Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1616

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
HD 200.087.483_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop en levering van plantuitjes; na tien jaar vordering wegens tekortkoming in de nakoming en onrechtmatige daad; afstand gedaan van recht beroep te doen op verjaring? Rechtsverwerking? Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.087.483/01

arrest van 3 juni 2014

in de zaak van

1 Maatschap [Maatschap 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [de man 1],

wonende te [woonplaats],

3. [de man 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. W.M. Bijloo te Middelharnis,

tegen

1 Maatschap [Maatschap 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [de man 3],

wonende te [woonplaats],

3. [de man 4],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.G.A. Linssen te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 juli 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg onder zaaknummer 71281/HA ZA 10-18 gewezen vonnis van 12 januari 2011.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 juli 2011 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2011;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met een productie;

- de akte uitlating producties van [appellanten c.s.];

- de antwoordakte uitlating producties van [geïntimeerden c.s.].

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. In het voorjaar van 1997 heeft [appellanten c.s.] 25.000 kilogram eerstejaars plantuitjes van [geïntimeerden c.s.] gekocht en geleverd gekregen.

  2. [appellanten c.s.] heeft een deel van de geleverde plantuitjes doorgeleverd en een ander deel zelf geteeld.

  3. In de loop van 1997 is door [appellanten c.s.] geconstateerd dat de plantuitjes zijn besmet met stengelaaltjes. Zij heeft op 10 juli 1997 hierover een klacht ingediend bij voorheen geheten de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor groente- en bloemzaden (NAKG), thans geheten de Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (NAK T).

  4. In een brief van 10 september 1997 gericht aan [geïntimeerden c.s.] schrijft NAKG naar aanleiding van de klacht van [appellanten c.s.] het volgende:


    “(…)
    Op basis van de opgedane bevindingen concluderen wij dat de klacht terecht is. De aantasting van stengelaaltjes in de tweedejaars plantuitjes werd veroorzaakt door het door u afgeleverde plantmateriaal. Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat zich bij alle afnemers van het betreffende keuringsnummer aantasting van het gewas door stengelaaltjes voordeed.
    (…).“

  5. [appellanten c.s.] heeft een brief ontvangen van mr. A.N. Labohm en de heer [accountant] RA van ABAB accountants, gedateerd 4 augustus 1998, met onder meer de volgende inhoud:


    “(…)
    Tot ons wendden zich onze cliënten, de heer [de man 3] c.s. en de heer [de man 4] (…). In 1996 heeft u van onze cliënten eerstejaars plantuitjes afgenomen. (…) In 1998 is echter vastgesteld – nadat de NAKG de eerstejaars plantuitjes had goedgekeurd – dat de uitjes toch besmet waren met stengelaaltjes. Gesteld kan worden dat de NAKG een wanprestatie jegens onze cliënten heeft geleverd. Wij willen graag thans met alle afnemers van plantuitjes tot een inventarisatie (…) komen van de problemen die zijn ontstaan als gevolg van de besmetting met stengelaaltjes. Om tot een goede inventarisatie te komen, is het noodzakelijk dat alle afnemers, alsmede onze cliënten bij elkaar komen om te komen tot een gemeenschappelijke inventarisatie. Met deze gemeenschappelijke inventarisatie kunnen wij ons dan wenden tot de NAKG. Voor deze gemeenschappelijke inventarisatie willen wij u graag uitnodigen op ons kantoor te Goes op donderdag 20 augustus 1998 (…).
    (…).”

  6. Bij brief van 27 augustus 1998 heeft [appellanten c.s.] van ABAB accountants het besprekingsverslag van 20 augustus 1998 ontvangen. Het verslag heeft onder meer de volgende inhoud:


    “(…)
    Aanwezig: mr. A.N. Labohm,[accountant] RA, [belanghebbende 1], [belanghebbende 2]. Belanghebbenden: [volgt opsomming van 8 belanghebbenden, waaronder [belanghebbende 3]; hof]
    Afwezige belanghebbenden: 1. [Maatschap 2], 2. (…).

