Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1703

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
HV 200.145.430_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu familie van schuldenaren zich bereid hebben verklaard de resterende schuld te voldoen op voorwaarde dat aan schuldenaren alsdan de schone lei zal worden verleend kan, indien de toegezegde betaling inderdaad voor een door het hof bepaalde pro forma datum heeft plaatsgevonden, daadwerkelijk de schone lei worden verleend.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 22 mei 2014

Zaaknummer: HV 200.145.430/01

Zaaknummers eerste aanleg: R 11/45 en R 11/46.

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

en

[de man],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [de vrouw] respectievelijk [de man],

advocaat: mr. A. Karacelik te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 april 2014 en aanvullend beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 18 april 2014, hebben appellanten ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en primair te bepalen dat aan hen de schone lei wordt verleend, subsidiair te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op verzoekers van toepassing blijft en te bepalen dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd ex art. 349a lid 2 Fw voor de maximale duur van vijf jaren..

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [de vrouw] en [de man], bijgestaan door mr. C. Car, waarnemend voor mr. Karacelik;

- C.W.H.M. Uitdehaag, hierna te noemen: de bewindvoerder;

- G. Breusers, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder, in haar hoedanigheid als informante.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 maart 2014;

- de brief met bijlage van de advocaat van [de vrouw] en [de man] d.d. 17 april 2014 en 7 mei 2014;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 8 mei 2014;

- de ter zitting door [de vrouw] en [de man] overgelegde stukken, te weten: een verklaring van [zwager van de vrouw] en[zus van de vrouw] d.d. 12 mei 2014, waarin zij verklaren bereid te zijn de schuld van [de vrouw] en [de man] aan kinderdagverblijf Kidsworld van € 14.000,00 te voldoen, indien aan [de vrouw] en [de man] de schone lei zal worden verleend.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [de vrouw] en [de man] als rechthebbenden toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over het gedane verzoek tot het verlenen van de schone lei, dan wel verlenging van de schuldsaneringsregeling van [de vrouw] en [de man] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

Bij vonnis van 31 januari 2011 is ten aanzien van beide appellanten, die destijds met elkaar een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan zonder het opmaken van partnerschapsvoorwaarden, de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) vastgesteld dat [de vrouw] en [de man] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Aangezien inmiddels de looptijd van de schuldsaneringsregeling was verstreken, heeft de rechtbank tevens haar eindoordeel gegeven. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [de vrouw] en [de man] geen “schone lei” is verleend.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Gedurende de schuldsaneringsregeling heeft de schuldenares slechts parttime gewerkt. Op haar rustte een aanvullende sollicitatieverplichting. Tot juni 2013 heeft de schuldenares niet aan haar aanvullende sollicitatieverplichting voldaan. De schuldenaar heeft evenmin aan zijn fulltime inspanningsverplichting voldaan. (…)

Zelfs nadat de rechtbank eerder, op 1 juni 2012, tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft geweigerd hebben de schuldenaren wederom niet voldaan aan hun sollicitatieverplichting. (…)

Niet is gebleken dat de schuldenaren wegens medische klachten niet in staat zijn om fulltime te werken.

Daarbij komt dat de schuldenaren een bovenmatige nieuwe schuld ten bedrage van € 14.269,88 aan het kinderdagverblijf hebben laten ontstaan. (…)

Tevens hebben schuldenaren nagelaten om correct kinderopvangtoeslag bij de belastingdienst aan te vragen, zodat deze nieuwe schuld voorkomen had kunnen worden. (…)

De schuldenaren hebben tijdens de tussentijdse beëindigingszitting op 4 mei 2012 niets gemeld over de nieuwe schuld, terwijl deze bij aanvang van de schuldsaneringsregeling al bestond en maandelijks opliep. (…)

Tevens is er sprake van een boedelachterstand van € 400,-. Daarmee hebben de schuldenaren ook niet aan hun afdrachtverplichting voldaan. (…)

Reeds eerder is onderhavige schuldsaneringsregeling voorgedragen voor tussentijdse

beëindiging, omdat de schuldenaren hun verplichtingen niet waren nagekomen. Bij vonnissen van 1 juni 2012 is de tussentijdse beëindiging geweigerd en hebben de schuldenaren nog een laatste kans gekregen om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. De schuldenaren waren dus ruimschoots gewaarschuwd en geïnformeerd over hetgeen van hen verwacht werd in de schuldsaneringsregeling, alsmede de consequenties van het niet nakomen van de verplichtingen. Desondanks is er geen (wezenlijke) verbetering opgetreden in het gedrag van de schuldenaren en zijn de problemen alleen maar groter geworden.”

[de vrouw] en [de man] kunnen zich met deze uitspraak niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[de vrouw] en [de man] hebben in het beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd dat zij wegens sociaal medische redenen hun sollicitatieplicht niet in voldoende mate hebben kunnen nakomen. Deze sociaal medische redenen hebben ook een rol gespeeld bij het niet aanvragen van de kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst heeft inmiddels verklaard dat de kinderopvangtoeslag niet meer zal worden verstrekt. [de vrouw] en [de man] zullen de Belastingdienst evenwel wederom verzoeken om de kinderopvangtoeslag alsnog aan hen toe te kennen. Voorts geven [de vrouw] en [de man] aan dat zij zullen trachten de boedelachterstand nog voor de mondelinge behandeling in hoger beroep volledig in te lopen. Indien het hof van oordeel is dat voornoemde tekortkomingen hen kunnen worden aangerekend, verzoeken [de vrouw] en [de man] te termijn van de schuldsaneringsregeling conform het advies van de bewindvoerder te verlengen, zodat zij hun verplichtingen alsnog goed en volledig na kunnen komen.

3.5.1.

