Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1645

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
HD 200.145.175_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

vordering in kort geding tot ontruiming huurwoning na buitengerechtelijke ontbinding op grond van art. 7:231 lid 2 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 231
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2014/107 met annotatie van T.A. Nieuwenhuijsen
JG 2014/52 met annotatie van mr. dr. M. Vols
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.145.175/01

arrest van 3 juni 2014

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.R.H. Meijer te Sint Odiliënberg,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.H.J. van der Linden te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 april 2014 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen vonnis van 24 maart 2014 tussen enerzijds [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie alsmede [echtgenoot van apellante] (hierna: [echtgenoot van apellante]) als gedaagde in conventie en anderzijds [geïntimeerde] alsmede [echtgenoot van geintimeerde] (hierna: [echtgenoot van geintimeerde]) als eisers in conventie tevens verweerders in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2814537 CV EXPL 14-2216)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

- de conclusie van eis;

- de memorie van antwoord;

- de akte van [appellante] met twee producties;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[geïntimeerde] heeft bij schriftelijke huurovereenkomst van 29 januari 2011 de woning aan de [perceel] te [plaats] (hierna: de woning) verhuurd aan [appellante]. De ingangsdatum van de huurovereenkomst was 1 februari 2011. De woning behoort in eigendom toe aan [echtgenoot van geintimeerde]. [appellante] is gehuwd met [echtgenoot van apellante] die van rechtswege medehuurder is.

4.1.2.

In de garage, direct gelegen achter de woning, is door de politie op 13 september 2011 een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In verband hiermee is bij besluit van de burgemeester van de gemeente Roermond d.d. 22 december 2011 aan [appellante] de last opgelegd om de garage bij de woning te sluiten en gesloten te houden voor de periode van één jaar.

4.1.3.

Op 17 december 2013 is er via “meld misdaad anoniem” een melding gedaan over het feit dat er een laboratorium ter vervaardiging van XTC of GHB aanwezig zou zijn op het adres [perceel] te [plaats]. Op 18 december 2013 is de politie binnengetreden in de woning. Volgens het daarvan opgemaakte rapport d.d. 23 december 2013 is in het schuurtje een diepvries aangetroffen welke bij het openen sterk bleek te ruiken naar amfetamine. Verder werden in het schuurtje diverse jerrycans aangetroffen met als vermoedelijke inhoud mierenzuur, methanol, zwavelzuur, formamide en gootsteenontstopper. Naast deze aangetroffen goederen werden ook goederen aangetroffen voor de bereiding en/of verdeling van verdovende middelen zoals plastic teiltjes, maatbekers, een pollepel met residu, grote metalen ketel, koelbox riekend naar amfetamine, een transparante bak met residu, trechters, glazen vaas, plastic emmer met residu en een sealapparaat met residu. In de kleedkamer op de eerste verdieping werd een glazen bol aangetroffen voor de bereiding van synthetische drugs en in de woning een doos met cafeïne anhydrous. In de kelder werden tenslotte twee gasmaskers aangetroffen welke een residu bleken te bevatten van amfetamine.

4.1.4.

Bij besluit van 18 februari 2014 van de burgemeester van Roermond is de woning alsmede de daarachter gelegen schuur met ingang van 25 februari 2014 om 10.00 uur voor de duur van drie maanden gesloten.

Dit besluit is als volgt gemotiveerd:

“Vanwege de ernstige inbreuk op de openbare orde en gezien de hoeveelheid aangetroffen middelen waarmee doorgaans verboden middelen als bedoeld op lijst 1 van de Opiumwet worden geproduceerd, alsmede de historie van het pand, maak ik gebruik van de aan mij door de wetgever toegekende bevoegdheid de verkoop, aflevering of verstrekking in en vanuit woningen te (doen) stoppen. Door de tijdelijk sluiting van drie maanden kan bewerkstelligd worden dat de verkoop, aflevering of verstrekking wordt beëindigd en het perceel ook zichtbaar wordt onttrokken aan het illegale criminele circuit (…).”

4.1.5.