    Naar aanleiding van de brief van ondergetekenden d.d. 4 augustus 1998, gericht aan alle belanghebbenden, heeft er ten kantore van ABAB accountants een bespreking plaatsgevonden om te komen tot een inventarisatie van de problemen, zoals geformuleerd in eerder genoemde brief.
    (…)
    Alle aanwezigen hebben zich alle rechten voorbehouden. De strekking en het doel van de bespreking was het maken van een inventarisatie en het onderzoeken wat het gemeenschappelijk belang was en is van [geïntimeerden c.s.] enerzijds en alle belanghebbenden anderzijds.
    (…)
    Samenvattend mag worden gesteld dat alle belanghebbenden de mening zijn toegedaan dat de NAK G alsmede BLGG verwijtbaar tekort zijn geschoten bij de keuring van de eerstejaars plantenuitjes. Alle betrokkenen achten NAK G alsmede BLGG aansprakelijk voor de geleden schade.
    (…)
    Door [geïntimeerden c.s.] is aan alle belanghebbende[n; hof] de vraag voorgelegd, of alle belanghebbenden eveneens bereid zijn de NAK G en BLGG rechtstreeks aansprakelijk te stellen op basis van artikel 6:162 BW voor de door hen geleden schade.
    (…)
    Namens [geïntimeerden c.s.] verzoeken ondergetekenden gemachtigd te worden om de NAK G en BLGG aansprakelijk te stellen voor de geleden en nog te lijden schade, alsmede in onderhandeling te treden.


    Plan van aanpak


    1. Uitbrengen aansprakelijkstelling
    2. Bespreking alle betrokkenen, inclusief NAK G en BLGG, om te komen tot een inventarisatie

    Bij akkoord verzoeken ondergetekenden een kopie van dit verslag voor akkoord te ondertekenen en te retourneren aan ABAB Accountants (…).


    Verjaring


    Indien één van de belanghebbenden rechtstreeks een claim heeft jegens [geïntimeerden c.s.], zal [geïntimeerden c.s.] zich niet op verjaring beroepen. [geïntimeerden c.s.] heeft er namelijk belang bij dat ook belanghebbenden een claim indienen tegen de NAK G en BLGG.
    behoudt zich voor het overige alle rechten voor. Zulks geldt eveneens voor alle aanwezige belanghebbenden.
    (…).”

  7. Door een van de belanghebbenden, [belanghebbende 3], is tegen [geïntimeerden c.s.] een procedure gestart bij de rechtbank Middelburg in verband met de levering van besmette plantuien. [geïntimeerden c.s.] heeft daarop NAK T en BLGG (Bedrijfslaboratorium voor grond- en gewasonderzoek) in vrijwaring gedagvaard. De rechtbank Middelburg heeft bij vonnis van 8 juli 2009 de vordering van [geïntimeerden c.s.] tot veroordeling van NAK T en BLGG tot al datgene waartoe [Maatschap 2] in de hoofdzaak tegen [belanghebbende 3] is veroordeeld, afgewezen. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft dit vonnis bij arrest van
    20 september 2011 bekrachtigd.

  8. Bij brief van 20 oktober 2009 heeft [appellanten c.s.] [geïntimeerden c.s.] gesommeerd de door [appellanten c.s.] geleden schade van € 241.280,66 inclusief rente en kosten te vergoeden.

  9. [geïntimeerden c.s.] heeft aan de sommatie niet voldaan.

7.2.

In eerste aanleg heeft [appellanten c.s.], samengevat en na vermeerdering van eis, gevorderd om [geïntimeerden c.s.] te veroordelen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 121.028,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 119.568,36 vanaf 15 juli 1997 tot de dag van algehele voldoening, tot betaling van primair de buitengerechtelijke incassokosten ad € 4.000,-, subsidiair de werkelijk gemaakte advocaatkosten van € 1.338,23, en tot betaling van de proceskosten.

