Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1621

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
HD 200.099.444_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

loonvordering, vordering vergoeding slaapdiensten, vordering toeslag wegens arbeid op zaterdagen, zon en feestdagen en vordering vakantietoeslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/368
AR-Updates.nl 2014-0511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.099.444/01

arrest van 3 juni 2014

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] (Polen),

appellante,

advocaat: mr. B.J.F. Hofmans te Groesbeek,

tegen

POS Outsourcing Services B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.J. de Jong te Son,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 oktober 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, gewezen vonnis van 19 juli 2011 tussen appellante – [appellante] – als eiseres en geïntimeerde – POS – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer CV.727707, rolnummer 10-1502)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het herstelexploot d.d. 22 december 2011;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met producties;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. POS houdt zich onder meer bezig met het op projectbasis beheren van vastgoed ten behoeve van derden. POS werkt daartoe op een aantal (vastgoed)projecten samen met JOB Pand Exploitatie B.V., (hierna: Job Housing). Daarnaast houdt POS zich in belangrijke mate bezig met het in (onder)aanneming uitvoeren van productie- en in- en uitpakwerkzaamheden.

  2. [appellante] is met ingang van 4 augustus 2008 voor de duur van 1 jaar, dus tot en met 3 augustus 2009, in dienst getreden van POS in de functie van assistente pandbeheerder (artikel 1 van de arbeidsovereenkomst). De arbeidsovereenkomst is met ingang van 4 augustus 2009 met een jaar verlengd tot 3 augustus 2010. Van deze tweede overeenkomst ontbreekt bij de inleidende dagvaarding de tweede pagina. Het hof gaat ervan uit dat die tweede pagina, afgezien van de datum van ondertekening, gelijkluidend is aan de tweede pagina van de eerste arbeidsovereenkomst.

  3. Artikel 2 van voornoemde de tussen POS en [appellante] gesloten arbeidsovereenkomsten luidt als volgt:

“Het betreft een functie met een gemiddelde werktijd van 40 uur. De arbeidsuren kunnen op weekbasis sterk afwijken. Deze afwijking kan worden veroorzaakt door de omvang van een project, vertraging bij de start van een nieuw project of problemen bij opdrachtgevers. In verband hiermee zal worden gewerkt met een systeem van spaaruren.”

Artikel 4 van beide arbeidsovereenkomsten luidt:

“De werkgever is gerechtigd, na overleg met de werknemer, de werktijden per opdrachtgever c.q. opdracht te wijzigen. Werknemer verplicht zich in voorkomende gevallen aan alle namens werkgever in redelijkheid gewijzigde werktijden te voldoen. Per opdrachtgever c.q. opdracht worden de werktijden vastgesteld.”

In haar functie van assistente pandbeheerder heeft [appellante] werkzaamheden verricht op locaties in [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] (in de periode 4 augustus 2008 tot juni 2009). Vervolgens is [appellante] werkzaamheden gaan verrichten in een door Job Housing geëxploiteerd object te [locatie 4]. Het object was in gebruik bij het COA en werd bewoond door asielzoekers. De partner van [appellante], de heer [partner van appellante] (hierna: [partner van appellante]) ging daar in loondienst van POS werkzaamheden verrichten als pandbeheerder. [partner van appellante] en [appellante] kregen samen huisvesting op laatst genoemde locatie.

Met het oog op de taken die Job Housing in dat AZC voor het COA zou gaan vervullen, heeft een medewerker van het COA bij e-mail van 6 juli 2009 het volgende, aan Job Housing, meegedeeld:

“Ik zou je nog laten weten welke taken onder de beheerder van Job Housing vallen.

Belangrijk is dat er goede samenwerking tot stand komt tussen Job-Housing en COA. Als ons dat lukt komt het met de taakverdeling ook wel goed.

Werktijden COA: 8.30-17.00 uur.

Mogelijk dat we hier nog wat in aanpassen.

In ieder geval is het volgende afgesproken:

Beheerder Job-Housing is 24-uur per dag aanwezig op de locatie.

De beheerder is tot 23.00 uur “wakker”

Tussen 23.00 en 8.00 uur “slaapt” de beheerder. Bewoners kunnen, in geval van nood, de beheerder wel wakker maken.