Hieraan hebben [de vrouw] en [de man] ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - toegevoegd dat [de man] op dit moment betaalde arbeid verricht met zicht op een contract voor onbepaalde tijd en dat het tijdig overleggen van zijn loonstroken aan de bewindvoerder niet altijd mogelijk is, omdat hij zelf zijn loonstroken doorgaans niet tijdig van zijn werkgever ontvangt. Voorts hebben [de vrouw] en [de man] aangegeven dat zij de ontstane boedelachterstand inmiddels volledig hebben afgelost en dat zij wel degelijk getracht hebben om kinderopvangtoeslag aan te vragen maar dat dit, buiten hun schuld, niet is gelukt, omdat het kinderdagverblijf waarop hun kinderen aanvankelijk zaten failliet is gegaan en er volgens de Belastingdienst onduidelijkheden waren met betrekking tot het registratienummer van dit kinderdagverblijf. Voorts hebben [de vrouw] en [de man] aangegeven dat zij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling een afkoopregeling hebben voorgesteld voor een bedrag van € 10.000,00, een gift van de stiefmoeder van [de man], maar dat hiermee door de bewindvoerder niets is gedaan. Thans leggen [de vrouw] en [de man] een verklaring over van de zus van [de vrouw] en haar man die bereid zijn de schuld aan het kinderdagverblijf van € 14.000,00 te voldoen, indien aan [de vrouw] en [de man] de schone lei wordt toegekend.

3.5.2.

De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep met betrekking tot het eerder gedane afkoopvoorstel van € 10.000,00 aangevoerd dat een en ander destijds niet kon worden geeffectueerd, omdat er nog sprake was een forse belastingschuld. Daarna had het volgens de bewindvoerder op de weg van [de vrouw] en [de man] gelegen om het afkoopvoorstel alsnog te effectueren. Hij had daar als bewindvoerder ook zijn medewerking

aan willen verlenen, maar doordat het afkoopvoorstel niet werd geëffectueerd heeft de financier van het afkoopvoorstel zich teruggetrokken, aldus de bewindvoerder.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.6.2.

Vast staat dat [de vrouw] en [de man] de ontstane boedelachterstand inmiddels volledig hebben afgelost. Verder acht het hof het aannemelijk, mede gelet op hetgeen ter zitting in hoger beroep is verklaard, dat het niet ontvangen van de kinderopvangtoeslag [de vrouw] en [de man] niet kan worden verweten althans niet kan worden toegerekend nu hun aanvraag voor die kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst niet is gehonoreerd als gevolg van problemen met betrekking tot het registratienummer van de inmiddels failliet gegane kinderopvanginstelling. Voorts acht het hof voldoende aannemelijk dat het niet doorgaan van het afkoopaanbod met een bedrag € 10.000,00, [de vrouw] en [de man] niet ten volle kan worden verweten althans niet volledig valt toe te rekenen, nu [de vrouw] en [de man] ter zitting in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling hebben verklaard dat de financier van het afkoopaanbod, anders dan door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep is verklaard, zich nimmer heeft teruggetrokken

3.6.3.

Vast staat voorts dat de zus van [de vrouw] en haar man zich bereid hebben verklaard om de schuld aan het kinderdagverblijf van € 14.000,00 te voldoen, indien aan [de vrouw] en [de man] (alsnog) de schone lei wordt verleend. Hoewel het hof tevens heeft vastgesteld dat [de vrouw] met betrekking tot de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting toerekenbaar in de nakoming hiervan tekort is geschoten ziet het hof echter aanleiding om te bepalen dat, in het licht van de wijze waarop de schuldsaneringsregeling voor het overige is verlopen en gelet op de omstandigheid dat inmiddels een substantieel bedrag voor de schuldeisers van [de vrouw] en [de man] is gespaard, deze tekortkoming, gezien haar relatief geringe betekenis, buiten beschouwing zal blijven, indien althans, zoals ter zitting in hoger beroep is voorgehouden en toegezegd, de zus van [de vrouw] en haar man het bedrag van € 14.000,00 uiterlijk op de in dit arrest genoemde Pro Forma datum hebben gestort op de derdenrekening van de bewindvoerder en de bewindvoerder deze storting, alsmede de toestemming van de zus van [de vrouw] en haar man dat dit bedrag mag worden betaald aan het kinderdagverblijf, uiterlijk op de in dit arrest genoemde Pro Forma datum aan het hof heeft bevestigd; daarmee immers wordt de bovenmatige nieuwe schuld, die daargelaten de gang van zaken rondom de kinderopvangtoeslag niet had mogen en ook niet had kunnen ontstaan indien [de vrouw] en [de man] naar alternatieven hadden gezocht, alsnog teniet gedaan. Alsdan kan, alles overziende, aan [de vrouw] en [de man] alsnog de “schone lei” worden verleend.

4 De uitspraak

Het hof:

houdt de behandeling van de zaak met het in rechtsoverweging 3.6.3. van dit arrest overwogen oogmerk aan tot 30 mei 2014, PRO FORMA.

Na de zitting is het hof uit een faxbericht van de advocaat van [de vrouw] en [de man] d.d. 16 mei 2014 evenwel gebleken dat [zwager van de vrouw] en [zus van de vrouw] het bedrag van € 14.000,00 inmiddels hebben gestort op zijn derdenrekening. Het hof stelt derhalve thans de advocaat van [de vrouw] en [de man] in de gelegenheid om voornoemd bedrag uiterlijk op de in dit arrest genoemde Pro Forma datum aan het kinderdagverblijf te voldoen alsmede het hof hiervan aansluitend een betalingsbewijs te doen toekomen.

bepaalt dat het eindarrest zal worden uitgesproken op 12 juni 2014;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.F.M. Pols en Th.A. Pouw en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2014.