Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
HD 200.112.931_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overdracht aandeel eigendom van gezamenlijk in eigendom toebehorend paard zonder stamboekpapier aan mede-eigenaar levert wanprestatie jegens mede-eigenaar op en overdrager is verplicht de dientengevolge geleden schade te vergoeden. Laatstgenoemde beroept zich op schadebeperkingsplicht omdat verkrijger een kopie van het stamboekpapier had kunnen aanvragen. Bewijsopdracht overdrager dat zulks in dit geval mogelijk zou zijn geweest. Verkrijger dient in het kader van de omvang van de schade onder meer de gestelde voorwaardelijke overdracht van het paard op paardenveiling te bewijzen en het gestelde beroep de niet-vervulling van de voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.112.931/01

arrest van 27 mei 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.J.A. Weda te Kamerik,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. Th.H.G. van de Langenberg te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 juni 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 28 maart 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 191356/HA ZA 09-809)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar de daaraan voorafgaande vonnissen van 24 juni 2009, 6 oktober 2010 en 16 november 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven tevens wijziging van eis met acht producties;

- de memorie van antwoord met een productie;

- de akte uitlaten alsmede overlegging nadere producties van [appellant];

- de antwoordakte van [geïntimeerde].

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft in r.o. 2.2 tot en met 2.5 van het vonnis van 6 oktober 2010 de feiten vastgesteld waarvan zij is uitgegaan. Deze feiten, die in hoger beroep niet zijn betwist, zijn ook in hoger beroep uitgangspunt.

4.2.

Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep nog van belang, om het volgende.

4.2.1.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben op enig moment gezamenlijk een aantal paarden in eigendom gehad.

4.2.2.

Op 3 oktober 2008 hebben zij een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [geïntimeerde] zijn aandeel in de hun gezamenlijk in eigendom toebehorende paarden heeft verkocht aan [appellant]. In de daarvan door [appellant] opgemaakte schriftelijke en door [appellant] en [geïntimeerde] ondertekende overeenkomst (prod. 1 inl. dagv.; hierna: “de overeenkomst”) staat onder meer:

“Alle paarden welke in gezamenlijke eigendom zijn zullen worden overgenomen door [appellant] van [geïntimeerde] voor de som van € 16.000,00 in contanten.

Beide partijen verklaren door ondertekening van deze overeenkomst dat zij van elkaar niets meer te vorderen hebben; [appellant] kan dus geen verdere kosten meer claimen bij [geïntimeerde]. Andersom geldt hetzelfde.

Beide verklaren dat beider kosten zoals besproken en uitgerekend voldaan zijn of worden.”

4.2.3.

Niet in discussie is dat [appellant] op grond van de overeenkomst eigenaar is geworden van de volgende paarden:

- merrie van Caretano met veulen van Caretano;

- veulen van Diamont Hit;

- hengst van Carolus;

- merrie van Future.

4.2.4.

Volgens [appellant] is hij op grond van de overeenkomst ook eigenaar geworden van het paard Gitane van Kooldries, hengst van Sandro Hit (hierna: Gitane), en Penelope, merrie van Jazz (Penelope), maar volgens [geïntimeerde] behoren deze paarden hem in eigendom toe. De stamboekpapieren van Gitane en Penelope waren in het bezit van [geïntimeerde].

Het paard Penelope is door [geïntimeerde] op een niet nader genoemde locatie ondergebracht. Gitane is via [appellant] doorverkocht en geleverd aan een derde.

4.3.1.