Bij aanwezigheid COA-personeel is COA het aanspreekpunt voor de bewoners.

Taken beheerder Job-Housing:

Schoonmaak van de gebouwen

Onderhoud en oplossen van storingen (we moeten nog wel afspreken hoe COA de storingen het beste kan doorgeven)

Gezamenlijke taken Job-Housing / COA

Verstrekken van de maaltijden

Dagelijkse controle van de bewonerskamers

Waswissel

Mochten er nog zaken zijn die niet benoemd zijn, maar waar wel afspraken over gemaakt moeten gaan worden dan hoor ik dit graag.”

Job Housing heeft deze mail diezelfde dag ter kennisname doorgezonden aan de heer [personeelslid van POS] van POS.

Op 16 april 2010 heeft [appellante] een door POS opgestelde beëindigingsovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst, waarin POS is aangeduid als werkgever en [appellante] als werknemer, staat onder meer het volgende:

“Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. Werknemer en werkgever hebben per 04 augustus 2009 een overeenkomst voor bepaalde tijd met elkaar gesloten voor de duur van het project bij Job Housing te [locatie 5].

2. Op eigen verzoek van de werknemer wil hij/zij thans de hierboven gesloten arbeidsovereenkomst eerder beëindigen en wel op 16 april 2010.

3. Werkgever gaat akkoord met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer met ingang van de hierboven genoemde nieuwe einddatum.

4. Werkgever en werknemer komen overeen, dat na de op te maken eindafrekening geen verplichtingen jegens elkaar zullen bestaan.”

Daarnaast heeft [appellante] op 16 april 2010 een brief van die datum, gesteld op briefpapier van Job Housing en gericht aan [appellante], voor ontvangst ondertekend. In die brief staat het volgende:

“Hierbij bevestigen:

Pos Outsourcing Services, gevestigd te [vestigingsplaats] en Job Housing, gevestigd te [vestigingsplaats] dat de arbeidsovereenkomst van mevrouw [appellante] (…) met de einddatum 13 augustus 2010 (bepaalde tijd) als assistente pandbeheerder wordt gewijzigd op verzoek van de heer [partner van appellante] in opdracht van [appellante] met ingang van 17 april 2010.

De heer [partner van appellante] heeft op vrijdag 16 april aangegeven dat zij haar werkzaamheden als assistente pandbeheerder per direct niet meer te willen uitvoeren en graag bij een andere opdrachtgever te willen gaan werken. Op vrijdag 16 april is via haar partner haar werk aangeboden bij 2Sisters Holland BV (16 april al werkzaamheden verricht), daarbij is er voor mevrouw [appellante] en haar partner de heer [partner van appellante] vervangende woonruimte ([woonplaats]) geregeld.”

Bij brief van 29 juni 2010 heeft de toenmalige advocaat van [appellante] aan POS onder meer meegedeeld dat POS bij de tewerkstelling van [appellante] in strijd heeft gehandeld met de Arbeidstijdenwet, dat [appellante] op 16 april 2010 de haar voorgelegde beëindigingsovereenkomst onder druk heeft ondertekend, terwijl het voor POS duidelijk heeft moeten zijn dat de wil van [appellante] niet gericht was op beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dat POS feitelijk de arbeidsovereenkomst op 16 april 2010 onregelmatig heeft opgezegd en dat [appellante] aanspraak maakt op schadevergoeding ter hoogte van een maandloon (16 april 2010 tot 16 mei 2010) wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Voorts is verzocht om, kort gezegd, achterstallig salaris te voldoen en om toezending van het overzicht van spaaruren zoals bedoeld in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst.

4.2.1.

