Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1704

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
HV 200.145.441_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien verslavingsproblematiek reeds bij de toelatingszitting door de schuldenaar wordt gemeld kan gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de verslavingsproblematiek geen sprake meer zijn van een situatie als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 28 mei 2014

Zaaknummer : HV 200.145.441/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/12/594 R

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.C.C.M. Nadaud te Vaals.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 april 2014, heeft, voor zover thans van belang, [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek van de bewindvoerder betreffende de (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

2.2.

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 mei 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante], bijgestaan door mr. Nadaud.,

  • -

    mevrouw W.A. Goertz, hierna te noemen: de bewindvoerder.

  • -

    mevrouw N. Haane, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder, als informante.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 april 2014;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 30 april 2014 en 7 mei 2014;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 23 april 2014;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde civiele toevoeging d.d. 21 april 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over het gedane verzoek tot handhaving van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

Bij vonnis van 27 november 2012 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 27 februari 2014 tussentijds beëindigd, nu er naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot [appellante] feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw. Bij het ontbreken van voldoende baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Hoewel schuldenares ter zitting in alle toonaarden ontkent dat er sprake is van een alcoholprobleem, wijst het rapport van Annex anders uit. Ook ten overstaan van de bewindvoerder heeft zij verklaard dagelijks te drinken. Terwijl verder uit alle stukken van de huisarts blijkt dat er wel degelijk sprake is van alcoholmisbruik. (…)

Ter zitting is verder naar voren gekomen dat schuldenares niet aan de sollicitatie- en arbeidsplicht kan voldoen. Schuldenares heeft aangevoerd dat haar psychische problemen zulks belemmeren. Ook dit heeft zij tijdens de toelatingszitting niet gemeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat schuldenares bij toelating feiten en omstandigheden, een alcoholverslaving en psychische problemen, heeft verzwegen die, waren zij toen bekend geweest, toelating tot de schuldsanering in de weg zouden hebben gestaan. Er is immers sprake van een situatie die onvoldoende stabiel is om er het gerechtvaardigde vertrouwen aan te ontlenen dat de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zullen worden nageleefd.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven – onder meer het volgende aangevoerd. Van een alcoholprobleem is geen sprake. Het rapport van Annex spreekt ook niet van een alcoholprobleem. Er zijn problemen met de lever waarvoor de redenen voor de arts niet duidelijk zijn. Deze problemen kunnen derhalve berusten op verschillende dingen, van middelenmisbruik tot infectie. Ook uit het psychische onderzoek en de sociale knelpunten blijkt niet van enige verslavingsproblematiek. Het advies in het rapport, dat haar verslaving moet worden aangepakt in de vorm van dagbehandeling/besteding, komt voor [appellante] dan ook als een donderslag bij heldere hemel. Uit het rapport blijkt immers niet dat er sprake is van een verslaving. Daarnaast stelt [appellante] dat het rapport ook nimmer met haar is besproken. Met betrekking tot haar psychische problematiek merkt [appellante] op dat uit het Annex rapport blijkt dat er nog geen CIZ indicatie is vastgesteld maar dat zij in de tussentijd wel een psychische behandeling heeft gehad, die zij evenwel niet heeft afgemaakt. Tot slot merkt [appellante] op dat de beschermingsbewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat [appellante] zich aan de regels houdt, dat de bewindvoerder nooit problemen met haar heeft en dat zij met drie man uitkomt met haar leefgeld van € 80,00 per week.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] is van mening dat zij, vanwege haar psychosociale problematiek, vrijgesteld moet worden van de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieplicht. Hiertoe heeft de gemeente Vaals aan Annex BV te [vestigingsplaats] de opdracht te geven [appellante] te onderwerpen aan een psychologisch belastbaarheidsonderzoek dat in juni 2013 heeft plaatsgevonden. Nog voordat [appellante] de rapportage van dit onderzoek, welke in juni 2013 voorhanden was, had kunnen aanwenden om een verzoek tot een vrijstelling van de sollicitatieplicht te adstrueren, heeft de bewindvoerder de in deze rapportage vermelde onderzoeksresultaten gebruikt om op basis hiervan de schuldsaneringsregeling van [appellante] voor te dragen voor een tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw. Voorts geeft [appellante] aan dat zij thans voor haar psychosociale problematiek onder behandeling staat van een aan de praktijk van haar huisarts verbonden psycholoog.

