Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1747

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
20-003638-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen. Vrijspraak van verkrachting van en ontucht met minderjarig neefje in verband met beperkte betrouwbaarheid verklaringen neefje en onvoldoende steunbewijs.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 244
Wetboek van Strafrecht 246
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 4, p. 137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003638-13

Uitspraak : 11 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-845315-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [woonadres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het meermalen plegen van verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest en met opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze dient toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij haar requisitoir heeft de advocaat-generaal het hof nog in overweging gegeven om, mocht het hof zich onvoldoende voorgelicht achten, bij tussenarrest te bepalen dat J. van der Sleen als deskundige zal worden gehoord.

De verdediging heeft primair op meerdere gronden vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en verzocht dat het hof in geen geval een gevangenisstraf zal opleggen voor een langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het hof, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk dient te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 te [plaats], (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [betrokkene] (geboren [geboortedatum] 1998) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [betrokkene], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de anus van die [betrokkene] geduwd en/of gebracht en/of het likken en/of betasten van de penis en/of anus en/of billen van die [betrokkene] en/of het door die [betrokkene] laten likken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis en/of het ejaculeren door verdachte op de buik van die [betrokkene], bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens) de mond van die [betrokkene] met tape heeft afgeplakt en/of die [betrokkene] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of opzettelijk dreigend tegen die [betrokkene] heeft gezegd: “je mag het nooit vertellen, als je dat wel doet vermoord ik je”, in elk geval woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl hij, verdachte, fysiek en/of geestelijk overwicht had op die [betrokkene] (als familielid en/of volwassene ten opzichte van een minderjarige) en/of (aldus) voor die [betrokkene] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 te [plaats], met [betrokkene] (geboren [geboortedatum] 1998), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [betrokkene], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de anus van die [betrokkene] geduwd en/of gebracht en/of het likken en/of betasten van de penis en/of anus en/of billen van die [betrokkene] en/of het door die [betrokkene] laten likken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis en/of het ejaculeren door verdachte op de buik van die [betrokkene];

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 te [plaats], (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [betrokkene] (geboren [geboortedatum] 1998) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het likken en/of betasten van de penis en/of anus en/of billen van die [betrokkene] en/of het door die [betrokkene] laten likken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis en/of het ejaculeren door verdachte op de buik van die [betrokkene] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens) de mond van die [betrokkene] met tape heeft afgeplakt en/of die [betrokkene] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of opzettelijk dreigend tegen die [betrokkene] heeft gezegd: “je mag het nooit vertellen, als je dat wel doet vermoord ik je”, in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl hij, verdachte, fysiek en/of geestelijk overwicht had op die [betrokkene] (als familielid en/of volwassene ten opzichte van een minderjarige) en/of (aldus) voor die [betrokkene] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 te [plaats], met [betrokkene] (geboren [geboortedatum] 1998), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het likken en/of betasten van de penis en/of anus en/of billen van die [betrokkene] en/of het door die [betrokkene] laten likken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis en/of het ejaculeren door verdachte op de buik van die [betrokkene].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Inleiding:

Op 15 november 2005 heeft [aangeefster], zijnde de moeder van de toen 6-jarige [betrokkene], in een informatief gesprek bij de politie melding gemaakt van seksueel misbruik van [betrokkene] door haar broer, verdachte, toen deze bij hen inwoonde in de periode van november 2004 tot mei/juni 2005. Volgens het verslag van het informatieve gesprek zou [betrokkene] tegen zijn moeder hebben gezegd dat de verdachte altijd met zijn – [betrokkene]’s – piemeltje speelt. Het informatieve gesprek heeft destijds niet geleid tot een aangifte of tot een verhoor van [betrokkene] zelf.

Op 10 december 2010 is door [aangeefster] alsnog aangifte gedaan tegen de verdachte. [betrokkene] is vervolgens op 21 december 2010 en later nogmaals op 21 januari 2013 in een studio verhoord. Bij deze studioverhoren heeft [betrokkene] verklaard over verdergaande seksuele handelingen gepleegd door de verdachte, onder meer bestaande uit anale verkrachting, waarbij door de verdachte ook zou zijn gedreigd.

