of hij de hamer naar de woning heeft meegenomen. Sporenonderzoek naar de hamer is door de wijze van inbeslagneming niet meer mogelijk. Uit de verklaring van de zus van verdachte, [naam], inhoudende dat verdachte vaker een hamer bij zich had, kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte op de bewuste avond de betreffende vuisthamer heeft meegenomen.

Voorts overweegt het hof dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan, met het opzet om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te doden of zwaar te mishandelen. Immers, verdachte heeft verklaard dat hij, waarschijnlijk door overmatig alcoholgebruik, niet meer weet waarom hij naar de woning is gegaan. Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen in combinatie bezien met de bedreiging “Vuil kutwijf, ik pak je”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, kan naar het oordeel van het hof evenmin worden vastgesteld dat verdachte naar de woning is gegaan met het opzet om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven of zwaar lichamelijk toe te brengen. Immers, niet kan worden uitgesloten dat hij naar de woning is gegaan om enig ander feit te plegen (zoals bedreiging, vernieling, diefstal of huisvredebreuk).

Het hof spreekt verdachte derhalve vrij van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

D.

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte strafbare handelingen heeft gepleegd ter voorbereiding van één van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven, te weten moord, doodslag of zware mishandeling, door het opzettelijk verwerven en/of voorhanden hebben van een (klauw)hamer, ducktape en/of een keukentrap, zoals onder 2 subsidiair ten laste is gelegd.

Het hof overweegt, onder verwijzing naar hetgeen onder C. is overwogen, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de hamer heeft verworven of voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van de keukentrap en/of de ducktape overweegt het hof dat uit de tekst van artikel 46, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht volgt dat met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en dus niet op de voorbereiding zelf. De trap en de ducktape zijn gebruikt om op het balkon te kunnen klimmen, teneinde vervolgens de woning te kunnen betreden. In dit geval kan niet worden gezegd dat deze bestemd waren tot het begaan van de ten laste gelegde misdrijven moord, doodslag of zware mishandeling. Reeds om die reden acht het hof niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding van de genoemde misdrijven. Bovendien overweegt het hof dat bij gebrek aan bewijs niet kan worden vastgesteld of verdachte het opzet heeft gehad op het voorbereiden van één van de in de tenlastelegging genoemde gespecificeerde feiten dan wel op enig ander feit.

Het hof spreekt verdachte derhalve eveneens vrij van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

1.
hij op 18 mei 2009 te Veldhoven [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Vuil kutwijf, ik pak je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

E.

De raadsman heeft betoogd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is, waaruit blijkt dat de bewoordingen "Vuil kutwijf, ik pak je" of woorden van gelijke dreigende aard of strekking door verdachte zijn geuit. De raadsman heeft in dit verband – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat aangeefster [slachtoffer 1] de enige bron is waaruit blijkt dat verdachte deze bedreiging heeft geuit. Daartegenover staan volgens de raadsman de stellige ontkenning van verdachte en de omstandigheid dat, gelet op psychische klachten en verslaving(en) van aangeefster [slachtoffer 1], er afdoende redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaringen van [slachtoffer 1].

Ad E.

Het hof overweegt dat weliswaar alleen uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte heeft geroepen “Vuil kutwijf, ik pak je”, althans woorden met een dergelijke dreigende strekking, maar dat de aangifte van [slachtoffer 1] op essentiële onderdelen steun vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof wijst in dit verband op:

  • -

    de verklaring van [slachtoffer 2] voor zover inhoudende dat hij een mannenstem hoorde en daarna [slachtoffer 1] hoorde gillen, waarna hij en [slachtoffer 1] de woning zijn ontvlucht (p. 57). Deze verklaring komt zowel ten aanzien van de gebeurtenissen als de chronologie van deze gebeurtenissen overeen met de verklaring van [slachtoffer 1];

  • -

    de omstandigheid dat verdachte met zijn vuisten dermate hard op de balkondeur heeft geslagen dat daardoor een dubbelglas ruit van een balkondeur is vernield. Vervolgens heeft hij in de woning nog ruiten van een boekenkast vernield. Uit deze gedragingen leidt het hof af dat toen verdachte op het balkon stond, ontremd was. Verdachte heeft verklaard dat als hij “in een staat van woede is, hij in staat is om van alles te zeggen, ook woorden die een bedreiging in kunnen houden en dat hij denkt dat hij dan ook bedreigend overkomt” (p. 61).

Nu de verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt voldoende wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen en [slachtoffer 1] ter terechtzitting in hoger beroep bij deze verklaring is gebleven, heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en/of betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] ten aanzien van deze bedreiging.

Het hof is derhalve van oordeel dat het verweer van de raadsman, zijn weerlegging vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

F.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de woorden “Vuil kutwijf, ik pak je” niet uitsluiten dat verdachte daarmee iets anders heeft bedoeld dan bedreiging met de dood of zware mishandeling, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging.

