Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1650

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
K13/0510
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklagprocedure art. 12 Sv. Hof geeft bevel vervolging van politiemedewerker in verband met een ongeval in Eindhoven waarbij een 18-jarige meisje om het leven is gekomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: K13/0510

Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 juni 2014 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager]

en

[klaagster],

beiden wonende te Eindhoven,

hierna te noemen: klagers, en ieder afzonderlijk klager dan wel klaagster,

bijgestaan door: mr. R.M. Heemskerk, advocate te Maastricht en kantoorgenote van

mr. M.M.H. Zuketto en mr L. Bien,

over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van:

de politiemedewerker aangeduid met de code [code 1] 1 ,

hierna te noemen: beklaagde,

bijgestaan door: mr. S.C.J. Knoester, advocate te Rotterdam,

wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, subsidiair overtreding van artikel 5 van die wet.

De feitelijke gang van zaken.

Op 15 maart 2013 te Eindhoven is [slachtoffer] de 18-jarige dochter van klagers, als gevolg van een aanrijding met een politievoertuig, bestuurd door beklaagde, om het leven gekomen.

Door de Rijksrecherche, de Unit Forensisch Technisch Onderzoek van de politie Midden en West Brabant en door het Landelijk Verkeers Bijstands Team van het KLPD is onderzoek naar de toedracht van het ongeval gedaan.

Op 28 juni 2013 is door mr. R. Schuurman, officier van justitie, aan klagers bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd, omdat strafrechtelijk optreden niet op zijn plaats is vanwege het niet of nauwelijks verwijtbaar handelen van beklaagde in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 en artikel 6 van die wet.

Hierop is namens klagers bij schrijven van 25 september 2013 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 25 september 2013, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 13 december 2013 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 4 februari 2014 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en advocate mr. Heemskerk voornoemd. Klager is niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

Bij tussenbeschikking van 11 maart 2014 heeft het hof bepaald dat beklaagde ingevolge artikel 12e van het Wetboek van Strafvordering zal worden opgeroepen om te worden gehoord over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dit berust.

Beklaagde is opgeroepen om op 29 april 2014 in raadkamer te verschijnen en is op die datum in aanwezigheid van zijn advocate door het hof gehoord.

De advocaat-generaal heeft andermaal verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

I

Op 15 maart 2013 stond [slachtoffer], dochter van klagers, gezeten op haar bromfiets, te wachten voor het voor haar bestemde verkeerslicht bij de kruising Noord-Brabantlaan/ Welschapsedijk/Zeelsterstraat te Eindhoven. Nadat het verkeerslicht voor [slachtoffer] op groen was gesprongen, is zij met haar bromfiets de kruising opgereden. Halverwege de kruising werd [slachtoffer] aangereden door het door beklaagde bestuurde onopvallende politievoertuig van het merk BMW (5 serie).

Beklaagde was lid van het Aanhoudings- en ondersteuningsteam Zuid Nederland (hierna: AT), welk AT was ingezet in verband met een dreigende situatie in Bergeijk. Het AT bestond in het onderhavige geval uit vijf onopvallende politieauto’s, waaronder die van beklaagde, die allen optische- en geluidsignalen voerden en in de zogenaamde ‘treinformatie’ reden. Daarbij werd gebruik gemaakt van de blokmethode (het blokkeren van een gevaarlijk punt c.q. kruispunt met behulp van een of meer voertuigen).

II

Zowel klagers in hun klaagschrift als de officier van justitie en de hoofdofficier van justitie in het ambtsbericht stellen zich op het standpunt dat het ongeval dient te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de gebruikelijke wettelijke verkeersvoorschriften (RVV 1990), de Landelijke Brancherichtlijn Verkeer Politie van 29 maart 2011 (hierna: LBR), waarin de omstandigheden waaronder en de mate waarin van het RVV 1990 kan worden afgeweken is geregeld, en het Protocol Brancherichtlijn Verkeer gebruik optische- en geluidssignalen dienstvoertuigen bijzondere eenheden (hierna: Protocol), waarin onder meer is bepaald dat:

- het uitsluitend in opdracht of met toestemming van een (sectie)commandant een individuele medewerker is toegestaan om van de LBR af te wijken en

- de bestuurder van een dienstvoertuig steeds strafrechtelijk verantwoordelijk blijft voor zijn eigen beslissingen en rijgedrag.