7.3.

[geïntimeerden c.s.] heeft in eerste aanleg onder meer het verweer gevoerd dat de vordering van [appellanten c.s.] is verjaard.

7.4.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder meer het volgende overwogen: dat voor zover de onderhavige vordering is gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming de vordering gelet op artikel 7:23 lid 2 BW is verjaard; dat dezelfde termijn geldt ten aanzien van een vordering uit onrechtmatige daad, nu deze vordering feitelijk is gegrond op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst; dat niet is gesteld of gebleken dat [appellanten c.s.] de verjaring tijdig heeft gestuit; dat [geïntimeerden c.s.] zich in beginsel op verjaring kan beroepen, tenzij zij afstand van verjaring heeft gedaan zoals [appellanten c.s.] heeft betoogd; dat, daargelaten of de betreffende passage in het besprekingsverslag van
20 augustus 1998 kan worden aangemerkt als afstandsverklaring, [geïntimeerden c.s.] het recht om zich op verjaring te beroepen gelet op artikel 3:322 lid 3 BW toen niet heeft kunnen prijsgeven, aangezien de verjaring nog niet was voltooid.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten c.s.] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten.

7.5.

[appellanten c.s.] is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen. De grieven hebben alle drie de strekking dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vordering van [appellanten c.s.] is verjaard.

7.6.

[appellanten c.s.] stelt in hoger beroep dat haar vordering jegens [geïntimeerden c.s.] niet is verjaard en voert daartoe kort gezegd het volgende aan:

a. a) tussen partijen geldt een verjaringsafspraak, welke afspraak is neergelegd in een tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst en dus, gelet op het bepaalde in artikel 3:322 lid 3 BW, niet wordt getroffen door het bepaalde in artikel 3:322 lid 3 BW;

b) [geïntimeerden c.s.] heeft het recht verwerkt zich op verjaring te beroepen;

c) het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerden c.s.] zich op verjaring beroept.

7.7.

Ad a) verjaringsafspraak en vaststellingsovereenkomst

7.7.1.

[appellanten c.s.] stelt in dit verband het volgende.

Partijen hebben afgesproken dat [appellanten c.s.] de procedure tussen [geïntimeerden c.s.] en de NAKG en BLGG bij de rechtbank Middelburg zou afwachten en zolang geen procedure tegen [geïntimeerden c.s.] aanhangig zou maken, en dat [geïntimeerden c.s.] tegenover [appellanten c.s.] geen beroep op verjaring doen.

[appellanten c.s.] heeft gesteld dat deze verjaringsafspraak blijkt uit het besprekingsverslag, nu daarin is opgenomen dat [geïntimeerden c.s.] geen beroep op verjaring zal doen indien een van de belanghebbenden een claim heeft jegens [geïntimeerden c.s.] Dit verslag is door mr. Labohm namens [geïntimeerden c.s.] op 27 augustus 1998 aan [appellanten c.s.] verzonden. [appellanten c.s.] heeft de afstand van recht door [geïntimeerden c.s.] om zich op verjaring te beroepen (stilzwijgend) aanvaard. Zij heeft niet tegen het verslag geprotesteerd en heeft de procedure bij de rechtbank Middelburg tussen [geïntimeerden c.s.] en NAKG en BLGG afgewacht. Voor [geïntimeerden c.s.] moet zonneklaar zijn geweest dat [appellanten c.s.] instemde met de verjaringsafspraak. Uit het uitblijven van verdere actie van [appellanten c.s.] heeft [geïntimeerden c.s.] moeten begrijpen dat [appellanten c.s.] instemde met het verslag. Partijen wilden met deze afspraak onzekerheid voorkomen en hun geschil oplossen. Aldus is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:900 BW en is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.

