Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:166

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
HD 200.080.072_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2308
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2012:1168
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2012:5663
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2862
Herstelarrest: ECLI:NL:GHSHE:2014:1087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling nalatenschap; waardering onroerende zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.080.072/01

arrest van 28 januari 2014

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F. van Amstel te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] (België),

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L.A. van Els-van den Berg te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 20 maart 2012, 18 december 2012 en 11 juni 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 88474/HA ZA 02-2177 gewezen vonnissen van 3 januari 2007 en 22 september 2010.

13 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de voormelde tussenarresten;

- de brief van de deskundige Van Steensel d.d. 22 mei 2013;

- het deskundigenbericht van de deskundige Cheizoo dat op 30 augustus 2013 is binnengekomen;

  • -

    de memorie na deskundigenbericht met producties van [appellant];

  • -

    de memorie na deskundigenbericht met producties van [geïntimeerde].

Partijen hebben arrest gevraagd.

14 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

14.1.

Er dient nog beslist te worden op twee geschilpunten: de rekening-courantschuld van [appellant] aan moeder (incidentele grief 5 van [geïntimeerde]) en de verdeling van de onroerende zaak [pand] in [plaats] (grief 4 van [appellant] en grief 3 van [geïntimeerde]).

Met het oog op deze twee geschilpunten heeft het hof in het tussenarrest van 18 december 2012 twee deskundigen benoemd: mr.drs. P.A. van Steensel R.A. en ing. R.K.W. Cheizoo.

De deskundige Van Steensel is door het hof benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:

a. a) op welke wijze zijn de renteopbrengsten van Raborekening met nummer [Raborekeningnummer] vanaf 1975 tot 2 mei 1995 administratief verwerkt en wat was de reden voor deze wijze van administreren?

b) wat is het gevolg geweest van de wijze van administreren van de renteopbrengsten voor de omvang van de hier bedoelde rekening-courantschuld per 2 mei 1995?

De deskundige Cheizoo is benoemd teneinde het hof te adviseren omtrent de waarde van de onroerende zaak [pand] in [plaats] per 22 september 2010, rekening houdend met :

- de algemene ontwikkeling van de prijzen van onroerend goed als het onderhavige in de

periode tussen 23 juni 2005 (datum eerdere taxatie) en 22 september 2010;

- de mogelijke wijziging in de onderhoudstoestand in de periode tussen 23 juni 2005 en

22 september 2010;

- mogelijke andere factoren die voor de waardebepaling van belang zijn.

Het hof heeft hieraan toegevoegd dat de deskundige twee taxaties dient te maken: één voor de situatie waarin het gebruiksrecht van mevrouw [houder gebruiksrecht] op 22 september 2010 nog bestond en één voor het geval het gebruiksrecht op 22 september 2010 reeds was geëindigd.

In de tussenbeschikking van 11 juni 2013 heeft het hof een aanvullend voorschot vastgesteld voor het onderzoek door de deskundige Cheizoo.

Het hof zal thans beslissen op de overgebleven geschilpunten.

14.2.

De rekening-courantschuld van [appellant] aan moeder.

14.2.1.

In het tussenarrest van 20 maart 2012 (onder 4.7.4) heeft het hof overwogen dat er ten aanzien van de rekening-courantschuld één aspect is dat een nader onderzoek behoeft, namelijk een eventuele correctie van de rekening-courantschuld in verband met de wijze van administreren door [appellant] van de renteopbrengsten van de Raborekening van moeder met nummer [Raborekeningnummer].

Het hof begrijpt de standpunten van partijen op dit punt aldus dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt (in haar incidentele grief 5) dat de rekening-courantschuld van [appellant] aan moeder moet worden verhoogd omdat ten onrechte renteopbrengsten (betrekking hebbend op de rekening met nummer [Raborekeningnummer]) in mindering zijn gebracht op de rekening-courantschuld. [appellant] daarentegen stelt zich op het standpunt (in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel punt 28) dat zijn rekening-courantschuld ten onrechte jaarlijks is verhoogd en weer verlaagd in verband met rentebijschrijvingen en opnamen ten behoeve van moeder ter grootte van dezelfde bedragen, dit met uitzondering van het jaar 1975 waarin uiteindelijk (ten onrechte) sprake zou zijn geweest van een verhoging van zijn rekening-courantschuld.