Bij inleidende dagvaarding van 23 november 2010 heeft [appellante] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt en geconcludeerd, kort gezegd en zakelijk weergegeven, tot veroordeling van POS tot betaling aan [appellante] van:

1. het reguliere loon over de periode van 22 maart tot en met 15 april 2010, zijnde een bedrag van € 1.254,00 bruto;

2. de overuren in de periode van 4 augustus 2008 tot 16 april 2010, zijnde een bedrag van

€ 9.286,55 bruto;

3. 157 slaapdiensten in de periode van 4 augustus 2008 tot 16 april 2010, zijnde een bedrag van € 5.827,84 bruto;

4. toeslag wegens arbeid op zon- en feestdagen in de periode van 4 augustus 2008 tot 16 april 2010, zijnde een bedrag van € 4.674,60 bruto;

5. toeslag wegens arbeid op zaterdagen in de periode van 4 augustus 2008 tot 16 april 2010, zijnde een bedrag van € 3.663,00 bruto;

6. achterstallige vakantietoeslag over achterstallig salaris en achterstallige toeslagen zoals genoemd onder 1 tot en met 5, zijnde een bedrag van € 1.976,48 bruto;

7. vergoeding wegens ingehouden loon tijdens vakantiedagen, zijnde een bedrag van

€ 4.108,50 bruto;

8. schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, zijnde een bedrag van € 1.544,40 bruto;

9. de aan [appellante] verschuldigde wettelijke rente en de wettelijke verhoging wegens vertraagde betaling over alle gevorderde bedragen, vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van algehele voldoening;

met veroordeling van POS in de proceskosten.

4.2.2.

Bij conclusie van repliek heeft [appellante] haar eis in twee opzichten verminderd:

- vordering 1 is ingetrokken en vordering 6 is dienovereenkomstig verminderd.

- de vordering tot vergoeding van vakantiedagen is verminderd met een bedrag van

€ 1.935,78 bruto. Het hof begrijpt dat dit de vordering onder 7 betreft, welke vordering, na vermindering dan neerkomt op een bedrag van € 2.172,72.

4.3.1.

Bij vonnis van 19 juli 2011 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen.

4.3.2.

Het hof wijst er volledigheidshalve op dat de kantonrechter bij vonnis van diezelfde datum (zaaknummer CV.727708, rolnummer 10-1503) vorderingen van [partner van appellante] tegen POS heeft afgewezen. Het hof doet bij arrest van heden (zaaknummer HD 200.099.450/01) uitspraak in het hoger beroep dat [partner van appellante] tegen dat vonnis heeft ingesteld.

4.4.1.

[appellante] heeft in haar dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 19 juli 2011 en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. Bij de weergave van de vorderingen in de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellante] geen rekening gehouden met de onder 4.2.2. genoemde eisverminderingen.

4.4.2.

Aan het slot van de memorie van grieven heeft [appellante] nogmaals de vorderingen weergegeven die zij toegewezen wil zien. In die weergave van de vorderingen is evenmin rekening gehouden met genoemde eisvermindering. Uit de inhoud van de memorie van grieven blijkt niet dat [appellante] af wil zien van de eisvermindering, in tegendeel onder punt 19 van de memorie van grieven stelt [appellante] dat de conclusie van repliek tevens akte vermindering van eis als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Het hof gaat er daarom vanuit dat de weergave van de vordering in de appeldagvaarding en de memorie van grieven op een kennelijke vergissing berust (kopiëren en plakken uit de inleidende dagvaarding waarbij abusievelijk de eisvermindering over het hoofd is gezien).

Verder constateert het hof dat in het petitum van de memorie van grieven bij de vorderingen 4 en 5 door een kennelijke verschrijving onjuiste bedragen zijn vermeld, immers bedragen die niet corresponderen met de onderbouwing van die vorderingen bij alinea’s 14 en 15 van de memorie van grieven. Het hof zal ten aanzien van deze vorderingen uitgaan van de – wel met de onderbouwing overeenstemmende – bedragen zoals hiervoor in rov. 4.2.1 weergegeven.

Tot slot stelt het hof vast dat in het petitum van de memorie van grieven, kennelijk onbedoeld, de vorderingen onder 6 en 7 in omgekeerde volgorde zijn weergegeven.

