Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1772

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
20-003831-13
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2013:1111
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BO6037, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schietpartij met dodelijke afloop op parkeerterrein van de Praxis te ’s-Hertogenbosch. Verdachte heeft op 1 maart 2010 met een vuurwapen eerst bewust in de richting van de benen van het slachtoffer geschoten. Vervolgens heeft de verdachte een tweede schot gelost in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer. Als gevolg van dit tweede schot is het slachtoffer komen te overlijden.

Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad spreekt het hof verdachte vrij van moord, omdat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen, en komt het hof tot een bewezenverklaring van doodslag. Het hof acht het door de raadsman gepresenteerde alternatieve scenario, waarbij de verdachte het tweede schot niet opzettelijk heeft gelost, mede gelet op de door de deskundige gegeven conclusies, niet aannemelijk geworden. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van doodslag en (reeds eerder bewezen verklaard) verboden wapenbezit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 8 (acht) maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is aan verdachte opgelegd de maatregel tot betaling van schadevergoeding aan de nabestaande van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2014/383 met annotatie van
EeR 2014, afl. 4, p. 140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003831-13

Uitspraak : 16 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van

het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 3 december 2010 (LJN BO6037) in de strafzaak met parketnummer 01-845106-10 tegen de verdachte,

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 GEV te Vught.

Procesverloop

Eerste aanleg

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij vonnis d.d. 3 december 2010 (ECLI:NL:RBSHE:2010:BO6037) ter zake van - kort gezegd - moord (feit 1 impliciet primair) en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft daarnaast de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd tot het bedrag van EUR 9.480,85 (subsidiair 82 dagen hechtenis) en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (nabestaande van [slachtoffer]) volledig toegewezen tot het bedrag van EUR 9.480,85.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

Met vernietiging van voormeld vonnis heeft het gerechtshof `s- Hertogenbosch - in andere samenstelling - bij arrest d.d. 21 februari 2012 onder parketnummer 20-004520-10 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6336) de verdachte ter zake van - kort gezegd - moord en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft daarnaast de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd tot het bedrag van EUR 9.280,85 (subsidiair 81 dagen hechtenis) en tevens de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot het bedrag van EUR 9.280,85, met veroordeling van verdachte in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten tot het bedrag van EUR 200,-. Ten slotte is beslist op het beslag.

De verdachte heeft tegen genoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.

Cassatie

De Hoge Raad heeft bij arrest d.d. 5 november 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:1125) het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 21 februari 2012 vernietigd, maar uitsluitend, zo luidt het dictum van het arrest van de Hoge Raad, wat betreft “de beslissingen ter zake van het onder 1. ten laste gelegde en de strafoplegging”. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het beroep in cassatie werd door de Hoge Raad voor het overige verworpen.

Omvang hoger beroep na terugwijzing door de Hoge Raad

Nu het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 21 februari 2012 uitsluitend is vernietigd wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak onder 1. ten laste gelegde en de strafoplegging, is de beslissing in het arrest ter zake van het onder 2. ten laste gelegde onherroepelijk geworden, met uitzondering van de strafoplegging.

Het thans - na terugwijzing - door het hof te verrichten onderzoek beperkt zich dan ook tot het in de zaak onder 1. ten laste gelegde en de strafoplegging, de beslissing ten aanzien van het beslag, de schadevergoedingsmaatregel en de vordering van de benadeelde partij, daaronder begrepen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 maart 2014 en 2 juni 2014, alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen, en te dien aanzien opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal vrijspreken van het onder 1. impliciet primair ten laste gelegde (moord);

  • -

    de verdachte ten aanzien van het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag) zal veroordelen (met inbegrip van het bij arrest d.d. 21 februari 2012 met parketnummer 20-004520-10 onder 2. bewezen verklaarde) tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen tot een bedrag van EUR 9.280,85 (subsidiair 81 dagen hechtenis);

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 9.280,85 met veroordeling daarnaast in de kosten van het geding tot het bedrag van EUR 200,-;

  • -

    de in beslag genomen voorwerpen zal teruggeven, dan wel zal bewaren ten behoeve van de rechthebbende conform de beslissingen van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 21 februari 2012.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit van het onder 1. impliciet primair ten laste gelegde (moord) als ook het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag). Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft zich met betrekking tot de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof - anders dan de rechtbank - niet komt tot een bewezenverklaring van de in de zaak onder 1. impliciet primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer].

