Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1700

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
20-000087-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. In het omzettingslaboratorium waarvoor verdachte werkzaamheden verrichtte werd apaan omgezet in BMK. Uit BMK kan amfetamine worden gemaakt, een verdovend middel dat is vermeld op Lijst I van de Opiumwet.

De verdachte heeft door zijn handelwijze bijgedragen aan voorbereiding van de productie van harddrugs die, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. Het hof acht het van groot belang dat er hard wordt opgetreden tegen personen die feitelijk aan de basis staan van handel in harddrugs en de daarmee samenhangende criminaliteit.

het hof legt een gevangenisstraf van 2 jaar en 3 maanden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000087-13

Uitspraak : 3 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 december 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-993204-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet (feit 1), het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3) en het voorhanden hebben van een geluidsdemper (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken ter zake van - kort gezegd - overtreding van artikel 2 van de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën (feit 2).

Voorts heeft de rechtbank beslist op de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de officier van justitie is blijkens de ‘akte beroep’ van 2 januari 2013 onbeperkt ingesteld. Bij de ‘akte partiële intrekking beroep’ van 19 april 2013 is het hoger beroep tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit ingetrokken.

er terechtzitting van 22 april 2013 heeft de raadsvrouwe medegedeeld dat het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de veroordeling ter zake van de onen 4 ten laste gelegde feiten en de opgelegde straf en niet is gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak.

Nu voor de verdachte geen hoger beroep openstaat tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, terwijl het hoger beroep van het openbaar ministerie zich daar ook niet meer tegen richt, wordt het hoger beroep begrepen als niet tegen deze vrijspraak gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, namelijk het ten laste gelegde onder 1, 3 en 4.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte ter zake van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest;

  • -

    de in beslag genomen goederen zal onttrekken aan het verkeer.

De raadsvrouwe heeft:

  • -

    bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ter zake van de bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en de onder verdachte in beslag genomen goederen;

  • -

    verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan het reeds ondergane voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 26 oktober 2011 te Oisterwijk en/of Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet - te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I - voor te bereiden en/of te bevorderen,

(telkens) zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

(telkens) (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij en/of zijn, verdachtes, mededaders (telkens) opzettelijk daartoe:

- (een) materia(a)l(en) bestemd voor het maken van (een) productieopstelling(en) (voor de productie van BMK (1-fenyl-2-propanon)), te weten (onder andere) (een) blauwe ton(nen) en/of (een) zwarte ton(nen) en/of (een) mixer(s) en/of (een) roermotor(en) en/of (een) (plastic) slang(en) en/of (een) buis/buizen aangeschaft en/of voorhanden gehad en/of

- (vervolgens) die productieopstelling(en) gemaakt en/of

- (vervolgens) die productieopstelling(en) geassembleerd en/of opgebouwd en/of

- APAAN (alpha phenylacetoacetonitril) en/of water en/of zwavelzuur samen gevoegd en/of (vervolgens) verwarmd (waardoor BMK (1-fenyl-2-propanon) is verkregen) en/of

- een grote hoeveelheid, in elk geval 21, althans (een) doos/dozen (à 20 kg) inhoudende de stof APAAN (alpha phenylacetoacetonitril) (bestemd voor de productie van BMK (1-fenyl-2-propanon)) voorhanden gehad en/of opgeslagen en/of

- een grote hoeveelheid, in elk geval 17, althans (een) jerrycan(s) zwavelzuur voorhanden gehad en/of opgeslagen en/of

- een grote hoeveelheid, in elk geval 8 liter, van een stof bevattende BMK
(1-fenyl-2-propanon) voorhanden gehad en/of opgeslagen en/of

- (een) aantekening(en) en/of (een) notitie(s) met betrekking tot de productie van synthetische drugs en/of precursoren voorhanden gehad en/of

- een loods en/of (een) voertuig(en) ter beschikking gesteld.


3.
hij op of omstreeks 20 maart 2012 te Tilburg één of meer wapens van categorie III, te weten een semiautomatisch pistool (valselijk voorzien van het merk- en typenaam Beretta 950B), en/of munitie van categorie III, te weten zes, althans een aantal, patronen (kaliber 6.35, merk Geco), voorhanden heeft gehad;


4.
hij op of omstreeks 20 maart 2012 te Tilburg één of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een geluidsdemper voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 26 oktober 2011 te Oisterwijk, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet - te weten het opzettelijk bereiden van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen - voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben hij en/of zijn, verdachtes, mededaders opzettelijk daartoe:

- materialen bestemd voor het maken van een productieopstelling voor de productie van BMK (1-fenyl-2-propanon), te weten (onder andere) een roermotor en plastic slangen voorhanden gehad en

- APAAN (alpha phenylacetoacetonitril) en water en zwavelzuur samen gevoegd en verwarmd waardoor BMK (1-fenyl-2-propanon) is verkregen en

- een grote hoeveelheid dozen (à 20 kg) inhoudende de stof APAAN
(alpha phenylacetoacetonitril) bestemd voor de productie van BMK
(1-fenyl-2-propanon) voorhanden gehad en

- een grote hoeveelheid jerrycans zwavelzuur voorhanden gehad en

- een stof bevattende BMK (1-fenyl-2-propanon) voorhanden gehad;


3.
hij op 20 maart 2012 te Tilburg een wapen van categorie III, te weten een semiautomatisch pistool (valselijk voorzien van het merk- en typenaam Beretta 950B), en munitie van categorie III, te weten zes patronen (kaliber 6.35, merk Geco), voorhanden heeft gehad;


4.
hij op 20 maart 2012 te Tilburg een wapen van categorie I, onder 3, te weten een geluidsdemper voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A.