Bij dagvaarding van 2 april 2009 heeft [appellant] [geïntimeerde] in rechte betrokken. Na vermeerdering van eis heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde], kort gezegd, wordt veroordeeld:

met betrekking tot het paard Gitane:

primair:

  • -

    het bij dit paard behorend stamboekpapier aan [appellant] te overhandigen op straffe van een nader omschreven dwangsom;

  • -

    tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 11. 750,-- als schadevergoeding wegens waardevermindering van het paard, alsmede van een bedrag van € 30.436,04 + p.m. als schadevergoeding wegens gemaakte stallings-, trainings- en verzorgingskosten, een en ander ten gevolge van de wanprestatie van [geïntimeerde] en vermeerderd met wettelijke rente;

subsidiair:

- een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is, met veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van schade op te maken bij staat;

met betrekking tot het paard Penelope:

primair:

  • -

    dit paard met bijbehorend stamboekpapier aan [appellant] ter beschikking te stellen op straffe van een nader omschreven dwangsom;

  • -

    tot voldoening van de schade welke nog nader moet worden begroot;

subsidiair:

- om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 22.500,00, zijnde vervangende schadevergoeding voor het paard Penelope;

voorts:

  • -

    tot betaling van een bedrag van € 7.500,00 + p.m., vermeerderd met wettelijke rente;

  • -

    in de kosten van de procedure met inbegrip van de kosten van beslaglegging.

4.3.2.

[geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellant] gemotiveerd betwist en in reconventie gevorderd, kort gezegd, dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] eigenaar is van Penelope en Gitane. Voorts heeft [geïntimeerde] afgifte van Gitane en vergoeding van schade gevorderd.

4.3.3.

Na bij vonnis van 24 juni 2009 een comparitie te hebben gelast, die op 23 april 2010 is gehouden, heeft de rechtbank bij vonnis van 6 oktober 2010 overwogen dat allereerst tussen partijen in geschil is of de paarden Gitane en Penelope tot het gezamenlijk eigendom van [appellant] en [geïntimeerde] behoorden - en daarmee onder de overeenkomst vallen - of dat zij geheel toebehoren aan [geïntimeerde]. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat beide partijen hun stellingen – hoewel met elkaar in tegenspraak – voldoende en gemotiveerd hebben onderbouwd, maar nog niet hebben bewezen. Daarop heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat [appellant] en [geïntimeerde] – voor het sluiten van de overeenkomst van 3 oktober 2008 – gezamenlijk eigenaar waren van de paarden Gitane en Penelope en [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat de paarden Gitane en Penelope door hem alleen in eigendom zijn verworven en dat deze paarden ook thans nog alleen aan hem in eigendom toebehoren.

4.3.4.

[appellant] heeft diverse getuigen doen horen, onder wie, voor zover in hoger beroep van belang, zichzelf, zijn echtgenote en [getuige 1]. In contra-enquête tevens enquête heeft [geïntimeerde] alleen zichzelf als getuige doen horen. De rechtbank heeft in het vonnis van 16 november 2011 geoordeeld dat [appellant] alleen ten aanzien van het paard Gitane is geslaagd in het bewijs dat Gitane voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst gezamenlijk eigendom was van [appellant] en [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen bewijs. Wat betreft de vordering van [appellant] tot vergoeding van schade inzake het paard Gitane heeft de rechtbank [appellant] in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten omtrent de schade die hij heeft geleden door het niet kunnen beschikken over het stamboekpapier van Gitane.

4.3.5.

Bij vonnis van 28 maart 2012 heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat [appellant] de rechtbank onvoldoende in staat heeft gesteld de schade te begroten. Daarop heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen, met uitzondering van de vordering tot afgifte van het stamboekpapier betreffende Gitane. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn eveneens afgewezen.

4.4.