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 maart 2010 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, op 1 maart 2010 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen in de borst, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 2 maart 2010 is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 maart 2010 te 's-Hertogenbosch opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, op 1 maart 2010 met dat opzet met een vuurwapen in de borst van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 2 maart 2010 is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt alsdan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent de bewijsvraag

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. impliciet primair ten laste gelegde (moord) als ook het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende komen vast te staan.

Op 1 maart 2010 heeft er een ontmoeting plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer] op de parkeerplaats van de Praxis te ’s-Hertogenbosch. De afspraak om elkaar te treffen was kort voor de ontmoeting gemaakt. [slachtoffer] was als eerste aanwezig op het parkeerterrein. Kort daarop arriveerde verdachte in een Peugeot op de parkeerplaats van de bouwmarkt. Beide mannen zijn daarop uitgestapt en naar elkaar toegelopen. Hierop is tussen beiden een woordenwisseling ontstaan en tevens heeft er een handgemeen plaatsgevonden. Verdachte is op enig moment naar zijn auto gelopen en heeft van onder de bestuurdersstoel een vuurwapen gepakt. Met dit vuurwapen in de hand is hij teruggelopen naar [slachtoffer].

Over hetgeen daarna is voorgevallen heeft de getuige [getuige] op 1 maart 2010 bij de politie - voor zover relevant - het navolgende verklaard:

(…) Ik zag dat de man op het slachtoffer afliep en ik hoorde het slachtoffer nog roepen: “schiet dan, dan durf je toch niet’. Ik zag en hoorde dat de man (het hof begrijpt: de verdachte) twee keer schoot. Ik zag dat hij de eerste keer op de grond schoot. Ik zag dat het tweede schot gericht was op het slachtoffer. Ik zag dat de man op romphoogte richtte en een schot loste. (…) Het eerste schot was naar beneden gericht maar wel in de richting van het slachtoffer. Het tweede schot volgde meteen daarop. (…) Ik zag dat de schutter [zijn] arm gestrekt naar voren hield in de richting van het slachtoffer. (…)”

In aanvulling op voormelde verklaring heeft de getuige [getuige] op 6 maart 2010 - voor zover relevant - nog als volgt verklaard:

“(...) Ik zag dat de bestuurder van de Peugeot (het hof begrijpt: de verdachte) het wapen pakte en langs zijn lichaam hield. (…) Ik zag dat de bestuurder van de Peugeot richting de bestuurder van de Mercedes (het hof begrijpt: [slachtoffer]) liep. (…) Ik zag dat op dat moment de bestuurder van de Peugeot op 1,5 hooguit 2 meter van de bestuurder van de Mercedes stond. (…) Ik zag dat de bestuurder van de Peugeot na het eerste schot zijn arm verder uitstrekte richting de romp van de bestuurder van de Mercedes. Het was nagenoeg een beweging. (…) Ik hoorde een tweede schot. Ik hoorde dat de bestuurder van de Mercedes riep: ‘Ik ben geraakt, ik ben geraakt.’ Ik zag dat de bestuurder van de Mercedes in elkaar zakte, naar de grond toe. (…) Ik zag dat de bestuurder van de Peugeot niet achterom keek in de richting van het slachtoffer. (…).”

Met betrekking tot het tweede schot heeft de verdachte ter terechtzitting d.d. 9 juni 2011 als volgt verklaard:

“(…) Het tweede schot kan ik mij niet herinneren. Ik heb daar in het geheel geen herinnering aan. In mijn herinnering heb ik slechts één schot gelost en dat was het schot op de benen van Wilco. (…)”

Gelet op het feit dat de verdachte van meet af aan heeft verklaard geen herinnering te hebben aan het afvuren van het tweede schot, gaat het hof bij de vaststelling van de toedracht van de schietpartij uit van de door getuige [getuige] afgelegde verklaringen. Het hof is van oordeel dat de door [getuige] afgelegde verklaringen in de kern eensluidend en consistent zijn. Anders dan de raadsman heeft het hof geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door getuige [getuige] afgelegde verklaringen.