Bij brief van 24 februari 2014 hebben [echtgenoot van geintimeerde] en [geïntimeerde] de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW met ingang van 25 februari 2014 te 10.00 uur.

4.1.6.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg afdeling bestuursrecht d.d. 2 april 2014 is het voormelde besluit van de burgemeester van 18 februari 2014 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het tegen dat besluit ingediende bezwaar. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat uit de gedingstukken niet blijkt dat amfetamine in de woning en de schuur is aangetroffen zodat – naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter – de burgemeester niet bevoegd was tot sluiting van de woning en de schuur op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan.

4.1.7.

De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft op 21 februari 2014 laten weten dat [appellante] niet verder vervolgd zal worden.

[appellante] heeft bij akte van 29 april 2014 een vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken d.d. 14 april 2014 overgelegd waarin is vermeld dat [echtgenoot van apellante] is vrijgesproken van het ten laste gelegde vervaardigen, bereiden of verwerken van amfetamine en is veroordeeld ter zake van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

4.1.8.

[geïntimeerde] vorderde, samen met [echtgenoot van geintimeerde], in eerste aanleg bij wege van voorlopige voorzieningen in kort geding:

  1. [appellante] en [echtgenoot van apellante] hoofdelijk te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het gehuurde, namelijk de woning aan de [perceel] te [plaats], met al de zijne en het zijne te ontruimen, te verlaten en onder afgifte aan [echtgenoot van geintimeerde] en [geïntimeerde] van de sleutels en al hetgeen daartoe verder behoort, ter vrije en algehele beschikking van [echtgenoot van geintimeerde] en [geïntimeerde] te stellen met machtiging van [echtgenoot van geintimeerde] en [geïntimeerde] om die ontruiming zo nodig zelf te doen bewerkstellingen, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie en op kosten van [appellante] en [echtgenoot van apellante];

  2. [appellante] en [echtgenoot van apellante] hoofdelijk te veroordelen, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, in de kosten van dit geding.

Aan hun vordering hebben zij primair ten grondslag gelegd dat de huurovereenkomst op basis van artikel 7:231 lid 2 BW buitengerechtelijk is ontbonden en dat [appellante] en [echtgenoot van apellante] gehouden zijn het gehuurde te ontruimen. Subsidiair hebben zij in eerste aanleg aangevoerd dat [appellante] en [echtgenoot van apellante] toerekenbaar zijn tekort geschoten in de verplichtingen uit de huurovereenkomst.

[appellante] vorderde in voorwaardelijke reconventie, namelijk voor het geval de ontruiming zou worden toegewezen, de toekenning van een schadevergoeding van € 5.799,- op grond van ongerechtvaardigde verrijking, dit in verband met de door haar bekostigde uitgaven voor verbouwing van de woning.

4.1.9.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis waarvan beroep in conventie:

- [echtgenoot van geintimeerde] niet ontvankelijk verklaard;

- [appellante] en [echtgenoot van apellante] veroordeeld om binnen drie dagen nadat de woning weer mag

worden betreden met al de zijne en al het zijne te ontruimen, te verlaten en onder afgifte

van de sleutels en al hetgeen daartoe verder behoort, ter vrije en algehele beschikking van

[geïntimeerde] te stellen;

- [appellante] en [echtgenoot van apellante] hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld.

In reconventie heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

4.1.10.

[appellante] kan zich met het vonnis van de voorzieningenrechter niet verenigen is in hoger beroep gekomen.

4.2.

De grieven I, II en III van [appellante] zijn gericht tegen de beslissing van de voorzieningenrechter in conventie. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Grief IV richt zich tegen de beslissing in reconventie en is voorwaardelijk aangevoerd, namelijk voor het geval het vonnis in conventie wordt bekrachtigd.

4.3.

Met het oog op de grieven I, II en III dient het hof te beoordelen in hoeverre [geïntimeerde] een voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorziening bij voorraad strekkende tot ontruiming van de door [appellante] bewoonde woning. Die vraag dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van het belang van [geïntimeerde] bij het verkrijgen van een onmiddellijke voorziening, afgezet tegen het belang van [appellante] bij het kunnen afwachten van een uitspraak in een (civiele) bodemzaak, beoordeeld naar de situatie ten tijde van de uitspraak van het hof in het onderhavige kort geding (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002: AE4553).