De raadsvrouwe heeft betoogd dat de observatiecamera gedurende de voor de bewijsvergaring relevante periode zonder grondslag dan wel niet op de juiste grondslag en derhalve onrechtmatig in werking is geweest.

Ad A.

In geval van verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een bevel tot observatie van een persoon geven op grond van artikel 126g Sv. De te observeren persoon kan een verdachte zijn, maar dat hoeft niet. Bij de observatie kunnen allerlei technische hulpmiddelen worden gebruikt, zoals videoapparatuur, infraroodcamera’s en bewegingsdetectoren (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 403, nr. 3, p. 71).

In deze zaak is op 13 juli 2011 een bevel tot stelselmatige observatie aangevraagd. Volgens de aanvrager van het bevel is het in het belang van het onderzoek dat zicht wordt verkregen op de contacten van medeverdachte [medeverdachte 1] , zijn positie ten opzichte van andere verdachten, zijn werkwijze en de door hem bezochte (mogelijke aflever)adressen (p. 6131 t/m 6133).

De officier van justitie heeft op 14 juli 2011 het gevraagde bevel gegeven tot het stelselmatig volgen van medeverdachte [medeverdachte 1] en/of het stelselmatig waarnemen van zijn aanwezigheid en/of gedrag, met de toestemming om daartoe technische hulpmiddelen aan te wenden, namelijk plaatsbepalingsapparatuur en foto- en videoapparatuur om opnamen te kunnen maken van personen en/of voertuigen. Dit bevel gold tot 6 oktober 2011 (p. 6134 en 6135).

In het proces-verbaal aanvraag verlenging 126g WvSv van 28 september 2011 is gemotiveerd verzocht om een verlenging van het bevel tot stelselmatige observatie (p. 6358 t/m 6361).

De officier van justitie heeft het bevel tot observatie verlengd op 29 september 2011 voor de periode van 6 oktober 2011 tot en met 29 december 2011 (p. 6362).

In deze periode, namelijk op 14 oktober 2011, is waargenomen dat medeverdachten

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] goederen hebben ingeladen aan de achterzijde van de woning aan de [adres] te Waalre en – na een ontmoeting met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij de [doe-het-zelfzaak] – naar de loods aan de [adres] te Oisterwijk zijn gegaan.

Op 17 oktober 2011 om 12:58 uur heeft Team opsporingsondersteuning videoapparatuur geplaatst. De camera is daarbij gericht op het adres [adres] te Oisterwijk. In het proces-verbaal dat hiervan is opgemaakt, hebben de opsporingsambtenaren geverbaliseerd dat zij in opdracht van de officier van justitie ondersteuning hebben verleend in het onderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte 1] en dat tegen deze verdachte een bevel stelselmatige observatie is afgegeven (p. 6757).

Het hof leidt uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, af dat de camera die gericht was op de [adres] te Oisterwijk op grond van artikel 126g Sv is geplaatst. Opsporingsambtenaar [verbalisant] heeft dit op 13 januari 2014 ten overstaan van de

raadsheer-commissaris ook bevestigd. Aan de omstandigheid dat de officier van justitie een en ander tijdens de terechtzitting bij de rechtbank in eerste aanleg niet helder voor ogen had, kent het hof geen bijzondere betekenis toe.

Dat de gebeurtenissen op 14 oktober 2011 ook aanleiding hebben gegeven om een aanvraag te doen voor een bevel op grond van artikel 126k Sv, ten behoeve van een zogenaamde inkijkoperatie, doet aan het voorgaande niet af. Dat de opnames die in het kader van de stelselmatige observatie zijn gemaakt mede van dienst zijn geweest voor de uitvoering van de inkijkoperatie, evenmin. Ten overvloede merkt het hof op dat zelfs als de voorgenomen inkijkoperatie mede in ogenschouw is genomen bij de beslissing om de observatiecamera te plaatsen, hetgeen zou kunnen worden afgeleid uit het samenvattende proces-verbaal in deze zaak, er nog geen sprake is van détournement de pouvoir.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

B.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte als (mede)pleger betrokken is geweest bij het omzettingslaboratorium dat op 26 oktober 2011 is aangetroffen in de loods aan de [adres] te Oisterwijk (hierna: de loods).

