Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1731

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
HD 200.126.733_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenlevingsovereenkomst, kosten van de huishouding, woonlasten, lening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/46.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.126.733/01

arrest van 10 juni 2014

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. drs. E.M.C. Dumoulin te Waalwijk,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

tegen geïntimeerde is verstek verleend,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 13 februari 2013 tussen appellante – de vrouw – als eiseres in conventie, gedaagde in verzet, verweerster in reconventie en geïntimeerde – de man – als gedaagde in conventie, eiser in verzet, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 722111 CV EXPL 12-3533)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het voormelde vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 17 oktober 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het tegen de man verleende verstek;

- de memorie van grieven met producties.

De man heeft verstek laten gaan. De vrouw heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben van 31 juli 2006 tot en met eind april 2011 met elkaar samengewoond.

  2. De tussen partijen op 2 augustus 2006 ten overstaan van een notaris gesloten samenlevingsovereenkomst houdt onder meer het volgende in:

“(…)

Artikel 1.

1. Tussen partijen bestaat geen gemeenschap van goederen, anders dan gebaseerd op een gemeenschappelijke verkrijging.

(…)

Artikel 2.

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen voor rekening van beide partijen in verhouding tot hun netto inkomen uit arbeid.

- Onder inkomen uit arbeid worden ook begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen

(…)

2. Onder netto-inkomen uit arbeid wordt verstaan het inkomen uit arbeid na aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

(…)

5. Tot de kosten van de huishouding worden (onder meer) gerekend de (…) rentelasten van geldleningen aangegaan ter financiering en/of verbetering van de door partijen gezamenlijk bewoonde woning, de kosten van de gebruikelijke verzekeringen (…) evenals de verdere uitgaven waarvan het gebruikelijk is dat deze uit inkomsten worden betaald, voor zover deze uitgaven in redelijkheid geacht kunnen worden te passen binnen het leefpatroon van partijen.

6. Voorzover niet-bijgedragen inkomsten die betrekking hebben op een bepaald kalenderjaar niet binnen twee (2) jaar na afloop van dat kalenderjaar zijn gevorderd, blijven die inkomsten privé-eigendom van die partij.

(…)

Artikel 3.

Indien partijen ervoor kiezen in hun aangifte inkomstenbelasting inkomensbestanddelen en/of aftrekposten op te nemen in een andere verhouding dan waarvoor zij civielrechtelijk gerechtigd zijn, respectievelijk draagplichtig zijn, dan dienen de daarvoor genoten voor- en nadelen tussen hen te worden verrekend.

(…)

Artikel 8.

(…)

Bij beëindiging van de samenwoning, anders dan door overlijden overleggen partijen met elkaar wie van beiden naar eisen van redelijkheid en billijkheid de eerste keuze dient te krijgen het gemeenschappelijke registergoed in eigendom over te nemen. In dit overleg worden tevens afspraken gemaakt over de lastenverdeling van het registergoed in de gewijzigde situatie.

(…)”

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar geweest van de woning aan het [perceel] te [plaats]. Deze woning is op 15 december 2011 verkocht.

De vrouw heeft de man in rechte betrokken. De man is niet in rechte verschenen. De kantonrechter van de rechtbank Breda heeft bij verstekvonnis van 23 november 2011 de vorderingen van de vrouw toegewezen.

De man heeft vervolgens verzet ingesteld tegen dit verstekvonnis, waarop bij genoemd tussenvonnis van 17 oktober 2012 is bepaald dat de man ontvankelijk is in zijn verzet.

4.2.

De vrouw heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd de man te veroordelen om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.680,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 april 2011, althans met ingang van de datum die het hof juist acht tot en met de datum van algehele voldoening, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

4.3.

De man heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd partijen te gebieden tot verdeling van de gemeenschap over te gaan en de vrouw te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 11.336,25 ten titel van verdeling een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Kosten rechtens.

4.4.

De kantonrechter heeft in het beroepen vonnis van 13 februari 2013 in conventie de man, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijst van kwijting te betalen een bedrag van € 2.730,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2011;

De kantonrechter heeft in reconventie verstaan dat de vrouw zorg draagt voor afgifte van de hogedrukreiniger aan de man en de vrouw veroordeeld om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.930,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012;

De kantonrechter heeft in conventie en reconventie de kosten van het geding gecompenseerd aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4.5.

De vrouw kan zich met onderdelen van dit vonnis niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

4.6.

De grieven van de vrouw zien op de volgende onderwerpen:

- de lening ten behoeve van de aanschaf van de Hyundai (grief 1);

- de verrekenpost van de gemeenschappelijke woning (grief 2);

- de bijdrage in de gemeenschappelijke huishoudelijke kosten (grief 3);

Het hof zal deze onderwerpen achtereenvolgens behandelen.

