Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1526

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
20-001476-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De politierechter heeft ten onrechte de beslissing op de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet in het vonnis neergelegd, waardoor het hoger beroep zich formeel niet richt tegen deze beslissing. Het hof verstaat dat het hoger beroep mede is gericht tegen deze beslissing.

Overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001476-12

Uitspraak : 14 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 13 april 2012 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-160205-11 en 03-230044-11, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van drie maal “diefstal” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De politierechter heeft op 13 april 2012 tevens beslist op de vordering van de officier van justitie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte te herroepen in verband met de ten laste gelegde feiten.

Artikel 15i, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit is bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het strafbare feit.”

Artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:

“Heeft de officier van justitie tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht opgelegde straf of een vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan beraadslaagt de rechtbank mede over haar bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt uitgesproken, ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.”

Artikel 15j, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Tegen de beslissing van de rechtbank over de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat, voor zover zij geen deel uitmaakt van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, geen rechtsmiddel open.”

Het hof leidt uit dit samenstel van bepalingen af dat de beslissing op een vordering die gebaseerd is op het overtreden van de algemene voorwaarde (het niet plegen van strafbare feiten) deel behoort uit te maken van het vonnis.

De politierechter heeft derhalve ten onrechte de beslissing op de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet in het vonnis, waarvan beroep, neergelegd, waardoor het hoger beroep zich formeel niet richt tegen deze beslissing.

Het hof verstaat dat het hoger beroep mede is gericht tegen de beslissing op de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 13 april 2012.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair
    45 dagen hechtenis;

  • -

    de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal afwijzen.

De verdediging heeft :

  • -

    bepleit dat aan verdachte een werkstraf zal worden opgelegd en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft de hoogte van de op te leggen werkstraf;

  • -

    ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling bepleit:

primair dat de officier niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering;

subsidiair dat de vordering zal worden afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het proces-verbaal van de terechtzitting niet is vastgesteld door de politierechter conform de voorschriften van artikel 327 juncto artikel 367 van het Wetboek van Strafvordering en daardoor rechtskracht mist. Dit gebrek brengt nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg met zich en derhalve nietigheid van het vonnis.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 03-160205-11

1.
hij op of omstreeks 29 juni 2011, in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere, althans een Tomtom(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Mediamarkt Heerlen Bv, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.
hij op of omstreeks 5 juli 2011, in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere Tomtom(s) (te weten 2 stuks), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Mediamarkt Heerlen Bv, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Parketnummer 03-230044-11

hij, op of omstreeks 5 september 2011, in de gemeente Schinnen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee planten en/of twee potten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-160205-11 onder 1. en 2. en in de zaak met parketnummer 03-230044-11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Parketnummer 03-160205-11

1.
hij op 29 juni 2011, in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening heeft weggenomen meerdere Tomtoms, toebehorende aan Mediamarkt Heerlen Bv;

2.
hij op 5 juli 2011, in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening heeft weggenomen meerdere Tomtoms (te weten 2 stuks), toebehorende aan Mediamarkt Heerlen Bv;

Parketnummer 03-230044-11

hij, op 5 september 2011, in de gemeente Schinnen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee planten en twee potten, toebehorende aan
[slachtoffer].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-160205-11 onder 1. en 2. en in de zaak met parketnummer 03-230044-11 bewezen verklaarde levert telkens op:

Diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

A.1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin feiten als de bewezen verklaarde feiten in het algemeen schade teweeg brengen aan de eigenaars van de weggenomen goederen, dan wel diens verzekeraars, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijk delicten wordt veroorzaakt aan de gedupeerden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    28 maart 2014, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake van soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken en die zich inmiddels in positieve zin lijken te hebben ontwikkeld.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof – gelet ook op de zich in positieve zin lijkende te ontwikkelen persoonlijke omstandigheden van verdachte – oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 70 uren, in dit geval een passende reactie.

A.2

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De verdachte heeft op 13 april 2012 hoger beroep ingesteld. Het hof constateert dat het dossier eerst na verloop van meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof is binnengekomen, te weten op 24 februari 2014.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd, de termijn waarbinnen de zaak in hoger beroep is behandeld en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uur, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand op te leggen.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

B.1

Bij vonnis van de rechtbank Breda van 12 maart 2009, parketnummer 02-811355-08, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Op 3 mei 2011 is de verdachte op grond van de wettelijke regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Op 17 oktober 2011 heeft de officier van justitie te ‘s-Hertogenbosch een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend op grond dat verdachte de algemene voorwaarde gesteld bij de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft geschonden.

B.2.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    de vordering niet onverwijld is gedaan;

  • -

    de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling inmiddels is geëindigd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2.2

Artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank.”

B.2.3

Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van politie betreffende het in de zaak met parketnummer 03-230044-11 ten laste gelegde waarvoor veroordeelde thans in hoger beroep (onder meer) wordt veroordeeld op 28 september 2011 is binnengekomen bij het openbaar ministerie te Maastricht. De officier van justitie heeft op 17 oktober 2011 de onderhavige vordering bij de rechtbank ingediend, welke vordering onder meer is gebaseerd op dit strafbare feit.

B.2.4

Indien een proces-verbaal van politie binnenkomt bij een parket, dient dat proces-verbaal te worden beoordeeld en zo nodig aangevuld. Op grond van die beoordeling dient het openbaar ministerie een vervolgingsbeslissing te nemen. Het hof vermag niet in te zien dat de daarmee in deze zaak gemoeide periode niet zou voldoen aan de eis van onverwijldheid, zodat het verweer in zoverre wordt verworpen. De omstandigheid dat de vordering tevens is gebaseerd op de verdenking dat verdachte op 3 mei, 29 juni en 5 juli 2011 diefstallen heeft gepleegd, kan aan het voorgaande niet afdoen.

B.3

De stelling van de verdediging dat de voorwaardelijke invrijheidstelling slechts kan worden herroepen zolang de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling loopt, vindt geen steun in het recht, zodat het verweer in zoverre reeds om die reden faalt.

B.4

Gelet op de zich in positieve zin lijkende te ontwikkelen persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht het hof het, met de advocaat-generaal, niet opportuun om thans de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Het hof zal de vordering dan ook afwijzen

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-160205-11 onder 1. en 2. en in de zaak met parketnummer 03-230044-11 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Aldus gewezen door

mr. F. van Es, voorzitter,

mr. E.F.G.M. Gelderman en mr. M.A.A. van Capelle, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 14 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.F.G.M. Gelderman en mr. M.A.A. van Capelle zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.