14.2.2.

De door het hof benoemde deskundige Van Steensel heeft bij brief van 22 mei 2013 aan het hof laten weten dat partijen niet de beschikking hebben over die basisdocumenten die noodzakelijk zijn om tot beantwoording van de vragen van het hof te komen. De deskundige heeft de aan hem gegeven opdracht niet kunnen uitvoeren.

14.2.3.

Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen. Anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen ligt het bewijsrisico met betrekking tot de omvang van het bedrag waarmee de rekening-courantschuld moet worden verhoogd, bij haar. Zij is immers degene die aanspraak maakt op een hoger bedrag uit de nalatenschap; stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze aanspraak berusten ingevolge artikel 150 Rv bij haar. De omstandigheid dat [appellant] degene was die de administratie verzorgde maakt dit niet anders, dit gelet op het feit dat het hier gaat om administratieve gegevens van tientallen jaren geleden. [appellant] valt niet aan te rekenen dat er ten aanzien van die periode thans geen (toereikende) stukken meer beschikbaar zijn.

De conclusie is dat incidentele grief 5 van [geïntimeerde] faalt.

14.3.

De verdeling van de onroerende zaak [pand] in [plaats].

14.3.1.

In het tussenarrest van 20 maart 2012 heeft het hof overwogen dat de onroerende zaak [pand] in [plaats] gemeenschappelijk eigendom is van [appellant] en [geïntimeerde] en verdeeld moet worden. Het hof heeft verder overwogen dat de toedeling van de onroerende zaak door de rechtbank aan [appellant] (bij vonnis van 22 september 2010) niet in geschil is en dat die toedeling dient te geschieden op basis van de waarde van de onroerende zaak op 22 september 2010. Het hof heeft de deskundige Cheizoo benoemd om het hof ten aanzien van de waarde op de peildatum 22 september 2010 te adviseren.

14.3.2.

De deskundige heeft, rekening houdend met de algemene prijsontwikkeling vanaf 23 juni 2005, met de onderhoudstoestand van de onroerende zaak, met de aanwezigheid van asbesthoudende golfplaten en met de afwijkende waardeontwikkeling van woningen met een groot grondwaarde-bestanddeel, de marktwaarde van de onroerende zaak in lege en onverhuurde staat per 22 september 2010 getaxeerd op € 510.000,- en uitgaande van een persoonlijk recht van gebruik en bewoning van mevrouw [houder gebruiksrecht], op € 480.000,-.

14.3.3.

Tussen partijen is in geschil of de onroerende zaak op de peildatum nog was belast met een persoonlijk recht van gebruik en bewoning van mevrouw [houder gebruiksrecht]. [geïntimeerde] bestrijdt dit. Zij stelt dat mevrouw [houder gebruiksrecht] zich op 1 december 2007 heeft laten uitschrijven als ingezetene van de gemeente Landerd (waartoe [plaats] behoort) en is gaan wonen in [woonplaats 2.], gemeente Bernheze. Ten bewijze van deze stelling heeft zij bij haar akte van 17 april 2012 (als productie 11) een verklaring van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landerd d.d. 12 april 2012 in het geding gebracht waarin deze stelling van [geïntimeerde] wordt bevestigd.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat mevrouw [houder gebruiksrecht] de onderhavige onroerende zaak ook ná 22 september 2010 is blijven bewonen. Hij heeft in dit verband bij zijn memorie na deskundigenbericht een ”Eindafrekening d.d. 2 februari 2011” van Essent overgelegd, maar naar het oordeel van het hof blijkt hieruit geenszins dat de stelling van [geïntimeerde] onjuist zou zijn. Integendeel: uit de eindafrekening blijkt juist dat slechts vaste kosten in rekening zijn gebracht en dat in de desbetreffende periode geen elektriciteit is verbruikt. Ook de door [appellant] (bij dezelfde memorie) overgelegde ”mededeling rioolheffing en afvalstoffenheffing 2013” levert naar het oordeel van het hof geen weerlegging op van het door [geïntimeerde] overgelegde bewijsstuk dat afkomstig is van de basisadministratie van de gemeente Landerd. Op de mededeling rioolheffing en afvalstoffenheffing 2013 staat weliswaar vermeld dat de locatie Rijksweg 4 sinds 2 december 2012 als onbewoond staat geregistreerd, maar dit weerlegt niet het feit dat mevrouw [houder gebruiksrecht] zich per 1 december 2007 heeft laten uitschrijven uit de basisadministratie van de gemeente Landerd in verband met haar vertrek naar de gemeente Bernheze.