[appellanten c.s.] heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat zij het verslag in 1998 heeft ontvangen van mr. Labohm en dat [appellanten c.s.] het daarin vervatte aanbod stilzwijgend heeft aanvaard.

7.7.2.

[geïntimeerden c.s.] heeft de door [appellanten c.s.] gestelde afspraken gemotiveerd betwist. [geïntimeerden c.s.] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de strekking en het doel van de bespreking waren het maken van een inventarisatie en het onderzoeken van de gemeenschappelijke belangen van de in het besprekingsverslag genoemde personen teneinde – via mediation – tot een gezamenlijke oplossing te komen. Van een beoogde definitieve beëindiging of voorkoming van onzekerheid en/of geschil is echter geen sprake geweest. [appellanten c.s.] heeft het verslag niet ondertekend en ook geen van de andere belanghebbenden heeft het verslag ondertekend of bleek bereid tot het maken van afspraken met [geïntimeerden c.s.] heeft in dit verband gewezen op de door [belanghebbende 3] afzonderlijk gestarte procedure. [geïntimeerden c.s.] heeft voorts betwist dat ter vergadering de door haar beweerdelijke toezegging is gedaan.

7.7.3.

Het hof is van oordeel dat door [appellanten c.s.] onvoldoende is gesteld om aan te kunnen nemen dat met [geïntimeerden c.s.] een verjaringsafspraak als door [appellanten c.s.] gesteld tot stand is gekomen.

Uit het besprekingsverslag van 20 augustus 1998 blijkt het volgende: het doel van de bespreking was “het maken van een inventarisatie en het onderzoeken wat het gemeenschappelijk belang was en is van [geïntimeerden c.s.] enerzijds en alle belanghebbenden anderzijds”; namens [geïntimeerden c.s.] hebben mr. Labohm en [accountant] RA verzocht gemachtigd te worden om de NAK G en BLGG aansprakelijk te stellen voor de geleden en nog te lijden schade, alsmede in onderhandeling te treden; als plan van aanpak is geformuleerd:
“1. uitbrengen aansprakelijkstelling; 2. bespreking alle betrokkenen, inclusief NAK G en BLGG, om te komen tot een inventarisatie”; mr. Labohm en [accountant] RA hebben verzocht een kopie van het verslag te ondertekenen en te retourneren aan ABAB Accountants; en onder het kopje “verjaring” is opgenomen dat “indien één van de belanghebbenden rechtstreeks een claim heeft jegens [geïntimeerden c.s.], (…) [geïntimeerden c.s.] zich niet op verjaring [zal] beroepen. [geïntimeerden c.s.] heeft er namelijk belang bij dat ook belanghebbenden een claim indienen tegen de NAK G en BLGG”. Uit het verslag zelf kan niet worden afgeleid dat er door [geïntimeerden c.s.] een aanbod is gedaan dat ertoe strekte dat [appellanten c.s.] zou wachten met een procedure tegen [geïntimeerden c.s.] en dat [geïntimeerden c.s.] daartegenover afstand deed van haar recht een beroep op verjaring te doen. Het hof neemt hierbij in aanmerking de door [geïntimeerden c.s.] gestelde, en ook uit het verslag zelf blijkende strekking van de bespreking, namelijk een inventarisatie van de gemeenschappelijke belangen met het oog op een gezamenlijke aanpak richting NAKG en BLGG. Het verslag wijst dan ook veeleer erop dat hetgeen daarin ten aanzien van de verjaring is opgenomen, geplaatst dient te worden in het kader van het door [geïntimeerden c.s.] beoogde gezamenlijke optrekken tegen NAKG en BLGG.

Tot een gemeenschappelijke aanpak is het, zo volgt uit de onweersproken stellingen van [geïntimeerden c.s.], niet gekomen. Feiten of omstandigheden op grond waarvan [appellanten c.s.], die zelf niet bij de bespreking aanwezig is geweest, het verslag aldus heeft mogen begrijpen dat het een aanbod behelsde in de door haar gestelde zin, zijn door haar niet gesteld en ook niet gebleken.