Ad. F.

Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van een ten laste gelegde bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, de bedreiging van dien aard moeten zijn geweest en onder zulke omstandigheden moeten zijn gedaan dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven kon verliezen en/of dat zij zwaar zou worden mishandeld.

Het hof acht de bedreigende bewoordingen “Vuil kutwijf, ik pak je” op zichzelf genomen nog niet van dien aard dat dit een strafbare bedreiging met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Volgens vaste jurisprudentie kunnen echter uitlatingen die op zichzelf genomen niet een bedreiging opleveren, onder bepaalde omstandigheden die strekking wel krijgen, mits deze in een nauw en direct verband staan met de bedreiging. De context waarin de bedreiging is derhalve van belang, waarbij naast concrete gedragingen ten tijde van bedreiging ook eerder geweld in aanmerking kan worden genomen.

Het hof is van oordeel dat door de uitlating van verdachte bij aangeefster [slachtoffer 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar zou worden mishandeld door verdachte. Daarbij heeft het hof betrokken dat aangeefster heeft verklaard dat bij haar daadwerkelijk de vrees is ontstaan dat verdachte haar iets zou aandoen (onder meer), omdat zij wist dat hij in Zwitserland een ex-vriendin om het leven heeft gebracht. Tevens betrekt het hof daarbij de aard van de bedreiging in combinatie met de omstandigheden waaronder de bedreiging is geschied, in het bijzonder dat verdachte midden in de nacht op haar balkon is geklommen en vlak voor en na de bedreiging hard met zijn vuisten tegen de ruit van de balkondeur sloeg.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Verweer strekkende tot strafvermindering

De raadsman heeft aangevoerd, onder verwijzing naar zijn verweren strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, dat de twee vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dienen te leiden tot strafvermindering (zie onder A.1 en A.2).

Onder verwijzing naar hetgeen het hof onder ad A.1 en ad A.2 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte door het onjuist voorhouden tijdens zijn politieverhoor en door de onmogelijkheid om de aangetroffen hamer te onderzoeken op sporen, op enige wijze in zijn verdediging is geschaad. Verdachte heeft zijn verklaring bij de politie niet betwist. Bovendien worden noch de betreffende verklaring bij de politie, noch de vondst van de vuisthamer tot het bewijs gebezigd. Om die redenen kan het verweer van de raadsman naar het oordeel van het hof niet leiden tot strafvermindering.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof spreekt – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal – verdachte vrij van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Reeds om die reden zal het hof een lagere straf opleggen dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van een bedreiging met zware mishandeling.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte door zijn opgewonden en onvoorspelbare gedrag het slachtoffer in een uitermate beangstigende situatie heeft gebracht;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte gedurende de nacht naar de woning van het slachtoffer, bij uitstek een plek waarin zij zich veilig zou moeten kunnen voelen, is gegaan.

Reeds gelet op het vorenstaande acht het hof het niet raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd, zoals door de raadsman is verzocht.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2014;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals bovenomschreven, acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van voorarrest passend.

Redelijke termijn

Het hof komt echter tot een lagere strafoplegging. Daartoe heeft het hof rekening gehouden met het gegeven dat er in de hoger beroepsfase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft immers bij akte van 7 december 2009 hoger beroep ingesteld. Het eindarrest in hoger beroep wordt gewezen op 17 juni 2014. Het hof stelt vast dat, uitgaande van de door de Hoge Raad vastgestelde berechtingstermijn van twee jaar, de termijn is overschreden met ruim 30 maanden, welke overschrijding in de ogen van het hof niet geheel wordt gerechtvaardigd door de bijzondere ingewikkeldheid van de zaak of de procesopstelling van verdachte.

Alles overziende – daarbij er van uitgaande dat op grond van de hierboven weergegeven termijnoverschrijding een korting wordt toegepast van 1 week – is het hof van oordeel dat veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 weken met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen termen meer aanwezig om daarnaast een voorwaardelijke straf met daaraan verbonden de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.282,60, bestaande uit € 800,- aan immateriële schade en € 482,60 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.034,47. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen onder 1 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de aard en de impact van het bewezen verklaarde, waarvoor verdachte wordt veroordeeld, acht het hof het redelijk en billijk om deze schade te begroten € 250,-. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade en de gevorderde materiële schade is het hof op grond van de voorhanden gegevens onvoldoende in staat een afgewogen beslissing te geven over de gestelde schade die door het bewezen verklaarde handelen van verdachte zou zijn veroorzaakt. Het inwinnen van de benodigde nadere informatie op die punten zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom voor het overige niet in haar vordering worden ontvangen en zal deze bij de burgerlijke rechter moeten aanbrengen.

Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 17 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.