[appellant] komt in hoger beroep. Uit de memorie van grieven blijkt - eveneens voor [geïntimeerde] voldoende kenbaar - dat [appellant], anders dan in appeldagvaarding staat, niet alleen in hoger beroep komt van het eindvonnis van 28 maart 2012, maar ook van het tussenvonnis 16 november 2011. In hoger beroep heeft [appellant] tevens zijn eis gewijzigd. Hoewel hij in de aanhef van zijn gewijzigde eis toewijzing van zijn vorderingen “in eerste aanleg” vordert, begrijpt het hof uit de daarna uitgewerkte vordering, dat [appellant], naast vernietiging van de twee bestreden vonnissen, thans vordert, beknopt weergegeven:

met betrekking tot het paard Penelope:

  • -

    [geïntimeerde] te gebieden aan [appellant] het paard Penelope met bijbehorend stamboekpapier ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom;

  • -

    [geïntimeerde] te veroordelen aan [appellant] te voldoen de door hem geleden schade op te maken bij staat tevens inhoudende eventuele vervangende schadevergoeding;

met betrekking tot het paard Gitane:

  • -

    [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.000,= te vermeerderen met de stallingskosten in Friesland van € 2.600,= te vermeerderen met p.m.;

  • -

    [geïntimeerde] te veroordelen te voldoen een bedrag van € 64.499,62 althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding terzake stallings-, trainings- en verzorgingskosten als gevolg van toerekenbaar tekortschieten/onrechtmatige daad van [geïntimeerde], te vermeerderen met wettelijke rente.

En voorts tot veroordeling van [geïntimeerde] in de buitengerechtelijke kosten conform rapport voorwerk en de proceskosten met inbegrip van de beslagkosten.

4.5.

Grief 1 is gericht tegen r.o. 2.16, 2.25 en 2.26 van het vonnis van 16 november 2011 en r.o. 2.2 van het vonnis van 28 maart 2012, inhoudende dat [appellant] niet is geslaagd in de bewijslevering ten aanzien van het paard Penelope.

De grieven 2, 3 en 4 hebben alle betrekking op de schadevergoeding betreffende het paard Gitane en komen er in de kern op neer dat deze door de rechtbank ten onrechte is afgewezen.

[appellant] heeft voorts in hoger beroep bewijs aangeboden.

4.6.

Derhalve beperkt het hoger beroep zich ten aanzien van het paard Penelope allereerst tot de vraag of dit paard voorafgaande aan de overeenkomst van 3 oktober 2010 gezamenlijk in eigendom toebehoorde aan [appellant] en [geïntimeerde]. Als dat komt vast te staan, is vervolgens de vordering tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, aan de orde.

Wat betreft het paard Gitane ligt de toewijsbaarheid van de in hoger beroep gewijzigde vordering inzake de vergoeding van de door [appellant] geleden schade door het niet, althans eerst in april 2012, door [geïntimeerde] ter beschikking stellen van de stamboekpapieren ter beoordeling voor. Vaststaat namelijk dat [geïntimeerde] na daartoe bij vonnis van 28 maart 2012 te zijn veroordeeld, in april 2012 het stamboekpapier van Gitane aan [appellant] heeft afgegeven.

Het paard Penelope (grief 1)

4.7.

Volgens de toelichting op grief 1 berust het oordeel van de rechtbank op een onjuiste bewijswaardering. Daartoe verwijst [appellant] naar de getuigenverklaring van [getuige 1] en stelt hij dat deze getuige wel degelijk verklaart dat het paard Penelope tot de gezamenlijke eigendom behoorde van [appellant] en [geïntimeerde]. De rechtbank heeft onvoldoende bewijskracht aan deze verklaring gehecht en ten onrechte beslist dat van dit paard niet bewezen is dat het op 3 oktober 2008 gezamenlijk eigendom was van [appellant] en [geïntimeerde], aldus [appellant].

[geïntimeerde] heeft onder meer aangevoerd, dat [getuige 1] niets met zekerheid omtrent de gestelde gezamenlijke eigendom van Penelope heeft kunnen verklaren.

4.7.1.

Het hof overweegt als volgt.

Deze grief berust op een verkeerde lezing van de getuigenverklaring van [getuige 1].