Ten aanzien van de vorderingen onder 1, 6 en 7 neemt het hof de eisvermindering in aanmerking, met dien verstande dat het bedrag van € 1.462,66 bruto naar het oordeel van het hof op een kennelijke vergissing berust. Vordering 1 betreft een bedrag van € 1.254,00 bruto, terwijl de vakantietoeslag daarover, gevorderd onder 6 (in de mvg onder 7 opgenomen) een bedrag van € 100,32 betreft, tezamen een bedrag van € 1.354,32. Het voorgaande brengt, nu [appellante] bij conclusie ven repliek tevens akte vermindering van eis heeft gesteld dat zij in de periode 22 maart 2010 tot 12 april 2010 geen arbeid heeft verricht en het loon over 12 tot 16 april 2010 inclusief vakantietoeslag aan haar is betaald, mee dat het gevorderde onder 1 vervalt en de vordering onder 6 (mvg 7) tot een bedrag van € 1.876,16 zal worden verminderd.

Naar aanleiding van vordering 1

4.5.1.

Omdat vordering 1 bij de vermindering van eis is ingetrokken hoeft deze vordering niet nader besproken te worden.

Naar aanleiding van de vorderingen 2 tot en met 6

4.5.2.

[appellante] heeft negen grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Het hof zal de grieven I tot en met VI gezamenlijk behandelen. Die grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen 2 tot en met 6.

4.5.3.

Aan haar tweede vordering, betreffende overuren in de periode 4 augustus 2008 tot 16 april 2010 heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij werktijden van 15 uur per dag had terwijl zij slechts over 8 uur loon ontving (naar het hof begrijpt betreffende doordeweekse dagen), zodat zij derhalve nog aanspraak heeft op betaling van 7 overuren x 157 gewerkte dagen.

4.5.4.

POS heeft het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens POS heeft [appellante] in genoemde periode gemiddeld 30 uur per week gewerkt, in ieder geval minder dan 40 uur, terwijl alle gewerkte uren aan haar zijn betaald. [appellante] was, zo betoogt POS, geen pandbeheerder, maar assistente pandbeheerder. Haar werkzaamheden beperkten zich tot schoonmaakwerkzaamheden, terwijl zij er zelf voor koos om op de locatie te blijven, waar haar om niet huisvesting is gegeven. [appellante] is zich sociaal gaan mengen in het AZC, hetgeen uitdrukkelijk niet ter uitvoering was van of anderszins verband hield met de arbeidsverhouding tussen partijen. Volgens POS vereenzelvigt [appellante] zich met haar partner [partner van appellante], die wel pandbeheerder was, in die zin dat zij stelt te hebben gewerkt wanneer [partner van appellante] zou hebben gewerkt.

4.5.5.

Het hof stelt bij de beoordeling van vordering 2 voorop dat de vraag gedurende hoeveel uren [appellante] daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht (en waarvoor zij in beginsel in elk geval recht heeft op het reguliere loon), moet worden onderscheiden van de vraag of [appellante] slaapdiensten en/of andere bereikbaarheidsdiensten heeft gedraaid (waarvoor geen aanspraak bestaat op het reguliere uurloon maar op een lagere vergoeding). Die laatste vraag komt onder meer aan de orde bij vordering 3. Vordering 2 ziet uitsluitend op uren waarin [appellante] niet slechts oproepbaar moest zijn maar waarin zij daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte. Dit blijkt onder meer uit alinea 11 van de memorie van grieven.

4.5.6.