Verder geldt dat, nu [appellanten c.s.] niet bij de bespreking aanwezig was en het hiervan opgemaakte verslag ook niet heeft ondertekend en geretourneerd, het enkele afwachten door haar van de (vrijwarings)procedure tegen NAKG en BLGG, onvoldoende is om aan te nemen dat voor [geïntimeerden c.s.] duidelijk had moeten zijn dat de wil van [appellanten c.s.] erop was gericht een overeenkomst te sluiten als door haar gesteld. Overige feiten of omstandigheden waaruit een dergelijke aanvaarding kan worden afgeleid, zijn gesteld noch gebleken.

7.7.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder ten aanzien van doel en strekking van de bespreking op 20 augustus 1998, kan evenmin worden uitgegaan van de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW.

7.8.

Ad b) rechtsverwerking en ad c) beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

7.8.1.

De in dit verband door [appellanten c.s.] ingenomen stellingen zijn in de kern erop gegrond dat door [geïntimeerden c.s.] het vertrouwen is gewekt dat door haar geen beroep op verjaring zal worden gedaan. [appellanten c.s.] heeft zich daartoe beroepen op het besprekingsverslag van 20 augustus 1998, dat namens [geïntimeerden c.s.] door een onafhankelijk deskundige (kandidaat-notaris), mr. Labohm, is opgesteld. Nu het besprekingsverslag was opgesteld door de door [geïntimeerden c.s.] zelf aangezochte deskundige mocht [appellanten c.s.] erop vertrouwen dat het verslag juist was, juridisch deugde en de instemming genoot van [geïntimeerden c.s.] Bij dit alles moet bedacht worden dat [appellanten c.s.] haar rechten verliest, zonder dat daar iets tegenover staat, ingeval [geïntimeerden c.s.] zich op verjaring mag beroepen, aldus steeds [appellanten c.s.].

7.8.2.

[geïntimeerden c.s.] heeft zich verweerd met de stelling dat door [appellanten c.s.] geen omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat door [geïntimeerden c.s.] bij [appellanten c.s.] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij geen beroep meer zou doen op verjaring.

7.8.3.

Het hof is van oordeel dat de door [appellanten c.s.] aangevoerde omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Uit het hiervoor in rechtsoverweging 7.7.3 overwogene volgt dat [appellanten c.s.] het door haar gestelde vertrouwen niet aan het enkele besprekingsverslag heeft kunnen ontlenen. Voorts zijn er geen gedragingen van mr. Labohm gesteld of gebleken die bij [appellanten c.s.] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen opwekken dat [geïntimeerden c.s.] zich jegens haar niet op verjaring zou beroepen. Uit het enkele opstellen en opsturen van het verslag aan de belanghebbenden kan dit niet worden afgeleid. Voor zover [appellanten c.s.] stelt dat het besprekingsverslag niet juist was, juridisch niet deugde of niet de instemming van [geïntimeerden c.s.] genoot, wordt dit gepasseerd, nu [appellanten c.s.] deze stelling niet heeft geconcretiseerd.

7.9.

De grieven van [appellanten c.s.] stuiten af op het voorgaande. Nu [appellanten c.s.] geen feiten stelt of te bewijzen aanbiedt die (indien juist of bewezen) tot een ander oordeel leiden, wordt haar bewijsaanbod gepasseerd. Het overige in de memorie van grieven gestelde hoeft bij gebrek aan belang niet besproken te worden. Het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

7.10.

Het hof zal [appellanten c.s.] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] zullen worden vastgesteld op:

griffierecht € 1.475,-

totaal verschotten € 1.475,-

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2,5 punt x € 2.632,00 € 6.580,-.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] worden begroot op € 1.475,- aan verschotten en op € 6.580,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, M.G.W.M. Stienissen en
C.E.C.J. Ponsioen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juni 2014.