De getuigenverklaring van [getuige 1] heeft vooral betrekking op het paard Gitane. Wat betreft het paard Penelope houdt de verklaring van [getuige 1] enkel het volgende in:

“Ik heb altijd de indruk gehad dat ook Penelope gezamenlijk eigendom van dhr. [appellant] en [geïntimeerde] was. Alleen ten aanzien van Gitane kan ik dat met zekerheid zeggen naar aanleiding van de uitspraken van [geïntimeerde].”

[getuige 1] heeft als getuige niet nader toegelicht waarop zijn indruk, dat ook Penelope gezamenlijk eigendom van [appellant] en [geïntimeerde] was, is gebaseerd. In ieder geval niet op een verklaring van [geïntimeerde], zo valt uit zijn verklaring af te leiden. De enkele subjectieve indruk van [getuige 1] is onvoldoende om daarop het bestaan van gezamenlijke eigendom te baseren. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kunnen de verklaringen van de overige gehoorde getuigen niet bijdragen tot het bewijs van de gestelde gezamenlijke eigendom. Derhalve resteren alleen de verklaringen die [appellant] en [geïntimeerde] als getuigen hebben afgelegd en zij spreken elkaar op dit punt tegen. De rechtbank heeft dan ook terecht en op juiste gronden, die het hof overneemt, geoordeeld dat [appellant] niet in het bewijs is geslaagd. [appellant] is partijgetuige en er is geen sprake van onvolledig bewijs (in de zin van bewijs dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat het de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt) dat door zijn partijverklaring zou kunnen worden aangevuld.

4.7.2.

[appellant] heeft in hoger beroep een nader bewijsaanbod gedaan. Uit zijn toelichting leidt het hof af dat [appellant] aanbiedt [getuige 1] nogmaals als getuige te horen. Nu [appellant] heeft nagelaten toe te lichten wat [getuige 1] in aanvulling op zijn tegenover de rechtbank reeds afgelegde verklaring meer of anders zou kunnen verklaren, is dit bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd en wordt het daarom gepasseerd (HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270).

4.7.3.

Dit betekent dat ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat het paard Penelope op 3 oktober 2008 gezamenlijk eigendom was van [appellant] en [geïntimeerde].

Het hof komt derhalve wat betreft het paard Penelope niet toe aan een beoordeling van de vordering tot vergoeding van schade. Alle vorderingen van [appellant] betreffende het paard Penelope zullen worden afgewezen.

4.7.4.

Grief 1 faalt.

De vorderingen tot vergoeding van schade inzake het paard Gitane (grieven 2, 3 en 4)

4.8.

Alvorens deze vorderingen te beoordelen, stelt het hof het volgende voorop.

Vaststaat dat Gitane voor de overeenkomst gezamenlijk eigendom was van [appellant] en [geïntimeerde] en dat [appellant] op grond van de overeenkomst alleen eigenaar is geworden van Gitane. Tussen partijen is niet in discussie dat het stamboekpapier toekomt aan de eigenaar. Op grond van de overeenkomst was [geïntimeerde] dus niet alleen verplicht zijn aandeel in de eigendom van het paard aan [appellant] over te dragen, maar ook de daarbij behorende bewijsstukken, zoals het stamboekpapier.

Vaststaat dat [geïntimeerde] bij het sluiten van de overeenkomst het stamboekpapier niet aan [appellant] heeft overhandigd, noch kort daarna. [geïntimeerde] heeft dat eerst in april 2012 gedaan na daartoe bij vonnis van 28 maart 2012 te zijn veroordeeld. Dit betekent dat [geïntimeerde] jegens [appellant] tekort is geschoten in zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting het stamboekpapier van Gitane bij het sluiten van de overeenkomst, dan wel kort daarna, ter beschikking te stellen aan [appellant]. [geïntimeerde] is derhalve aansprakelijk voor de dientengevolge door [appellant] geleden schade.

4.8.1.

In de memorie van grieven heeft [appellant] zijn in hoger beroep gewijzigde vordering tot vergoeding van zijn schade als volgt toegelicht.