In hoger beroep is in opdracht van de raadsheer-commissaris door de deskundige dr. G. Wolters onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de relevante verklaringen die in deze strafzaak zijn afgelegd, hetgeen heeft geresulteerd in een rapport d.d. 11 maart 2014.1 Ter terechtzitting van het hof van 28 mei 2014 is de deskundige nader gehoord over zijn bevindingen. De deskundige heeft bij zijn onderzoek een onderscheid gemaakt tussen de ‘onthulling’ in 2005 en de ‘onthulling’ in 2010.

Onthulling in 2010:

Met betrekking tot de verklaringen van [betrokkene] heeft de deskundige dr. G. Wolters het volgende gerapporteerd:2

“Het eerste verhoor van [betrokkene] vindt plaats ruim vijf jaar nadat de gebeurtenissen plaats vonden. Hij was ten tijde van die gebeurtenissen 6 jaar oud. Gezien de lange tijd die is verstreken en zijn leeftijd op dat moment, is niet te verwachten dat een goed en gedetailleerd verslag kan worden gegeven. Door deze beperkingen is ook niet te verwachten dat betrouwbare informatie over tijdstippen en frequenties van gebeurtenissen kan worden gegeven.

Wat [betrokkene] vertelt, is zoals te verwachten nogal algemeen en globaal. Het stereotype verhaal is dat hij ’s nachts bij oom [verdachte] [hof: verdachte] in bed werd genomen en dan anaal werd verkracht, of zijn oom moest pijpen en door hem werd gepijpt. Sommige elementen maken het verhaal geloofwaardig omdat ze op kennis duiden die niet aannemelijk is als het niet zelf werd ervaren, zoals de posities die hij moest innemen bij de anale penetratie en dat dit pijn deed. Een bevestiging voor zijn verklaringen is dat uit de rapportage van de GGZ en het verhoor van therapeut [behandelaar] blijkt dat hij al tijdens de therapiesessies in maart 2009 sprak over anale verkrachting en zei dat hij daarbij een pleister op de mond kreeg zodat hij niet kon schreeuwen.

Een complicerende factor is dat [betrokkene] zegt vanaf zijn 8e jaar met enige regelmaat naar pornografische films te kijken op de tv op zijn eigen kamer omdat hij de code van de pornozender heeft ontdekt. Bovendien zou verdachte hem bij het misbruik naar seksfilms hebben laten kijken. Het is daarom niet uit te sluiten dat elementen die [betrokkene] noemt, ontleend kunnen zijn aan films die hij heeft gezien, zoals sperma dat op zijn buik en gezicht terecht kwam en het gebruik van een crème als glijmiddel.

In het verhaal van [betrokkene] zit ook een aantal elementen die minder geloofwaardig lijken en vragen oproepen. (a) Zo is het scenario dat het misbruik bijna steeds ’s nachts gebeurde, waarbij verdachte [betrokkene] [uit] zijn bed tilde en meenam naar zijn eigen kamer zonder dat hij wakker werd, niet geheel onmogelijk, maar toch minder aannemelijk. (b) Ook de opmerking van [betrokkene] dat hij dan pas wakker werd als oom [verdachte] hem op de wang sloeg wat ‘een brandend gevoel gaf’ (p137) lijkt niet zonder meer geloofwaardig. (c) Volgens [betrokkene] kreeg hij meestal tape op zijn mond geplakt zodat hij niet kon schreeuwen. Op de vraag welke ervaringen hij daarbij had, gaat hij niet in. (d) Verder zegt hij eerst dat hij zelf de tape eraf haalde, maar later geeft hij aan dat oom [verdachte] dat altijd op een pijnlijke manier deed. (e) Op de vraag wat hij voelde bij de penetratie, noemt [betrokkene] alleen ‘dat het pijn deed’. Het is jammer dat op dit punt niet is doorgevraagd, omdat een verdere kwalificatie van de aard van deze pijn meer overtuigende evidentie voor zijn verhaal zou opleveren. (f) Hetzelfde geldt voor de vraag wat hij proefde bij het likken aan de piemel van oom [verdachte] (‘erg vies’). (g) Enkele malen wordt gevraagd hoe het penetreren stopte en dan is het antwoord als oom [verdachte] moe werd, maar er wordt dan door [betrokkene] niets vermeld over mogelijk klaarkomen en sperma. Het klaarkomen en het sperma komt pas aan de orde als wordt begonnen over het likken aan de piemel. In dat verband vertelt [betrokkene] dan spontaan over witte plas [die] uit de piemel van oom [verdachte] kwam.