III

Rekening houdende met de hierboven genoemde geldende regelgeving, stellen klagers in het klaagschrift, zakelijk weergegeven, dat:

- het AT is gaan rijden, zonder dat er opdracht c.q. toestemming (in de zin van het Protocol) was voor de inzet van het AT en om van de LBR af te wijken en dat het beklaagde te verwijten is als hij dit niet wist, want hij had het moeten weten; beklaagde had zich moeten vergewissen van het officiële kader van zijn handelen op dat moment;

- mitsdien beklaagde zich te houden had aan het LBR;

- het rijgedrag van beklaagde niet in overeenstemming was met het gedrag zoals in de LBR wordt voorgeschreven;

- beklaagde de veiligheid (van het overig verkeer) niet voorop heeft gesteld bij het passeren van de kruising Zeelsterstraat/ Welschapsedijk c.q. de verkeerde keuzes heeft gemaakt;

- het door [code 2] gezette ‘blok’ voor beklaagde slechts in zeer geringe mate veiligheid creëerde (slechts een deel van de kruisende verkeersstromen werd erdoor geblokkeerd, terwijl het zicht van beklaagde door dat ‘blok’ op de overige verkeersdeelnemers werd belemmerd) en dat beklaagde dat wist dan wel zich daarvan, mede gelet op de door hem doorlopen specialistische rijopleiding, bewust had moeten zijn;

- dat beklaagde zich bewust was c.q. bewust had moeten zijn van het gevaar van kruisend verkeer en dus rekening had moeten houden met een kruisende bromfiets achter [code 2] en getuige [getuige 1];

- voor zover er sprake was van een vrijstelling van de LBR, deze niet met zich mee mag brengen dat de veiligheid van het overig verkeer ondergeschikt wordt gemaakt aan het belang om aansluiting te vinden bij de overige leden van het AT dan wel zo spoedig mogelijk op de plaats van bestemming te arriveren;

- ongeacht welke voorschriften voor beklaagde golden ten tijde van de aanrijding, dit nimmer had mogen leiden tot het ten toon gespreide verkeersgedrag van beklaagde.

IV

Door de advocate van klagers is, in aanwezigheid van klaagster, in raadkamer aan de hand van de pleitnota het woord gevoerd. Daarbij is betoogd dat van het daadwerkelijk blokkeren van de kruising door [code 2] geen sprake was, nu het kruispunt gelet op de omvang ervan, niet fysiek was ‘dichtgezet’ in die zin dat er geen andere voertuigen meer konden passeren.

Voor het overige is in raadkamer overeenkomstig het klaagschrift het woord gevoerd.

Concluderend stellen klagers dat, zelfs al was er sprake van toestemming om van de LBR af te wijken, beklaagde, die als politieagent een voorbeeldfunctie in het verkeer heeft, door met een snelheid van ongeveer 95 km/u, de kruising te naderen en het rode verkeerslicht te passeren, zijn snelheid niet aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse, terwijl hij waargenomen had dat er gevaar van kruisend verkeer aanwezig was, en door zich onvoldoende van het ontbreken van overig gevaar te vergewissen, zich, aldus handelende, roekeloos dan wel zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen, dan wel gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Klagers stellen derhalve dat beklaagde onvoldoende invulling aan zijn eigen verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer heeft gegeven en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW 1994 c.q. artikel 5 van die wet.

V

Uit het dossier blijkt dat er uitgebreid onderzoek is gedaan door de Rijksrecherche, de Unit Forensisch Technisch Onderzoek van de politie Midden en West Brabant alsmede het Landelijk Verkeers Bijstands Team van het KLPD. Daaruit is onder meer naar voren gekomen dat:

- beklaagde met een snelheid van meer dan 90 km/uur heeft gereden waar 50 km/uur was toegestaan, en met die snelheid een grote kruising van de Noord Brabantlaan (4 rijstroken, gescheiden van elkaar door een dubbele busbaan) met de Welschapsedijk en Zeelsterstraat is opgereden;

- [code 2] op dat moment de kruising met behulp van zijn voertuig blokte;

- beklaagde op de busbaan bij het oprijden van de kruising door het voor hem bestemde rode verkeerslicht is gereden;

- beklaagde hoogstwaarschijnlijk ten tijde van de botsing met de bromfiets, bestuurd door [slachtoffer], met een snelheid tussen de 91 en 94 km/uur reed.