Nadat [appellant] en [geïntimeerde] op 3 oktober 2008 de overeenkomst hadden gesloten, heeft [appellant] contact opgenomen met [getuige 1] van Paardencentrum [Paardencentrum] en hem gevraagd of hij nog interesse had in 50% van de eigendom van Gitane. Dat bleek het geval en [getuige 1] gaf aan dat hij Gitane op ‘de Dressuurpaardenveiling’ te koop wilde aanbieden. [appellant] en [getuige 1] spraken af dat het paard – naar het hof begrijpt voor 50% - zou worden overgedragen aan [getuige 1] nadat was gebleken dat er geen veterinaire bezwaren waren. Daarop heeft [geïntimeerde], toen nog werkzaam bij [appellant], Gitane naar de kliniek in [plaats] gebracht alwaar het paard door drs. [dierenarts], dierenarts, is gekeurd. Toen tijdens de keuring bleek dat het stamboekpapier niet aanwezig was, heeft de identificatie plaatsgevonden door het uitlezen van de microchip. Gitane is goedgekeurd (prod. 12 akte vermeerdering van eis) en overgedragen aan [getuige 1] en de volgende dag opgehaald door een medewerker van de veiling. Ondanks het ontbreken van het stamboekpapier is het paard op de veiling gekocht door [koper] van stal ‘[stal]’ voor € 25.000,00 onder de voorwaarde dat het stamboekpapier zou worden na geleverd. Aangezien [appellant] ervan uitging dat hij op korte termijn het stamboekpapier geleverd zou krijgen van [geïntimeerde], heeft de verkoop wel doorgang gevonden, maar na een jaar op de papieren te hebben gewacht, heeft [stal] de koopovereenkomst ‘ontbonden’. Tussen de veiling en [stal] werd een schadeloosstelling afgesproken van 10% van de koopsom, zijnde € 2.500,00 en tevens werd afgesproken dat [stal] schadeloos diende te worden gesteld voor de gemaakte stallingskosten.

Gitane is in november 2011 opnieuw gekeurd door eerder genoemde kliniek in Someren met als resultaat dat het paard klinisch en radiologisch niet acceptabel was (prod. 16 akte eiswijziging). Daardoor kon het paard niet meer verkocht worden en toen heeft ook Paardencentrum [Paardencentrum] de koop ontbonden en het paard teruggebracht naar [appellant].

Daarop heeft [appellant] Gitane overgebracht naar een wei in Friesland waar het paard weidegang en winterstalling heeft en waar het paard nog steeds staat.

Wat betreft de stalling bij [Paardencentrum] zijn [appellant] en [Paardencentrum] bij overeenkomst van 19 december 2011 (prod. 14 akte wijziging eis) overeengekomen dat gedurende onderhavige procedure [appellant] de stallingskosten na afloop met [Paardencentrum] zou verrekenen en wel de helft daarvan, zijnde het aandeel van [Paardencentrum] in die kosten. Volgens [appellant] is het totale bedrag aan kosten € 1.193,57 per maand, de helft daarvan is dus € 596,79 per maand vanaf het moment dat Gitane daar stond. Daarenboven maakt [Paardencentrum] aanspraak op betaling van de veilingkosten van 10%, zijnde € 2.975,= (incl. btw) en op het verlies wegens waardedaling van het paard, zijnde 50% van het verschil tussen de waarde van het paard op het moment van de veiling in 2008, zijnde € 25.000,= en de huidige waarde geschat op

€ 1.000,=, dus € 12.000,=.