Nu [appellante] haar vordering 2 baseert op de stelling dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst gedurende 157 dagen, 15 uur per dag heeft gewerkt, is het op grond van de artikelen 149 en 150 Rv aan [appellante] om die stelling voldoende te onderbouwen en, als de stelling voldoende onderbouwd, maar door POS gemotiveerd betwist is, daarvan bewijs te leveren. POS heeft gemotiveerd betwist dat [appellante] overuren heeft gemaakt. [appellante] heeft zich beroepen op de onder 4.1.1. e weergegeven e-mail van 6 juli 2009. Het hof stelt echter vast dat deze e-mail de relatie tussen het COA en Job Housing betreft. Uit de e-mail zijn weliswaar duidelijke aanknopingspunten te ontlenen voor de werkzaamheden die [partner van appellante] als pandbeheerder moest verrichten, maar daarmee is niet veel gezegd over de taken van een assistente pandbeheerder en al helemaal niet over de werktijden van een assistente pandbeheerder, welke laatste functie [appellante] volgens haar arbeidsovereenkomst had. Daarnaast heeft [appellante] zich beroepen op de als productie 5 (bij inleidende dagvaarding) 8, 10 en 11 (bij conclusie van repliek tevens akte vermindering eis) overgelegde verklaringen van respectievelijk [getuige 1], [getuige 2], refugees of AZC [locatie 4] en [getuige 3] en [getuige 4] en voorts op de als productie 9 overgelegde lijst van werkzaamheden. Deze producties betreffen evenwel (voornamelijk) haar partner [partner van appellante] en voor zover moet worden aangenomen dat deze [appellante] betreffen, kan daaruit niet worden afgeleid dat [appellante] ingevolge een overeenkomst met POS overuren heeft gemaakt als gevorderd. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat [appellante], naar het hof begrijpt naast de 8 uur per dag waarvoor zij loon ontving, in opdracht van POS in het pand verbleef, nu haar werkzaamheden dit meebrachten. Daar doet niet aan af dat, naar [appellante] stelt, het personeel van COA tijdens de avond en de nacht afwezig was. Voor zover al moet worden aangenomen dat tijdens die uren iemand van de zijde van POS/Job Housing in het pand aanwezig moest zijn, valt uit de stellingen van [appellante] niet af te leiden dat die iemand anders dan de pandbeheerder [partner van appellante] moest zijn. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat zij op grond van haar arbeidsovereenkomst de door haar gestelde overuren in de avonden heeft moeten maken. [appellante] heeft de stelling van POS, dat [appellante] gedurende de bij vordering 2 bedoelde uren geen werkzaamheden heeft verricht, onvoldoende gemotiveerd betwist.

4.5.7.

Het voorgaande brengt mee dat vordering 2 niet toewijsbaar is.

4.5.8.

De vorderingen 4 en 5 betreffen arbeid op zon- en feestdagen respectievelijk zaterdagen. De gevorderde bedragen zijn gebaseerd op 84 zon- en feestdagen van 15 uur, respectievelijk 74 zaterdagen van 15 uur.

4.5.9.

POS heeft gemotiveerd betwist dat [appellante] op zaterdagen, zondagen en feestdagen reguliere werkzaamheden heeft verricht die nog niet zijn uitbetaald. Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stellingen ook op dit punt niet voldoende heeft geconcretiseerd. Het hof verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 4.5.6. van dit arrest. [appellante] heeft daarmee de stelling van POS, dat [appellante] niet gedurende meer dan 40 uur per week daadwerkelijk werkzaam is geweest, onvoldoende gemotiveerd betwist. De vorderingen 4 en 5 zijn daarom niet toewijsbaar.

4.5.10.

Vordering 3 betreft slaapdiensten (door [appellante] ook wel oproep-beschikbaarheidsdiensten genoemd). [appellante] heeft, gezien de gemotiveerde betwisting van Pos, evenmin voldoende onderbouwd dat het tot de taak van de assistente pandbeheerder behoorde om slaapdiensten te draaien. Het hof verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 4.5.6. van dit arrest. Vordering 3 is niet toewijsbaar.

4.5.11.

De grieven 1 tot en met 3 falen. Grief 4, die het oordeel van de rechtbank betreft dat geen plaats is voor (analoge) toepassing van de CAO Welzijn en Maatschappelijk Dienstverlening, behoeft daarmee geen behandeling.

4.5.12.

De grieven 5 en 6 delen het lot van de grieven 1 tot en met 3.

4.5.13.

Vordering 6 (in de memorie van grieven weergegeven onder 7) - na vermindering van eis als geoordeeld onder 4.4.2 een bedrag van € 1.876,16 - betreft 8% vakantietoeslag over het onder 2 tot en met 5 gevorderde. Uit de omstandigheid dat de vorderingen 2 tot en met 5 niet toewijsbaar zijn volgt dat ook het onder 6 gevorderde niet toewijsbaar is.

De vordering onder 7

4.5.14.

Tegen de afwijzing door de kantonrechter van het gevorderde onder 7 (in de memorie van grieven weergegeven onder 6), welke vordering het ingehouden loon tijdens vakantiedagen betreft, is geen voldoende duidelijke grief gericht, zodat deze vordering in hoger beroep niet ter beoordeling voorligt.