A. met betrekking tot de voorbedachte raad:

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van de “voorbedachte raad” - in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de bewoordingen ‘na kalm beraad en rustig overleg’ en vereist voor een bewezenverklaring van moord - moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat vanaf het moment dat verdachte is teruggelopen naar zijn auto om het vuurwapen te pakken en het moment dat hij met dat vuurwapen voor [slachtoffer] is komen te staan, er enige tijd is verlopen, waarin verdachte - in beginsel - de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

In de omstandigheid dat verdachte daarop, na het vuurwapen te hebben doorgeladen, bewust een schot in de richting van de benen van [slachtoffer] heeft gelost, ziet het hof echter een zwaarwegende contra-indicatie voor de vaststelling van de voorbedachte raad.

Op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige] stelt het hof vast dat het tweede schot in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] nagenoeg direct is gevolgd op het eerste schot. Mede gelet op voormelde contra-indicatie, kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, het lossen van het schot in de borst van het slachtoffer en zich daarvan rekenschap te geven.

Alles overziende is het hof dan ook, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Gelet daarop zal verdachte van de - onder 1. impliciet primair ten laste gelegde - moord op [slachtoffer] worden vrijgesproken.

B. met betrekking tot het opzet op de dood van [slachtoffer]:

Door de raadsman is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer]. Aan dit verweer heeft de raadsman een alternatief scenario ten grondslag gelegd, inhoudende dat de arm van verdachte door de terugslag van het eerste, bewust in de richting van de benen afgevuurde schot, een opwaartse beweging heeft gemaakt. Mede als gevolg van de stress van de situatie en de schok die het eerste schot heeft teweeggebracht, heeft verdachte daarop de trekker onbewust opnieuw overgehaald en het tweede, dodelijke, schot gelost, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar aanleiding van het schietincident heeft W. Kerkhoff, forensisch wapendeskundige bij het NFI wapen- en munitieonderzoek verricht.

Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 19 november 2010 heeft deskundige Kerkhoff - voor zover relevant - als volgt verklaard:

“(…) Het onwillekeurig overhalen van de trekker gaat niet zomaar. De trekker moet een paar millimeter overgehaald worden en het is ongebruikelijk dat er een ongewild schot gelost wordt. Ik heb zelf nog nooit meegemaakt dat een dergelijk wapen ongewild afgaat en ik ben vaak aanwezig als onervaren schutters met dat wapen op de schietbaan instructie krijgen. (…)”

De conclusie zoals deze staat opgenomen in zijn rapport d.d. 4 oktober 2011 luidt als volgt:

“Als met het pistool [AAAP3499NL] vanaf 1,5 meter door een onervaren persoon een schot wordt gelost op een doel met een hoogte van 75 cm dan komt het pistool door de opslag omhoog. Het pistool kan hierbij in een positie komen van waaruit een schotverwonding, als het dodelijke schot mogelijk is. Een dergelijk schot kan echter niet vallen als direct gevolg van de opslag. Voor het lossen van een tweede schot is het loslaten en opnieuw overhalen van de trekker nodig. (…)”

Bij schrijven d.d. 11 januari 2012 heeft deskundige Kerkhoff - voor zover relevant - nog als volgt overwogen:

“(…) Het tweede deel van mijn conclusie, dat een dergelijk schot niet kan vallen als direct gevolg van de opslag, blijft onverminderd van kracht. De reconstructie heeft betreffende dit punt geen nieuwe inzichten opgeleverd.” (…)”

Uitgaande van de hiervoor op pagina 4 weergegeven verklaringen van de getuige [getuige] stelt het hof vast dat, nadat de verdachte op een afstand van ongeveer anderhalf tot twee meter bewust in de richting van de benen van [slachtoffer] heeft geschoten, hij zijn arm in ‘nagenoeg een beweging’ verder heeft uitgestrekt richting het bovenlichaam van het slachtoffer, waarna een tweede schot is gelost.

Mede gelet op de door de deskundige gegeven conclusies acht het hof het door de raadsman gepresenteerde alternatieve scenario, waarbij de verdachte het tweede schot niet opzettelijk heeft gelost, niet aannemelijk geworden. Weliswaar kan de arm van verdachte als gevolg van de opslag van het eerste schot inderdaad omhoog zijn gegaan, maar volgens de deskundige kan het daaropvolgende schot echter niet zijn gevallen als direct gevolg van die opslag. Voor het lossen van een schot is het volgens de deskundige noodzakelijk de trekker van het vuurwapen naar voren te laten gaan en opnieuw over te halen.

Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof dan ook worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat de verdachte bij het tweede schot, anders dan de raadsman stelt, een bewuste handeling heeft moeten verrichten, teneinde dat tweede schot afgevuurd te krijgen. Dat de verdachte het tweede, dodelijke, schot niet opzettelijk heeft gelost onder invloed van de stressvolle situatie waarin hij verkeerde, zoals door de raadsman is betoogd, is het hof niet gebleken. Het hof heeft hierbij in het bijzonder acht geslagen op het feit dat verdachte volgens zijn verklaringen geen enkele herinnering heeft aan (het afvuren van) het tweede schot op [slachtoffer].

Uit de aard van de handelingen van verdachte, te weten het van relatief korte afstand met een geladen vuurwapen gericht schieten op dat deel van het lichaam waarin zich vitale lichaamsdelen bevinden, leidt het hof verdachtes opzet op de dood van [slachtoffer] af.

Feiten of omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden zijn het hof niet gebleken of overigens door de raadsman aangevoerd.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. impliciet subsidiair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 1. impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert de volgende kwalificatie op.

Doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit feit uitsluit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van - kort gezegd - moord en verboden wapenbezit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de procespartijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft subsidiair, mede onder verwijzing naar de overschrijding van de redelijke termijn, bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, in ieder geval niet langer dan 8 jaren, op te leggen.

Door het hof bij de strafoplegging te betrekken strafbare feiten

Het hof is, anders dan de rechtbank, gekomen tot een bewezenverklaring van doodslag, en niet van moord, op [slachtoffer].

Gelet op dit oordeel en de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad, komt het hof aldus tot strafoplegging ter zake van doodslag (feit 1 impliciet subsidiair) en het voorhanden hebben van een vuurwapen uit categorie III van de Wet wapens en munitie (feit 2).

Het oordeel van het hof

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bij arrest d.d. 21 februari 2012 onder 2. bewezen is verklaard en hetgeen bij het onderhavige arrest onder 1. impliciet subsidiair bewezen is verklaard. Voorts is gelet op de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft hierbij in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte blijkens de inhoud van het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte d.d. 28 maart 2014 reeds eerder herhaaldelijk strafrechtelijk is veroordeeld en;

  • -

    het gewelddadige karakter van het onder 1. impliciet subsidiair bewezen verklaarde en bijkomend de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is geweest.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het navolgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een schietpartij met dodelijke afloop op klaarlichte dag op een parkeerterrein van een bouwmarkt. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. Voorafgaand aan de ontmoeting met het slachtoffer had verdachte een geladen vuurwapen in de auto van zijn broer gelegd, welk wapen hij heeft gebruikt om van zeer korte afstand op het slachtoffer te schieten met de dood van het slachtoffer tot gevolg. Doodslag kan als een van de meest ingrijpende delicten uit het Wetboek van Strafrecht worden beschouwd vanwege de onomkeerbare gevolgen van de daad. Verdachte heeft zelf weinig inzicht verschaft over zijn beweegredenen om het slachtoffer, met wie hij voorheen op goede voet leefde, opzettelijk en met een vuurwapen van het leven te beroven. Verdachte heeft verklaard, op een eerste schot na, zich niet te kunnen herinneren bewust een tweede, dodelijke, schot te hebben gelost in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer. Dit brengt met zich dat de vraag naar het motief van de daad onbeantwoord zal blijven.

Na het lossen van het dodelijke schot heeft de verdachte volgens eigen zeggen gezien dat het slachtoffer naar zijn borst greep en in elkaar zakte. Evenwel is de verdachte zonder om te kijken naar zijn auto gelopen en is hij weggereden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich na de schietpartij op geen enkele wijze heeft bekommerd over het slachtoffer, tevens “een goede huisvriend”. Ten aanzien van de op te leggen straf heeft het hof ten slotte meegewogen dat de samenleving door het hier vermelde feit ook ernstig is geschokt.

Wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf is door het hof aansluiting gezocht bij de straffen die worden opgelegd in gevallen die - grosso modo - vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.

Gelet hierop en mede gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte is het hof van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van in beginsel tien jaren als passend kan worden beschouwd.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat verdachte, gelet op zijn jeugdige leeftijd ten tijde van het plegen van het feit, niet kan worden geacht als normaal functionerende volwassene te hebben geacteerd, hetgeen in mitigerende zin van invloed zou moeten zijn op de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het door drs. L. van Rens, GZ psycholoog, op 29 oktober 2010 opgemaakte pro justitia rapport. In dit rapport wordt geadviseerd de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen ten tijde van het ten laste gelegde feit.