Derhalve heeft [Paardencentrum] bij [appellant] de volgende schade in rekening gebracht:

  1. De stallings- en verzorgingskosten van 1 oktober 2008 tot en met 1 januari 2012, zijnde 39 maanden a € 596,79, dus in totaal € 23.274,81, zijnde het aandeel van [appellant] in die kosten op grond van de overeenkomst van 19 december 2011;

  2. De stallings- en verzorgingskosten na de ontbinding van de koopovereenkomst, zijnde eveneens € 23.274,81;

  3. De gemaakte veilingkosten van 10% (€ 2.500,=), ad € 2.975,= (incl. btw);

  4. e door [stal] in rekening gebrachte veilingkosten ad € 2.975,= (incl. btw);

  5. De waardevermindering van het paard van € 12.000,=.

Naast deze bedragen, die [Paardencentrum] volgens [appellant] bij hem in rekening heeft gebracht, vordert [appellant] zijn aandeel in de waardevermindering van het paard Gitane, te weten het bedrag dat het paard Gitane had opgeleverd indien de koop niet was ontbonden, verminderd met de waarde op het moment van het verkrijgen van het stamboekpapier in april 2012. De verkoopopbrengst van het paard per 1 november 2008 was € 25.000,= en na ontbinding van de koop is de waarde van het paard getaxeerd op € 1.000,= (prod. 4 MvG), aldus [appellant]. Daarnaast vordert [appellant] de door hem gemaakte stallingskosten in Friesland van €2.600,=, te vermeerderen met p.m.

[appellant] heeft voorts betoogd dat hij door toedoen van [geïntimeerde] niet een nieuw stamboekpapier kon aanvragen. [geïntimeerde] heeft namelijk op 27 november 2008 (prod. 9 akte 11 juni 2013) het stamboek via de e-mail bericht dat het paard Gitane gestolen is en het stamboek erop gewezen geen duplicaat paspoort af te geven.

Volgens [appellant] volgt uit de door [geïntimeerde] overgelegde brief van mevrouw [getuige 2] van het BWP (prod. 1 MvA) niet dat [appellant] een duplicaat van het stamboekpapier had kunnen verkrijgen omdat daarin staat dat een duplicaat wordt afgeleverd als alles in orde is “en als er geen speciaal dossier van is.” In dat laatste zit nu juist de crux, aldus [appellant], omdat door de melding van [geïntimeerde] aan het stamboek het juist wel een speciale zaak is geworden.

Tevens heeft [geïntimeerde] aan de veiling gemeld dat het paard Gitane van diefstal afkomstig was. De gevorderde schade is dus het gevolg van het handelen van [geïntimeerde] en kan aan hem worden toegerekend, aldus [appellant]. De schade is ook redelijk, want andere trainingsstallen hanteren vergelijkbare bedragen (prod. 8 MvG). Tevens heeft [appellant] zijn schade beperkt doordat op het moment dat bleek dat het paard zodanige gebreken had dat verder trainen en verzorgen bij [Paardencentrum] geen zin meer had, vanaf januari 2012 is gekozen voor een zeer eenvoudige en goedkope stallingsplaats van € 200,= per maand (excl. btw), te vermeerderen met kosten van hoefsmid en dierenartskosten. Deze kosten lopen nog door omdat Gitane daar nog immer is gestald.

4.8.2.

[geïntimeerde] heeft de gestelde schade gemotiveerd betwist.

Primair betwist [geïntimeerde] dat het paard onverkoopbaar was vanwege het ontbreken van de stamboekpapieren aangezien een nieuw paspoort kon worden aangevraagd. Dat [appellant] dat niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico, aldus [geïntimeerde]. Volgens [geïntimeerde] volgt uit de verklaring van mevrouw [getuige 2] van het BWP niet dat geen duplicaat kon worden verkregen.