Gelet op deze uitschrijving en mede gelet op het bepaalde in artikel 1:11 lid 2 BW moet ervan worden uitgegaan, dit bij gebrek aan toereikend tegenbewijs dan wel een aanbod daartoe, dat mevrouw [houder gebruiksrecht] de onderhavige onroerende zaak niet meer bewoont sinds december 2007.

Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat het gebruiksrecht van mevrouw [houder gebruiksrecht] als vervallen moet worden beschouwd zodat voor de waardering van de onroerende zaak uitgegaan moet worden van de marktwaarde in vrije en onverhuurde staat.

14.3.4.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de slechte onderhoudstoestand van de onroerende zaak en de schade als gevolg van vandalisme het gevolg zijn van slecht beheer door [appellant] en voor zijn rekening dienen te komen. Zij verwijst naar het taxatierapport d.d. juni 2011 (overgelegd door [appellant] bij memorie van antwoord in incidenteel appel) waaruit volgens haar blijkt dat er op dat moment nog geen sprake was van schade door vandalisme.

14.3.5.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het rapport van de deskundige Cheizoo blijkt dat bij de waardering door de deskundige rekening is gehouden met het feit dat na de peildatum verdere verslechtering van de onderhoudstoestand heeft plaatsgevonden en dat op dat punt een correctie is toegepast. Op pagina 6 van het rapport wordt immers vermeld: ”Waar de technische veroudering uitgedrukt in percentage in 2005 nog was ca. 45%, is die nu ca. 75%, en zal deze september 2010 60% geweest zijn”.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat er voor het overige thans relevante waardeverminderende aspecten aanwezig zijn die nog niet aanwezig waren op de peildatum 22 september 2010, bijvoorbeeld schade door vandalisme. Immers: er dient van uit te worden gegaan dat de onroerende zaak sinds december 2007 onbewoond was zodat de schade door vandalisme zeer wel (ook) vóór 22 september 2010 kan zijn ontstaan. Het door [geïntimeerde] bedoelde taxatierapport van juni 2011 acht het hof ten aanzien van de onderhoudstoestand van de onroerende zaak niet specifiek genoeg om daaraan een doorslaggevende waarde toe te kennen.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat de waardevermindering als gevolg van slecht onderhoud voor meer dan de helft voor rekening van [appellant] zou moeten komen.

14.3.6.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat de kosten van asbestsanering, die door hem op basis van een offerte van Belas asbestverwijdering d.d. 2 juli 2013 worden begroot op

€ 27.369,- exclusief btw, geheel in mindering op de getaxeerde waarde dienen te komen.

14.3.7.

Dit standpunt van [appellant] kan niet worden aanvaard. De deskundige heeft in verband met de kosten van asbestsanering (en rekening houdend met de door [appellant] overgelegde offerte van [X.]) een correctie toegepast op de getaxeerde waarde. De deskundige heeft daarbij – naar het oordeel van het hof terecht – een schatting gemaakt van de waardevermindering als gevolg van de saneringskosten op de peildatum 22 september 2010.

14.3.8.

[appellant] stelt dat de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het plaatsen van een hekwerk rond de onroerende zaak in mindering moeten worden gebracht op de getaxeerde waarde.

Dat standpunt kan evenmin worden aanvaard. De toedeling van de onroerende zaak heeft plaatsgevonden op 22 september 2010 (vergelijk rechtsoverweging 4.10.5 van het tussenarrest van 20 maart 2012). De consequentie hiervan is dat de kosten met betrekking tot de onroerende zaak die ná die datum zijn opgekomen volledig door [appellant] moeten worden gedragen.

14.3.9.

Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de waarde van de onroerende zaak op 22 september 2010 € 510.000,- bedraagt.