Bij deze afweging dient zwaar te wegen dat een veroordeling tot ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening veelal een definitief karakter zal hebben en aldus diep ingrijpt in het woonbelang van de huurder. Terughoudendheid van de kortgedingrechter bij de beoordeling of een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening gerechtvaardigd is, is dan ook geboden. Voor die terughoudendheid is in de onderhavige zaak temeer reden nu sprake is van een buitengerechtelijke ontbinding ex artikel 7:231 lid 2 BW op grond van een door de burgemeester op basis van artikel 13b van de Opiumwet genomen besluit tot sluiting van de woning, welk besluit thans nog niet onherroepelijk is. Hierbij kan er niet aan voorbij worden gegaan dat:

a. a) de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg afdeling bestuursrecht het besluit van de burgemeester van 18 februari 2014 inmiddels heeft geschorst omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat amfetamine in de woning en de schuur is aangetroffen zodat – naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter – de burgemeester niet bevoegd was tot sluiting van de woning en de schuur op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan;

b) de officier van justitie aan [appellante] heeft laten weten dat zij niet verder vervolgd zal worden en dat [echtgenoot van apellante] is vrijgesproken van het ten laste gelegde vervaardigen, bereiden of verwerken van amfetamine.

Indien in de bestuursrechtelijke procedure het besluit van de burgemeester geen stand houdt dan is de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding ondeugdelijk hetgeen ertoe kan leiden dat in een (civiele) bodemprocedure de buitengerechtelijke ontbinding hoogstwaarschijnlijk ongerechtvaardigd zal worden verklaard waardoor de huurovereenkomst is blijven bestaan (HR 8 juli 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ1684).

4.4.

Naar het oordeel van het hof dient onder deze omstandigheden het belang van [appellante] bij het kunnen afwachten van een beslissing in de (civiele) bodemprocedure zwaarder te wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij het verkrijgen van een voorlopige voorziening strekkende tot ontruiming.

Weliswaar hoeft, naar het voorlopig oordeel van het hof, een verhuurder niet te accepteren dat in de verhuurde woning chemicaliën en goederen zijn opgeslagen die doorgaans gebruikt worden voor de productie van verboden middelen, maar naar het oordeel van het hof weegt dat belang in dit geval niet zo zwaar dat een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

4.5.

Op grond van hetgeen in het voorgaande is overwogen is de ontruimingsvordering ook niet toewijsbaar op de subsidiaire grondslag; de vraag of in dit geval sprake is van een tekortkoming van de zijde van de huurder die ernstig genoeg is om de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen, zal beantwoord moeten worden in een bodemprocedure.

4.6.

De conclusie is dat de grieven I, II en II gegrond zijn en dat het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellante], niet in stand kan blijven.

De vierde grief, die voorwaardelijk was aangevoerd, behoeft geen bespreking omdat niet aan de voorwaarde (bekrachtiging van het vonnis in conventie) is voldaan.

4.7.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en in de kosten van de eerste aanleg, voor zover betrekking hebbend op het geschil in conventie.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, gewezen in conventie, voor zover daarin [appellante] is veroordeeld tot ontruiming met al de haren en het hare van de woning [perceel] te [plaats] en voor zover [appellante] in de proceskosten is veroordeeld en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst de vordering tot ontruiming van de woning af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep en in de kosten van de eerste aanleg, betrekking hebbend op de conventie en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] als volgt:

  • -

    wat betreft de eerste aanleg op € 77,- voor verschotten en op € 400,- voor salaris gemachtigde;

  • -

    wat betreft het hoger beroep op € 401,80 voor verschotten en op € 894,- voor salaris advocaat;

  • -

    wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het

einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, M.G.W.M. Stienissen en A.P. Zweers-van Vollenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juni 2014.