VI

Na het eerste verhoor, waarbij beklaagde als getuige is gehoord, is beklaagde als verdachte van overtreding van artikel 6 WVW 1994 aangemerkt. Bij het horen van beklaagde als verdachte heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

VII

Beklaagde heeft in raadkamer van het hof, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op het moment van het ongeval, vijf jaar lid was van het AT. De sectiecommandant geeft de opdracht om te rijden en deze is ook leidend ten aanzien van de manier van rijden. In het onderhavige geval luidde de opdracht van de sectiecommandant: ‘met spoed, dat wil zeggen zo snel en zo veilig mogelijk, en als treintje naar Bergeijk’. Als gevolg van het tussentijds blokken en het vervolgens weer achter aansluiten, wisselt de snelheid bij het rijden in treinverband sterk, waardoor de afstand tussen de auto’s van het AT varieert. Er is als het ware sprake van een harmonicabeweging.

Nadat beklaagde met zijn auto het kruispunt voorafgaand aan het kruispunt Noord-Brabantlaan/Welschapsedijk had geblokt, moest hij vanuit stilstand achteraan bij het treintje aansluiten. Er werd met hoge snelheid gereden, maar beklaagde weet niet hoe snel. De derde auto, de auto van de sectiecommandant aangeduid met code [code 2], stond stil op de kruising met sirene en zwaailicht. Beklaagde had zicht op de auto die voor hem over het kruispunt reed. Deze auto werd bestuurd door de politiemedewerker aangeduid met code [code 3]. Volgens beklaagde was er nog sprake van aansluiting, maar hij weet niet hoe groot de afstand was tussen zijn auto en de auto bestuurd door [code 3].

Bij het naderen van het kruispunt zag beklaagde dat alle verkeer stilstond. Vervolgens zag beklaagde dat een persoon op een scooter (het hof begrijpt: getuige [getuige 1]) van rechts aanstalten maakte om over te steken. Beklaagde zag dat de scooter een meter optrok, waarna de bestuurder in de richting van beklaagde keek en remde. Op dat moment zag beklaagde dat het verkeer weer stil stond en heeft hij gas bij gegeven. Wanneer [slachtoffer] op haar scooter vervolgens de weg op rijdt, kan beklaagde een aanrijding niet meer voorkomen.

Beklaagde heeft verklaard geen verkeerslichten te hebben gezien. In zijn beleving is er steeds sprake geweest van een trein. Bij de inzet van het AT is het in treinverband rijden nog steeds de normale manier van rijden, ook op een weg als de Noord Brabantlaan in Eindhoven.

Door de advocate van beklaagde is aan de hand van pleitaantekeningen het woord gevoerd. Daarbij is onder meer, zakelijk weergegeven, benadrukt dat beklaagde heeft gehandeld in opdracht van de sectiecommandant en dat er is gereden conform de aangeleerde rijprocedure. Voorts is naar voren gebracht dat [code 2] duidelijk herkenbaar op het kruispunt stond (hij voerde net als beklaagde optische- en geluidssignalen) en specifiek het verkeer vanuit de rijrichting van [slachtoffer] blokte. Het was een overzichtelijke kruising. Bij het naderen van de kruising reed beklaagde met een dusdanige snelheid dat hij, als de persoon op de scooter (het hof begrijpt: getuige [getuige 1]) zou zijn doorgereden, nog tijdig, dat wil zeggen voordat het tot een aanrijding zou zijn gekomen, tot stilstand had kunnen komen.

Alle leden van het AT hebben als trein met dezelfde snelheden gereden. Door in een trein te rijden en kruispunten te blokken heeft het AT, en dus ook beklaagde, geprobeerd om zo snel en zo veilig mogelijk te rijden.

VIII

De sectiecommandant van het AT aangeduid met code [code 2] is als getuige gehoord. Hij heeft onder meer, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij een melding kreeg waarbij om inzet van het AT werd verzocht. Gelet op de vereiste spoed, heeft getuige, in afwijking van de richtlijnen, het aan de hoofd OVD (het hof begrijpt: de hoofd officier van dienst bij de politie) overgelaten om contact op te nemen met de leiding en de hoofdofficier van justitie om toestemming te krijgen voor de inzet van het AT. Getuige heeft een inzetbaar AT geregeld, bestaande uit politieambtenaren aangeduid met de codes [code 4], [code 5], [code 3] en [code 1] (beklaagde). Getuige heeft de AT-leden aangegeven dat zij met spoed naar Bergeijk zouden gaan. Spoed betekent dat er met optische en geluidsignalen wordt gereden en zo snel als het verkeer toelaat. Zij zijn met vijf auto’s achter elkaar gereden, waarbij degene die voorop rijdt de wegen afblokt die cruciaal zijn. De rest van het team weet dan dat ze door kunnen rijden. Het AT-lid dat de kruising heeft geblokkeerd sluit weer achteraan. Hij moet daarbij vanuit stilstand aansluiten bij de overige voertuigen. Hierdoor ontstaat er een bepaalde ruimte tussen de voertuigen onderling. Hierdoor wordt ook in wisselende volgorde gereden.