Bij de onthulling in 2005 is kennelijk niet expliciet gesproken over een bedreiging door oom [verdachte]. Uit de rapportage van de GGZ en het verhoor van therapeut [behandelaar] blijkt dat [betrokkene] daar [hof: in de eerste helft van 2009] aangaf dat hij geld zou hebben aangenomen van zijn oom en dat het daarom zijn schuld was. Verder gaf hij aan dat zijn oom dreigde om hem bij zijn volledige naam te noemen. Pas bij de onthulling tegenover zijn stiefvader in 2010 wordt voor het eerst gezegd dat oom [verdachte] dreigde hem te vermoorden.

Op 21 januari 2013 wordt [betrokkene] nogmaals in de studio gehoord. Het is niet te verwachten dat dit verhoor nog nieuwe bruikbare informatie over de gebeurtenissen in 2005 kan opleveren. [betrokkene] herhaalt over het misbruik inderdaad alles wat hij eerder vertelde. Hij licht hier en daar iets toe zonder dat dit nieuwe inzichten oplevert. De voornaamste reden voor een dergelijk verhoor is om onduidelijkheden op te helderen. Dat gebeurt echter niet en het enige dat het vermelden waard is, zijn enkele discrepanties. (a) Zo benoemt [betrokkene] in 2010 een bepaalde vorm van het misbruik consequent als ‘batsen’, in het verhoor van 2013 komt dit begrip echter niet terug. (b) Verder vertelt [betrokkene] in het verhoor in 2010 gedetailleerd over de ruzie tussen zijn moeder en oom [verdachte] en het overhaaste vertrek van oom [verdachte] (hij zegt bijvoorbeeld dat oom [verdachte] snel zijn koffers ging pakken en dat [de] auto van zijn tante die hem ophaalde al klaar stond). Het is daarom opvallend dat hij in het verhoor van 2013 zegt zich niets te herinneren over een ruzie tussen zijn moeder en oom [verdachte]. Het is echter mogelijk dat hij zich op dat moment deze informatie gewoon niet herinnerde.

Ook in het tweede verhoor wordt niet duidelijk wat precies de aanleiding is geweest van de eerste onthulling van het misbruik in 2005. In beide verhoren geeft [betrokkene] aan dat hij het eerst niet durfde te vertellen omdat oom [verdachte] dreigde zijn moeder te zullen vermoorden als hij wat zou zeggen. Ook zegt hij beide keren dat hij het vertelde omdat oom [verdachte] toch niet terug zou komen en dat de directe aanleiding was dat hij een ontstoken piemel had en zijn moeder toen vroeg hoe dat kwam. Uit andere verklaringen blijkt echter dat deze aanleiding niet aannemelijk is.

In het verhoor van 21 januari 2013 zegt [betrokkene] dat hij bij de eerste onthulling in 2005 alles had verteld. Dit lijkt echter niet juist. Uit wat aangeefster in 2005 in het informatieve gesprek vertelde, is op te maken dat [betrokkene] destijds alleen vertelde dat oom [verdachte] aan zijn piemel had gezeten. Er wordt dan geen melding gemaakt van de doodsbedreigingen en de anale verkrachtingen die de kern vormen van de latere verklaringen. Mogelijk durfde [betrokkene] dit indertijd niet te vertellen, maar deze terughoudendheid gaat dan wel ten koste van de aannemelijkheid van de latere verklaringen. Temeer omdat er enkele jaren en vele ervaringen met kijken naar pornografische films overheen gaan, voordat [betrokkene] komt met de beschuldigingen van anale verkrachting en pijpen.

Ook de aanleiding voor de aangifte in 2010 roept vragen op. De nieuwe onthullingen die tot deze aangifte leiden, komen 5 jaar na dato. De aanleiding voor de onthullingen is dat het slecht gaat met [betrokkene] (gedragsproblemen en achterblijvende schoolprestaties) en dat zijn nieuwe stiefvader hem daarop aanspreekt. [betrokkene] zegt daar weinig over, maar uit andere verklaringen lijkt op te maken dat daarbij flinke druk op [betrokkene] is uitgeoefend. Wel zegt [betrokkene] dat hij een soort ultimatum kreeg voorgelegd (‘of je gaat het zeggen tegen de politie, of je blijft er mee rondlopen’). In die situatie is niet uit te sluiten dat [betrokkene] zich onder druk gezet voelde om het verhaal over zijn misbruik erger te maken dan het feitelijk was.”