[geïntimeerde] stelt daarnaast dat de stellingen van [appellant] dermate inconsistent zijn dat zij niet geloofwaardig zijn. Daarbij wijst [geïntimeerde] er onder meer op dat [appellant] bij inleidende dagvaarding heeft gesteld dat de mogelijke verkoopopbrengst van Gitane

€ 30.000,= zou bedragen, terwijl op dat moment – 2 april 2009 – met geen woord werd gerept over de vermeende verkoop aan [koper] voor een bedrag van € 25.000,= en evenmin over de gestelde ontbinding. Het is [geïntimeerde] een raadsel waarom pas bij memorie van grieven een factuur van de veiling in het geding wordt gebracht van 24 maart 2009 “wegens het niet doorgaan van de verkoop”. [geïntimeerde] betwist dan ook dat [appellant] het paard daadwerkelijk op de veiling heeft verkocht voor € 25.000,= en stelt in dat verband dat de verklaring van [koper] van 1 december 2011 (prod. 13 akte eiswijziging) door geen enkel schriftelijk stuk wordt ondersteund, dat op de website [website] de verkoop van het paard niet terug is te vinden en dat bij de veiling een notaris aanwezig is, die alle verkopen registreert. Ook betwist [geïntimeerde] de gestelde ontbinding door [stal] ([koper]). Voorts betwist [geïntimeerde] dat [stal] ([koper]) bij [appellant] verzorgingskosten in rekening heeft gebracht, want dat blijkt nergens uit. Daarnaast wordt de hoogte van de gestelde kosten betwist.

Ook de ontbinding door [Paardencentrum] wordt betwist alsook dat [appellant] uit hoofde daarvan enige vergoeding aan [Paardencentrum] heeft voldaan of zal moeten voldoen. Subsidiair betwist [geïntimeerde] de hoogte van de kosten. In dat verband stelt hij dat de genoemde periode niet klopt. Volgens de eigen stellingen van [appellant] heeft het paard een jaar bij [stal] op stal gestaan en vanaf 29 oktober 2009 bij [Paardencentrum], terwijl de kosten worden gevorderd over de periode vanaf 1 oktober 2008 tot 1 januari 2012 alsof het paard nooit bij [stal] op stal heeft gestaan. Voorts zijn de opgevoerde kosten volgens [geïntimeerde] exorbitant hoog. [geïntimeerde] heeft de overgelegde kostenopgave, de opgevoerde veilingkosten en de gestelde waardevermindering betwist.

schadebeperkingsplicht van [appellant]

4.9.

Als meest verstrekkend beoordeelt het hof eerst het door [geïntimeerde] gedane beroep op de schadebeperkingsplicht van [appellant], inhoudende dat [appellant] een nieuw stamboekpapier had kunnen aanvragen.

4.9.1.

Partijen zijn het er over eens dat normaal gesproken een duplicaat van het stamboekpapier kan worden aangevraagd. Zij verschillen evenwel van mening of dat ook in dit geval mogelijk zou zijn geweest. [appellant] heeft namelijk gemotiveerd betwist dat een aanvraag van een nieuw stamboekpapier in het onderhavige geval succesvol zou zijn geweest gelet op de informatie die [geïntimeerde] aan het stamboek had verstrekt. In het licht van deze gemotiveerde betwisting staat niet vast dat [appellant] in dit geval inderdaad een nieuw stamboekpapier had kunnen verkrijgen. Het verweer van [geïntimeerde] houdt een beroep op eigen schuld aan de zijde van [appellant] in. [geïntimeerde] draagt de bewijslast van hetgeen hij ter onderbouwing van zijn beroep op eigen schuld van [appellant] heeft aangevoerd. [geïntimeerde] wordt toegelaten te bewijzen dat indien [appellant] in oktober 2008, althans korte tijd nadien, voor het paard Gitane bij het stamboek een nieuw stamboekpapier zou hebben aangevraagd, hem dat zou zijn verstrekt.

4.9.2.