De eerste twee voertuigen, van [code 4] en [code 5], reden de kruising Noord Brabantlaan/ Welschapsedijk voorbij zonder te blokken. Toen getuige kort voor deze kruising reed, zag hij in zijn spiegel dat er een gat zat tussen zijn voertuig en het voertuig van beklaagde, waarop getuige besloot om deze kruising te blokken. Getuige heeft zijn voertuig stil gezet tussen de busbaan en de hoofdrijbaan van de Noord Brabantlaan. Op het moment dat getuige de kruising blokte reed [code 3] de kruising voorbij. Volgens getuige reed [code 3] toen tussen de 50 en 100 meter achter de 2 voorste voertuigen. Getuige zag dat de jongen op de scooter (het hof begrijpt: getuige [getuige 1]), die tussen de normale rijbaan en de busbaan stil stond, gas gaf. Getuige heeft die jongen daarop een aanwijzing gegeven met zijn rechterarm, waarbij hij met kracht in zijn richting wees, met zijn lichaam naar voren boog, richting zijn voorruit en waarbij hij hem dwingend aankeek. Dit met de bedoeling om aan te geven dat hij moest blijven staan. De reactie van de jongen was dat hij meteen remde. Getuige had het idee dat de jongen door had wat hij bedoelde. Naar idee van getuige moet ook het slachtoffer de aanwijzing gezien hebben.

Getuige stelt dat naar zijn mening veiliger is gehandeld dan in de brancherichtlijn is bepaald, omdat er extra veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

Getuige heeft voorts verklaard dat een bestuurder van een AT voertuig bij benadering van een geblokte kruising zelf verantwoordelijk blijft. Het blokken is vooral bedoeld om het overige verkeer te dwingen te blijven staan en om een vrije doorgang te realiseren voor de AT-voertuigen. Het is niet gericht op het creëren van een vrije doorgang voor de AT-voertuigen zonder inachtneming van de verkeersveiligheid.

IX

Getuige[getuige 1], die, net als [slachtoffer], met een scooter stond te wachten voor het rode verkeerslicht, heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij het geluid van sirenes hoorde en plotseling twee auto’s voorbij zag flitsen. Het volgende moment zag hij dat het voor hem bestemde rode verkeerslicht op groen sprong. Hij en het meisje op de scooter zijn vervolgens de rijbaan van de Noord-Brabantlaan opgereden. Toen hij overstak heeft hij naar links gekeken en zag toen twee personenauto’s achter elkaar heel snel over de busbaan rijden. Getuige heeft toen blauwe flitslampen gezien. Kort voordat hij het opstelvlak voor de kruisende busbaan naderde, zag hij plotseling de personenauto, die hij eerder had zien rijden op de busbaan, stil staan. De personenauto blokkeerde niet zijn weg in de rijrichting die hij op dat moment volgde. Getuige is gestopt op de opstelstrook voor fietsers en bromfietsers voor de kruisende busbaan. Hij zag dat de persoon die in de auto zat een handgebaar naar hem maakte. Hij weet niet wat die man met het gebaar bedoelde te zeggen, maar hij besloot om te blijven staan. Kort daarop hoorde hij een knal. Toen hij naar rechts keek, zag hij het meisje en haar scooter door de lucht vliegen.

Het hof overweegt als volgt.


Het hof is van oordeel dat, gelet op het samenstel van omstandigheden waaronder het onderhavige ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het hof onder meer in aanmerking neemt dat uit het dossier lijkt te volgen dat er enige tijd is verstreken tussen het passeren van het onderhavige kruispunt door de vierde auto bestuurd door [code 3] en de vijfde auto, bestuurd door beklaagde, het opportuun is om de zaak ter beoordeling aan de strafrechter voor te leggen.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het beklag gegrond verklaren en de vervolging van beklaagde bevelen ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft.

De beslissing.

Het hof verklaart het beklag gegrond en beveelt de vervolging van beklaagde ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft.

Aldus gegeven door:

mr. J.P.F. Rijken, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

op 3 juni 2014.

1 In de stukken wordt ter aanduiding van politieambtenaren deel uitmakende van het onderhavige Aanhoudings- en ondersteuningsteam soms gebruik gemaakt van de code PL, maar meestal van de code PNL gevolgd door een nummer. Het hof volgt in deze beschikking de aanduiding: PNL.