Ad. B.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen in het bijzonder af:

  • -

    dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 14 oktober 2011 voorwerpen passend bij de laboratoriumopstelling in Oisterwijk en (soort)gelijk aan de in die opstelling aangetroffen voorwerpen hebben overgebracht van Waalre naar Oisterwijk;

  • -

    dat medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] met de auto van verdachte naar de [doe-het-zelfzaak] te Oisterwijk zijn gegaan en daar medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben ontmoet. Daar hebben alle vier de medeverdachten de goederen (soort)gelijk aan de in de opstelling aangetroffen voorwerpen overgeladen naar de auto van verdachte;

  • -

    dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] deze voorwerpen vervolgens hebben uitgeladen bij de loods;

  • -

    dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn achtergebleven bij de [doe-het-zelfzaak] te Oisterwijk en korte tijd daarna zijn opgehaald door [medeverdachte 4] , naar de loods zijn gebracht en dat alle drie de loods hebben betreden;

  • -

    dat verdachte op 17 oktober 2011, 18 oktober 2011, 20 oktober 2011 en 22 oktober 2011 in de loods is geweest;

  • -

    dat verdachte op 25 oktober 2011 om 18.15 uur bij de loods is geweest;

  • -

    dat het laboratorium voor de omzetting van apaan in BMK (een precursor van amfetamine) aan de [adres] te Oisterwijk in elk geval op 26 oktober 2011 omstreeks 01.00 uur reeds in werking was en dat in elk geval vanaf dat moment een sterke chemische lucht waarneembaar was,

  • -

    dat het bij de loods in Oisterwijk in de middag van 26 oktober 2011 sterk rook naar BMK en dat daar een compleet en werkend omzettingslaboratorium werd aangetroffen,

  • -

    dat in de laboratoriumruimte een halfgelaatsmasker is aangetroffen met apaan en BMK-sporen en het DNA-materiaal van verdachte;

  • -

    dat in de keuken van de portakabin, waarin stoffen stonden voor de omzetting en van waaruit de voorbereidingsruimte kon worden betreden, in een asbak een sigarettenpeuk is aangetroffen met daarop het DNA-materiaal van verdachte;

Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte wist dat er in de loods aan de [adres] te Oisterwijk een omzettingslaboratorium aanwezig was en hij bovendien zelf betrokken is geweest bij het productieproces. De omstandigheid dat de asbak (met daarin de sigarettenpeuk) en het gelaatsmasker verplaatsbare goederen zijn doet daaraan niet af, gelet op de overige bewijsmiddelen en gelet op de omstandigheid dat specifieke stoffen betrekking hebbend op het omzettingsproces op het gelaatsmasker zijn aangetroffen.

Dat verdachte - zoals de raadsvrouwe heeft betoogd - alleen in de loods is geweest om stenen te zagen, acht het hof niet aannemelijk. De feiten en omstandigheden die het hof afleidt uit de bewijsmiddelen kunnen daar immers ook niet uit worden verklaard.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. In het omzettingslaboratorium waarvoor verdachte werkzaamheden verrichtte werd apaan omgezet in BMK. Uit BMK kan amfetamine worden gemaakt, een verdovend middel dat is vermeld op Lijst I van de Opiumwet.

De verdachte heeft door zijn handelwijze bijgedragen aan voorbereiding van de productie van harddrugs die, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. Het hof acht het van groot belang dat er hard wordt opgetreden tegen personen die feitelijk aan de basis staan van handel in harddrugs en de daarmee samenhangende criminaliteit.

Voorts levert een laboratorium als het onderhavige, waarbij chemische reacties tussen stoffen plaats vinden, (brand)gevaar op voor de omgeving en gerede kans op schade op voor het milieu. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd,

Het hof houdt er aan de andere kant - net als de rechtbank - rekening mee dat voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet minder strafwaardig worden geacht door de wetgever dan de daadwerkelijke vervaardiging van en handel in harddrugs.

Daarnaast houdt het hof rekening met het feit dat verdachte een vuurwapen met een geluidsdemper en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad, terwijl hij daartoe geen vergunning had. Het illegale bezit van vuurwapens, zeker in combinatie met een geluidsdemper, is een bedreiging voor de samenleving.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de

Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor opiumwetdelicten.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 3 maanden. Hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht legt tegenover de ernst van de feiten onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen reden om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Beslag

De onder verdachte in beslag genomen jerrycans zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer omdat met deze voorwerpen het onder 1 ten laste gelegde feit is begaan dan wel omdat deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar misdrijven waarvan verdachte werd verdacht zijn aangetroffen en het ongecontroleerde bezit van deze goederen in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet, artikel 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten één jerrycan (kleur blauw) met vloeistof en één jerrycan (kleur zwart).

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke opgelegde vrijheidsstraf.

Aldus gewezen door

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, en mr. R.P. van der Pijl. griffiers,

en op 3 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. H. Harmsen zijn buiten staat dit arrest mede ondertekenen.