De deskundige heeft in zijn rapport geconcludeerd dat bij de onthulling in 2010 en de verklaringen van [betrokkene] diverse vraagtekens zijn te plaatsen waardoor deze verklaringen slechts in beperkte mate betrouwbaar geacht kunnen worden. Er is volgens de deskundige een te lange periode verstreken en er zijn teveel mogelijkheden van beïnvloeding uit andere bronnen geweest om deze onthulling in hoge mate betrouwbaar te laten zijn. Bovendien zijn er volgens de deskundige vraagtekens te plaatsen bij de wijze waarop de onthulling tot stand kwam.3

Blijkens een bij het rapport gevoegde bijlage, bevattende een korte beschrijving van de gevolgde methode van onderzoek, moet onder ‘in beperkte mate betrouwbaar’ worden verstaan een betrouwbaarheid van 30 tot 70 procent.4 Ter terechtzitting van het hof heeft de deskundige verklaard dat, waar het de onderdelen van de verklaringen van [betrokkene] betreft die zien op de beschuldigingen jegens de verdachte die verder gaan dan de onthulling in 2005, naar zijn schatting eerder sprake is van een betrouwbaarheid in de richting van 30 procent dan in de richting van 70 procent.

Voorts heeft de deskundige ter terechtzitting van het hof desgevraagd nog verklaard dat de omstandigheid dat de verdachte in een eerdere strafzaak is veroordeeld voor ontucht met een minderjarige neef waarbij sprake was van een specifieke modus operandi waarover ook door [betrokkene] is verklaard, namelijk het met een sok afvegen van sperma, hem niet tot een ander oordeel brengt voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene]. Volgens de deskundige vormt de omstandigheid dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld een indirecte ondersteuning voor de onthulling van [betrokkene] in 2005 dat hij seksueel door de verdachte is benaderd, doch verandert dit niets aan de vraagtekens die geplaatst kunnen worden bij de onthulling in 2010, gelet op hetgeen in de tussenliggende periode is gebeurd. Ook de omstandigheid dat door het slachtoffer in de eerdere strafzaak is verklaard over bedreiging met geweld maakt volgens de deskundige niet dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene] wordt vergroot, nu [betrokkene] hierover pas bij zijn eerste studioverhoor in 2010 voor het eerst verklaart.

Met betrekking tot de omstandigheid dat de deskundige enerzijds en de leden van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken anderzijds van mening verschillen over de mogelijke invloed van het kijken van pornografische films door [betrokkene] op zijn verklaringen, heeft de deskundige ter terechtzitting van het hof verklaard dat op dit punt inderdaad sprake is van een verschil van inzicht. De deskundige is desgevraagd bij zijn oordeel gebleven dat het niet uit te sluiten is dat [betrokkene] elementen uit pornografische films heeft verweven met zijn eigen verhaal, te meer daar hij pas over de verdergaande seksuele handelingen is gaan verklaren toen hij vanwege problemen onder behandeling was bij de GGZ en toen hij door zijn stiefvader onder druk was gezet. Aldus is het mogelijk dat [betrokkene] zich geroepen heeft gevoeld om met een verklaring voor zijn problemen te komen. De deskundige heeft verklaard dat de frequentie waarmee [betrokkene] naar pornografische films keek alsmede zijn leeftijd (jonge kinderen zijn meer dan volwassenen gevoelig voor suggesties) in dat kader een rol spelen. De deskundige heeft voorts nog opgemerkt dat uit de omstandigheid dat [betrokkene] op jonge leeftijd frequent keek naar pornografische films niet de conclusie mag worden getrokken dat hij is misbruikt.