De lening ten behoeve van de aanschaf van de Hyundai

4.7.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vrouw de volgens haar aan de man verstrekte lening ten bedrage van € 2.950,- ten behoeve van de aanschaf van een Hyundai onvoldoende heeft aangetoond en de vordering van de vrouw ter hoogte van voornoemd bedrag afgewezen.

4.7.1.

De vrouw verwijst naar productie 25 bij de conclusie van antwoord in reconventie waarmee volgens de vrouw is aangetoond dat zij op/omstreeks 21 oktober 2002 twee kasopnames heeft gedaan van in totaal € 2.850,-. De vrouw legt in hoger beroep een
e-mail bericht van de RDW over waaruit blijkt dat de tenaamstelling van de Hyundai met het kenteken [kenteken] op 23 oktober 2002 is gewijzigd. Ten slotte stelt de vrouw dat de man voor zijn stelling dat hij de Hyundai van € 3.000,- door middel van een lening van zijn vader betaald heeft, geen bewijs heeft geleverd en dat de kantonrechter daaraan ten onrechte voorbij is gegaan.

De man heeft in eerste aanleg de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist en gesteld dat hij van zijn vader geld heeft geleend om de Hyundai aan te schaffen.

4.7.2.

Het hof passeert het betoog van de vrouw dat de man bewijs had moeten leveren van zijn stelling dat hij de Hyundai door middel van een lening van zijn vader ten bedrage van € 3.000,- heeft betaald. De man is daartoe niet gehouden. In het bijzonder is geen sprake van een zogenoemd zelfstandig of bevrijdend verweer, waarbij de bewijslast rust op degene die dat verweer voert.

Gelet, verder, op het voldoende gemotiveerde verweer van de man, heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat zij, zoals zij stelt, de man een lening heeft verstrekt ten bedrage van € 2.950,- (ten behoeve van de aanschaf van een Hyundai). Weliswaar heeft de vrouw stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de tenaamstelling van de Hyundai op 23 oktober 2002 is gewijzigd, maar daaruit volgt nog niet dat de kasopnamen van € 2.850,- (van – omstreeks – 21 oktober 2002) besteed zijn aan de aanschaf van de Hyundai, laat staan dat het daarbij zou gaan om door de vrouw aan de man geleende gelden. Grief 1 faalt derhalve.

De verrekenpost van de gemeenschappelijke woning

4.8.

De kantonrechter heeft als volgt geoordeeld.

Partijen waren gezamenlijk eigenaar van de woning en waren in zoverre in gevolge artikel 3:172 BW gehouden ieder voor de helft bij te dragen in de vaste lasten van de woning. De omstandigheid, dat de vrouw, naar zij stelt, niet in staat was om een bijdrage te betalen, maakt dit niet anders. Met de man acht de kantonrechter het redelijk dat de man twee derde en de vrouw een derde voor haar rekening neemt van de maandelijkse vaste lasten. Door de vrouw is niet betwist, dat de man ter zake de hypotheekrente en de premie levensverzekering maandelijks respectievelijk € 727,57 en € 234,- heeft voldaan. Rekening houdend met een belastingteruggave van € 316,- leidt dit tot een totaalbedrag van € 643,57. Hiervan komt per maand € 214,50 voor rekening van de vrouw, zodat zij over de periode van april 2011 (toen de vrouw de woning verliet) tot december 2011 (toen de woning werd verkocht) in totaal 9 x € 214,50 = € 1,930,50 aan de man verschuldigd is. De door de man gestelde lasten ter zake gas, water licht e.d. worden buiten beschouwing gelaten, nu de man feitelijk als enige gebruik kon maken van de woning. De man heeft immers niet weersproken, dat hij de sloten van de woning had gewijzigd, waardoor de vrouw geen toegang meer had tot de woning. De overige door de man aan de orde gestelde posten worden als niet-onderbouwd afgewezen.

4.8.1.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat zij op basis van de redelijkheid en billijkheid niet gehouden is in de periode nadat zij de woning heeft verlaten bij te dragen in de woonlasten. De vrouw stelt daartoe dat de verhouding van de inkomens van partijen 70%-30% was. In dat geval kan van de vrouw geen bijdrage in de lasten van 33,3% worden verlangd. De netto woonlast van de woning is met € 622,76 ruim onder het bedrag dat gezien het inkomen als maximaal redelijk kan worden geacht. De vrouw had in de genoemde periode – door de situatie gedwongen – een eigen woonlast van € 478,40 per maand.