3.7.

De bewindvoerder is in haar brief gedetailleerd ingegaan op de door Annex verstrekte informatie.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Reeds ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling was, blijkens de stukken van de toelatingszitting, (welke stukken overigens bij het hof niet bekend zijn, mede nu deze stukken in het kader van het onderhavige appel niet zijn ingediend) de verslavings- en psychosociale problematiek bij de rechtbank bekend, althans, had bij de rechtbank bekend kunnen, dan wel moeten zijn. Er wordt in de door de bewindvoerder aangehaalde stukken immers gesproken van bovenmatig alcoholgebruik, depressieve klachten, een persoonlijkheidsstoornis en kenmerken van borderline. De rechtbank heeft destijds evenwel besloten [appellante] toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Daarbij acht de bewindvoerder het niet onaannemelijk dat een en ander niet is geschied op basis van een weloverwogen oordeel van de rechtbank, maar dat de informatie met betrekking tot de verslavings- en psychosociale problematiek de rechtbank geheel of gedeeltelijk is ontgaan en daardoor, ten onrechte, destijds niet in het kader van haar oordeelsvorming door de rechtbank is meegewogen. Nu in het rapport van Annex de verslavings- en psychosociale problematiek van [appellante] nader en nadrukkelijker worden omschreven, acht de bewindvoerder een tussentijdse beëindiging evenwel alsnog op zijn plaats.

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.9.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw, te beoordelen of er bij [appellante], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat het voor de beslissing die thans moet worden genomen, niet relevant is of op dit moment sprake bij [appellante] sprake is van alcoholproblematiek. Nu de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep nadrukkelijk en, desgevraagd, bij herhaling heeft verklaard dat de informatie waaruit blijkt van verslavings- en psychosociale problematiek van [appellante] reeds ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling deel uitmaakte van het dossier waarover de rechtbank beschikte, kan er geen sprake zijn van een situatie zoals bedoeld in artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw.

3.9.3.

Vast staat evenwel ook dat [appellante] niet heeft voldaan aan de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting, waarbij niet is gebleken dat er door de rechter-commissaris een ontheffing van deze verplichting is verleend en evenmin is gebleken dat [appellante] inmiddels een verzoek tot het verkrijgen van een dergelijke ontheffing heeft ingediend. Het hof acht het, mede gelet op de ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de beschermingsbewindvoerder van [appellante], echter voldoende aannemelijk dat [appellante] de resultaten van het Annex rapport aan heeft willen wenden om een dergelijke aanvraag te adstrueren maar dat zij daartoe, als een gevolg van de voordracht van de bewindvoerder tot een tussentijdse beëindiging van haar schuldsaneringsregeling, nog niet in de gelegenheid is geweest.

3.9.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof thans vooralsnog dan ook geen gronden om de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds te beëindigen. Hierbij merkt het hof echter op dat het thans wel nadrukkelijk op de weg van [appellante] ligt om op zeer korte termijn de rechter-commissaris te verzoeken haar een ontheffing van de sollicitatieplicht te verlenen en, indien en zolang deze ontheffing niet wordt verleend, direct en onverkort invulling te gaan geven aan de voor haar alsdan uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting. Ook dient [appellante] voort te gaan met de behandeling van haar psychosociale problematiek, in het kader waarvan, naar [appellante] ter zitting in hoger beroep heeft gesteld, zij thans onder behandeling staat van een aan de praktijk van haar huisarts verbonden psycholoog.

3.10.

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.F.M. Pols en Th.A. Pouw en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.