Gelet hierop en mede gelet op de indruk die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft achtergelaten bij het hof, ziet het hof geen aanleiding te concluderen dat verdachte ten tijde van het onder 1. impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen reeds vanwege zijn leeftijd onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef had, dan wel dat hij hier niet naar kon handelen. Naar het oordeel van het hof kan de verdachte dan ook volledig verantwoordelijk worden gesteld voor het bewezen verklaarde handelen en is voor strafverlaging om deze reden geen plaats.

Met de raadsman stelt het hof vast dat het recht op behandeling en berechting binnen een redelijke termijn in de onderhavige strafzaak is geschonden.

Namens de verdachte is op 29 februari 2012 cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft op 5 november 2013 uitspraak gedaan, derhalve nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in zoverre is overschreden en wel met viereneenhalve maand. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die voormelde overschrijding rechtvaardigt en vindt in de termijnoverschrijding dan ook aanleiding een lagere gevangenisstraf op te leggen dan het hof zonder deze verdragsschendingen zou hebben opgelegd.

Ter compensatie van de schending van verdachtes recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn zal het hof vier maanden strafvermindering toepassen. Voor een verdergaande strafvermindering ziet het hof geen aanleiding, gelet op de duur van de overschrijding en voorts mede in aanmerking genomen de voortvarende behandeling van de zaak door het hof na terugwijzing. Het hof doet immers uitspraak binnen acht maanden na de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad.

Zonder schending van de redelijke termijn zou oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 8 maanden.

In hetgeen de raadsman voor het overige naar voren heeft gebracht ziet het hof geen reden om met betrekking tot de duur van de op te leggen gevangenisstraf tot een andersluidend oordeel te komen.

Alles overziende acht het hof veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 8 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.

Beslag

Het hof zal ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan respectievelijk de verdachte, [rechthebbende 1] en [rechthebbende 2], alsmede de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, een en ander zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

Vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] (vader van [slachtoffer]) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 9.480,85. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering strekt deels tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van het zesde boek van het Burgerlijk Wetboek. Die kosten komen voor vergoeding in aanmerking en kunnen door de benadeelde partij worden gevorderd in het strafproces op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de kosten van lijkbezorging als hiervoor bedoeld in totaal EUR 9.280,85 bedragen. De verdachte is tot vergoeding van deze kosten gehouden, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

Bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof miskend dat de kosten van rechtsbijstand, een bedrag groot EUR 200,-, niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Anders dan de rechtbank zal het hof deze kosten als proceskosten van de benadeelde partij ten laste van de verdachte brengen.

Het hof zal aan de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de kosten van lijkbezorging, de schadevergoedingsmaatregel opleggen. In dit verband overweegt het hof dat die maatregel kan worden opgelegd ten behoeve van de in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen, onder wie degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen (HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2793).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft het onder 1. ten laste gelegde, de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing op de in beslag genomen voorwerpen en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd, dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het thans onder 1. impliciet subsidiair bewezen verklaarde alsmede ter zake van het bij arrest van het hof d.d. 21 februari 2012 (met parketnummer: 20-004520-10) onder 2. bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

De vordering benadeelde partij

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (nabestaande van [slachtoffer]) ter zake van het onder 1. bewezen verklaarde voor een bedrag van EUR 9.280,85 (negenduizend tweehonderd tachtig euro en vijfentachtig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag aan hem tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 200,00 (tweehonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 9.280,85 (negenduizend tweehonderd tachtig euro en vijfentachtig cent) aan kosten van lijkbezorging, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 81 (eenentachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Beslag

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen als vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers: 176344 en 165507.

Gelast de teruggave aan [rechthebbende 1] van de in beslag genomen voorwerpen als vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers: 164007, 164008, 164009, 164010, 164011, 164013, 164016, 164021, 164022 en 164023.

Gelast de teruggave aan [rechthebbende 2] van de in beslag genomen voorwerpen als vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers: 164102, 164109, 164118 en 164120.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de overige in beslag genomen voorwerpen vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. H.D. Bergkotte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Sampat, griffier,

en op 16 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H.D. Bergkotte is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.