[appellant] heeft in zijn vierde grief bepleit om de waarde op een lager bedrag te bepalen dan het door de rechtbank aangenomen bedrag van € 404.500,-; [geïntimeerde] heeft in haar derde incidentele grief bepleit om de waarde op een hoger bedrag vast te stellen, namelijk op

€ 429.756,-. Omdat het hof niet mag treden buiten de rechtsstrijd in hoger beroep zal het hof de waarde voor de verdeling vaststellen op € 429.756,-.

Dit betekent dat de derde grief van [geïntimeerde] slaagt en de vierde grief van [appellant] faalt.

14.4.

In het hiervoor overwogene en in de tussenarresten heeft het hof de volgende beslissingen genomen:

- bij de verdeling van de nalatenschap van moeder dient verrekening plaats te vinden met een bedrag van f. 50.000,- dat door [appellant] ten behoeve van [geïntimeerde] is betaald aan de kinderen van [naam] (rechtsoverweging 4.4.4 van het tussenarrest van 20 maart 2012);

- het saldo op de bankrekening van moeder bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer] zoals dit thans bestaat dient tussen partijen bij helfte verdeeld te worden (rechtsoverwegingen 4.5.4 en 4.5.5 van het tussenarrest van 20 maart 2012);

- [appellant] is bevoegd om de rekening-courantschuld aan moeder, naar de stand per 2 mei 1995, te verrekenen met zijn vordering op moeder ingevolge de schuldbekentenis d.d. 16 april 1986 groot f. 208.000,- (rechtsoverweging 4.7.7 van het tussenarrest van 20 maart 2012);

- het saldo op de rekening bij de Dresdner Bank met nr. [Dresdner Bankrekeningnummer] zoals dit thans bestaat, dient tussen partijen bij helfte verdeeld te worden (rechtsoverweging 4.10 van het tussenarrest van 20 maart 2012);

- de toedeling van de onroerende zaak [pand] te [plaats] aan [appellant], zoals bepaald door de rechtbank, geschiedt op basis van een waarde van

€ 429.756,- (rechtsoverweging 14.3.9 van dit arrest).

Het hof zal – opnieuw rechtdoende – deze beslissingen opnemen in het dictum van dit arrest.

De vonnissen waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zullen voor het overige worden bekrachtigd.

14.5.

De kosten van de deskundigenonderzoeken dienen door partijen ieder voor de helft te worden gedragen.

Het hof ziet aanleiding, gelet op de familierelatie tussen partijen, om de proceskosten ook voor het overige te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

15 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de vonnissen waarvan beroep voor zover daarin is beslist omtrent:

  • -

    het bedrag van f. 50.000,- dat door [appellant] voor [geïntimeerde] is betaald aan de kinderen van [naam];

  • -

    de verdeling van de Duitse bankrekening bij de Dresdnerbank;

  • -

    de verdeling van de bankrekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer];

  • -

    de waarde van de onroerende zaak [pand] te [plaats];

in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat bij de verdeling van de nalatenschap van moeder verrekening dient plaats te vinden met een bedrag van f. 50.000,- dat door [appellant] ten behoeve van [geïntimeerde] is betaald aan

de kinderen van [naam];

bepaalt dat het saldo op de bankrekening van moeder bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer] zoals dit thans bestaat tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden;

bepaalt dat [appellant] bevoegd is om de rekening-courantschuld aan moeder, naar de stand per 2 mei 1995, te verrekenen met zijn vordering op moeder ingevolge de schuldbekentenis d.d. 16 april 1986 groot f. 208.000,- ;

bepaalt dat het saldo op de rekening bij de Dresdner Bank met nr. [Dresdner Bankrekeningnummer] zoals dit thans bestaat, tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden;

bepaalt dat de toedeling van de onroerende zaak [pand] te [plaats] aan [appellant], zoals bepaald door de rechtbank, geschiedt op basis van een waarde van € 429.756,-;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

bepaalt dat de kosten van de deskundigenonderzoeken door partijen ieder voor de helft gedragen dienen te worden;

compenseert de kosten van het hoger beroep voor het overige in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en W.H.B. den Hartog Jager en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 januari 2014.