Gezien de bevindingen van de deskundige dr. G. Wolters, met name de omstandigheid dat door het op jonge leeftijd frequent kijken naar pornografische films het geheugen van [betrokkene] kan zijn gecontamineerd en in aanmerking genomen de omstandigheid dat er geen of nauwelijks ondersteunend bewijs is, zijn bij het hof twijfels gerezen over de betrouwbaarheid van de verklaringen die [betrokkene] in 2010 en 2013 heeft afgelegd. Het hof acht de verklaringen van [betrokkene] over de verdergaande seksuele handelingen dan de handelingen zoals beschreven door [aangeefster] in het informatief gesprek van 15 november 2005 (door de deskundige aangeduid als de onthulling in 2010) dan ook onvoldoende betrouwbaar om aan die verklaringen van [betrokkene] bewijskracht toe te kennen. In hetgeen door de advocaat-generaal is aangevoerd, waaronder de inhoud van de door psychotherapeut (en behandelaar van [betrokkene]) [behandelaar] afgelegde verklaring, ziet het hof onvoldoende reden om tot een ander oordeel te komen. Het hof ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen teneinde J. van der Sleen als deskundige te horen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene], zoals door de advocaat-generaal in overweging is gegeven. Het hof acht zich op basis van het dossier, in het bijzonder het rapport van de deskundige dr. G. Wolters en zijn toelichting op de terechtzitting van het hof alsmede het rapport van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, voldoende voorgelicht.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene] over de verdergaande seksuele handelingen (onthulling in 2010) niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Bij gebrek aan voldoende overig wettig en overtuigend bewijs op dit punt kan niet worden bewezen dat verdachte de betreffende handelingen bij [betrokkene] heeft gepleegd en dient de verdachte in zoverre van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Onthulling in 2005:

Met betrekking tot de oorspronkelijke onthulling door [betrokkene] in 2005 van misbruik door de verdachte (het ‘spelen’ met de penis van [betrokkene]) heeft de deskundige dr. G. Wolters in zijn rapport geconcludeerd dat deze in hoge mate betrouwbaar kan worden geacht.5 Ter terechtzitting van het hof heeft de deskundige desgevraagd verklaard dat deze conclusie is gebaseerd op de omstandigheid dat de onthulling in 2005 het minst gecontamineerd is en er geen aanwijzingen zijn dat die verklaring onjuist zou zijn, de verdachte destijds in de woning verbleef en derhalve de mogelijkheid had om de feiten te plegen en er voor [betrokkene] geen directe aanleiding bestond om op dat moment met de beschuldiging jegens de verdachte te komen.

Het hof stelt evenwel vast dat het bewijs van deze ontuchtige handelingen slechts zou kunnen volgen uit het proces-verbaal inhoudende een journaal van het op 15 november 2005 met [aangeefster] ([betrokkene]’s moeder) gehouden informatieve gesprek. Op 13 december 2012 heeft [aangeefster] bij de rechter-commissaris voorts nog verklaard dat zij heeft gezien dat [betrokkene] een keer in de kamer van de verdachte was en dat zij zag dat de verdachte heel erg schrok toen zij in zijn kamer kwam en voorts dat zij een keer ’s nachts [betrokkene] bij de verdachte in bed heeft zien liggen.

Het hof is van oordeel dat het journaal van het informatieve gesprek met [aangeefster] onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van het betasten van of het likken aan de penis van [betrokkene] door de verdachte. Hetgeen in het journaal van het informatieve gesprek is opgenomen over het misbruik is erg summier en vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen, mede in aanmerking genomen dat, zoals hiervoor is weergegeven, bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de verklaringen die [betrokkene] in 2010 en 2013 heeft afgelegd. Ook de omstandigheid dat de verdachte in een eerdere strafzaak is veroordeeld voor ontucht met een minderjarige neef kan naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet aan het bewijs dat de verdachte de penis van [betrokkene] heeft betast of daaraan heeft gelikt bijdragen, nu de feiten en omstandigheden in die eerdere strafzaak – gelet op de aard van de feiten waar de onthulling van 2005 op ziet – onvoldoende specifiek zijn om als steunbewijs te kunnen dienen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs niet kan worden bewezen dat verdachte de penis van [betrokkene] heeft betast of aan de penis van [betrokkene] heeft gelikt en dient de verdachte ook in zoverre van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Conclusie:

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.

Voorlopige hechtenis

Nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, zal het hof het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, dat reeds op 13 maart 2014 werd geschorst, opheffen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]

De benadeelde partij [betrokkene] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.853,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering volledig toegewezen. De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Nu verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en mitsdien aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dient de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, dat reeds op 13 maart 2014 werd geschorst.

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. J.A. van Zon, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 11 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.A. van Zon is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Rapport betreffende een onderzoek naar de betrouwbaarheid van alle verklaringen die zijn afgelegd in de zaak tegen [verdachte] d.d. 11 maart 2014, opgemaakt door dr. G. Wolters.

2 Pagina’s 6 tot en met 8 van het rapport.

3 Pagina’s 1 en 16 van het rapport.

4 Pagina 17 van het rapport.

5 Pagina’s 1 en 16 van het rapport.