Subsidiair stelt de vrouw dat de man geen € 234,- maar € 211,19 per maand aan de premie levensverzekering heeft betaald. De berekening van de kantonrechter volgend, resulteert dit in een bijdrage van de vrouw van in totaal € 1.863,31.

De man heeft in eerste aanleg de stellingen van de vrouw betwist.

4.8.2.

Het hof overweegt als volgt.

De woning behoorde in de hier relevante periode van april 2011 (toen de vrouw de woning verliet) tot december 2011 (toen de woning werd verkocht) aan partijen gezamenlijk toe, zodat sprake was van een gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW. Niet in geschil is dat de aandelen van de man en de vrouw in de woning gelijk waren. Uit artikel 3:172 BW in verband met artikel 6:10 BW volgt dan dat zij ook ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aan de woning verbonden kosten, ook als slechts een deelgenoot, hier de man, het gebruik van die woning heeft (gehad). Hetgeen de vrouw stelt kan niet tot een andere verdeling van de draagplicht leiden. Nu het standpunt van de man echter is dat – in afwijking van de wettelijke hoofdregel (waarvoor de eerste zinsnede van artikel 3:172 BW ruimte biedt) – slechts een derde van de woonlasten voor rekening van de vrouw dient te komen (verzetdagv. 22 mei 2012, prod. 2, p. 2 in fine) en voorts de kantonrechter ook in die zin heeft geoordeeld (rov. 3.17), de man daartegen geen grieven heeft gericht en de vrouw van haar eigen hoger beroep niet slechter mag en kan worden dient van díe verdeling van de draagplicht te worden uitgegaan. Aldus faalt het primaire standpunt van de vrouw.

Wat het subsidiaire standpunt van de vrouw betreft, merkt het hof op dat zij als productie 5 bij de memorie van grieven het polisblad van de Opstap Hypotheekverzekering heeft overgelegd waaruit inderdaad, zoals zij stelt, een maandpremie blijkt van € 211,19. De grief van de vrouw op dit punt slaagt dan ook. Dit leidt ertoe dat de vrouw, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, ter zake van – kort gezegd – de gemeenschappelijke woning geen € 1.930,50, maar € 1.930,50 minus [ [€ 234,- minus € 211,19 = € 22,81] x 9 (maanden) : 3 (een derde) =] € 68,43 = € 1.862,07 aan de man verschuldigd is (het resultaat dat de vrouw heeft berekend (€ 1.868,31) berust op een rekenfout).

De bijdrage in de gemeenschappelijke huishoudelijke kosten

4.9.

De kantonrechter heeft de vordering van de vrouw ter zake van de gemeenschappelijke huishoudelijke kosten afgewezen.

4.9.1.

De vrouw stelt dat, gelet op de inkomens van partijen, de man aan de vrouw over 2009 een bedrag van € 2.436,- en over 2010 een bedrag van € 1.560,50 verschuldigd is, nu de vrouw gelet op de inkomensverhouding tussen partijen meer dan evenredig heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Voorts stelt de vrouw dat de man de jaarlijkse belastingteruggaven op zijn privé-rekening heeft ontvangen en dat de man aan de vrouw de helft van die teruggaven dient te betalen, ofwel over 2009 € 1.988,- en over 2010 € 2.212,50.

De man heeft in eerste aanleg betwist dat hij te weinig heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

4.9.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De vrouw heeft in de toelichting op haar grief de nadruk gelegd op de inkomens van partijen en het bedrag dat als gevolg daarvan op de gezamenlijke rekening is bijgeschreven. De vrouw laat echter na de kosten van de huishouding in de jaren 2009 tot en met 2011, de periode waarover de vrouw in hoger beroep verrekening van de kosten van de huishouding vordert, nader te specificeren en te onderbouwen. Zo al mogelijk, kan van het hof niet worden verlangd dat het op basis van de overgelegde bankafschriften de kosten van de huishouding becijfert. Aldus staat niet vast wat de kosten van de huishouding in de genoemde periode zijn geweest en of partijen genoodzaakt waren hun volledige inkomen daaraan te besteden (hetgeen de vrouw door de onderbouwing van haar grief lijkt te suggereren). Als gevolg hiervan kan door het hof evenmin worden vastgesteld of de vrouw nog aanspraak maakt op (een deel) van de voorlopige aanslagen over 2009 en 2010. Het kan immers zo zijn dat in de door de man gedane stortingen van geldbedragen op de gezamenlijke rekening de ontvangen voorlopige aanslagen reeds zijn verwerkt. De vrouw heeft haar stelling aldus onvoldoende onderbouwd, zodat haar grief faalt.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West Brabant, doch alleen voor daarbij in reconventie de vrouw is veroordeeld aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.930,50,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.862,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012;

bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, W.T.M. Raab en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juni 2014.