De vordering onder 8

4.5.15.

De grieven VII tot en met VIII zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering onder 8. Aan deze vordering heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat POS schadeplichtig is wegens onregelmatige opzegging, nu [appellante] de beëindigingsovereenkomst van 16 april 2010 onder de druk dat zij op straat zou worden gezet indien zij de overeenkomst niet zou tekenen, heeft getekend. Dit laatste terwijl zij de Nederlandse taal niet beheerst en zij vóór de ondertekening niet de kans heeft gekregen zich te laten adviseren. Onder deze omstandigheden mag POS er, aldus [appellante], niet op vertrouwen dat zij met het beëindigingsaanbod heeft ingestemd. Uit haar verklaringen en gedragingen blijkt niet ondubbelzinnig dat zij instemming heeft gegeven.

4.5.16.

POS heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.5.17.

Het hof stelt voorop dat de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden grote gevolgen kan hebben voor een werknemer, onder meer met betrekking tot de mogelijkheid om aansluitend een uitkering te verkrijgen. Daarom worden in vaste rechtspraak strenge eisen gesteld aan de totstandkoming van een overeenkomst die strekt tot beëindiging van een arbeidsovereenkomst. Er moet onder meer sprake zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer, de werkgever moet zo nodig onderzoeken of de werknemer begrijpt dat zijn instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt gevraagd en de werkgever moet nagaan of de werknemer de gevolgen van de beëindigingsovereenkomst begrijpt. Met inachtneming van die uitgangspunten moet worden onderzocht of de werkgever er gelet op de concrete feiten en omstandigheden van het concrete geval op heeft mogen vertrouwen dat de werknemer daadwerkelijk de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wenste.

4.5.18.

Bij de in dit kader te verrichten afweging is ook van belang wat er kort na het sluiten van de beëindigingsovereenkomst is gebeurd. Als een werknemer na het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst zijn werkzaamheden daadwerkelijk staakt en zich vervolgens gedurende langere tijd niet meldt, kan dat voor de werkgever de indruk bevestigen dat de werknemer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk wilde. In het onderhavige geval acht het hof dat een belangrijke factor. [appellante] heeft een schriftelijke bevestiging van de beëindiging gekregen (zie hiervoor onder 4.1.g.). Vervolgens heeft [appellante] haar werkzaamheden gestaakt en pas tweeëneenhalve maand later, bij brief van haar advocaat van 29 juni 2010, het standpunt ingenomen zij zich niet gebonden acht aan de beëindigingsovereenkomst. Dat [appellante] dit standpunt eerder aan POS kenbaar heeft gemaakt is niet gesteld of gebleken. Voor zover de gang van zaken op 16 april 2010 bij POS nog enige twijfel had moeten laten bestaan of [appellante] de beëindiging van haar dienstverband daadwerkelijk wilde, heeft POS er naar het oordeel van het hof mede door het uitblijven van een reactie van [appellante] in de dagen daarna gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [appellante] de beëindiging daadwerkelijk wilde.

4.5.19.

Bij deze stand van zaken acht het hof het aanvaardbaar dat POS zich op de beëindigingsovereenkomst beroept. Er is dus geen sprake van een onregelmatig ontslag. Dat brengt mee dat de grieven VII en VIII worden verworpen en vordering 8 niet toewijsbaar is.

Naar aanleiding van grief IX, proceskosten en verdere afwikkeling

4.6.1.

Grief IX is gericht tegen de veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg. In de toelichting op deze grief stelt [appellante] onder verwijzing naar haar eerdere grieven dat haar vorderingen moeten worden toegewezen en dat POS dus als in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de proceskosten.

4.6.2.

Deze grief faalt. Het hof komt tot de conclusie dat de vorderingen van [appellante] terecht zijn afgewezen, zodat de veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg in stand blijft.

4.6.3.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en [appellante] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, tussen partijen gewezen vonnis van 19 juli 2011;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van POS worden begroot op € 1.769,00 aan verschotten en op € 1.158,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, I.B.N. Keizer en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juni 2014.