Als [geïntimeerde] slaagt in het bewijs, dan moeten de vorderingen van [appellant] tot vergoeding van de – beweerdelijk - geleden schade worden afgewezen. Van [appellant] had immers mogen worden verwacht de schade ten gevolge van de tekortkoming van [geïntimeerde], zijnde het niet afgeven van het stamboekpapier van Gitane, binnen redelijke grenzen te beperken. Als het mogelijk was een duplicaat stamboekpapier te verkrijgen, dan had van [appellant] redelijkerwijs mogen worden verwacht dat aan te vragen zodra duidelijk was, dat [geïntimeerde] niet bereid was het stamboekpapier af te geven, althans in ieder geval op een zodanig tijdstip, dat dit stamboekpapier nog tijdig na de door [appellant] gestelde verkoop en levering van Gitane aan [stal] ([koper]) zou kunnen worden nageleverd.

4.9.3.

Mocht [geïntimeerde] niet slagen in de bewijslevering, dan komt het hof toe aan de beoordeling van de schade van [appellant]. Om proceseconomische reden overweegt het hof thans reeds als volgt.

de schade van [appellant], gebaseerd op de gestelde verkoop van Gitane aan [stal] ([koper])

4.10.

De feitelijke grondslag van de schadevergoedingsvorderingen is de door [appellant] gestelde en door [geïntimeerde] gemotiveerd betwiste koopovereenkomst van het paard Gitane, tot stand gekomen op de paardenveiling in oktober 2008. Derhalve staat niet vast dat het paard is verkocht en geleverd aan [stal]/[koper] voor € 25.000,=. [appellant] wordt conform zijn bewijsaanbod toegelaten te bewijzen dat hij, althans hij en [Paardencentrum]/[getuige 1], Gitane eind oktober 2008 aan [stal]/[koper], heeft, althans hebben, verkocht voor € 25.000,= onder de voorwaarde dat het stamboekpapier zou worden na geleverd.

4.11.

Indien [appellant] niet slaagt in het bewijs, dan leidt dat tot afwijzing van zijn vorderingen. Mocht [appellant] slagen in het bewijs, dan komt het hof toe aan beoordeling van de gevorderde schade. Daarop vooruitlopend, overweegt het hof thans reeds als volgt.

4.11.1.

Als komt vast te staan, dat het paard is verkocht onder de voorwaarde dat het stamboekpapier zou worden (na)geleverd, dan is sprake van een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt naar het oordeel van het hof mee dat de werking van de verbintenis in dat geval eerst plaatsvindt op het moment dat het stamboekpapier wordt (na)geleverd. [appellant] is niet duidelijk over de termijn waarbinnen het stamboekpapier zou moeten worden (na)geleverd. Enerzijds staat in randnummer 113 van de memorie van grieven dat voorafgaand aan de veiling is aangekondigd dat het paard zonder stamboekpapier zou worden aangeboden en dat dit papier na drie maanden zou worden geleverd. Anderzijds staat in datzelfde randnummer dat [stal] na een jaar wachten ‘de overeenkomst heeft ontbonden’, omdat [appellant] niet in staat was de papieren te leveren. Maar wat daar ook van zij, het hof gaat met [geïntimeerde] ervan uit dat [appellant] bedoeld heeft te stellen dat [stal] de koopovereenkomst na een jaar heeft ‘ontbonden’. Nu [geïntimeerde] dit eveneens gemotiveerd heeft betwist, dient [appellant] tevens te bewijzen dat [stal] zich een jaar na de koopovereenkomst heeft beroepen op de niet-vervulling van de opschortende voorwaarde.

4.11.2.

Indien dat komt vast te staan, dan heeft het beroep door [stal]/[koper] op de niet-vervulling van de voorwaarde tot gevolg dat [appellant], althans [appellant] en [Paardencentrum], vanaf dat moment weer onbeperkt eigenaar zijn van het paard. Op grond van artikel 3:84 lid 4 BW wordt immers ingeval ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis wordt geleverd, slechts een recht verkregen dat aan dezelfde voorwaarde als die verbintenis is onderworpen. Dit betekent in dit geval dat [stal]/[koper] - aan wie volgens [appellant] het paard Gitane is geleverd - eigenaar is geworden onder opschortende voorwaarde en dat [appellant], althans [appellant] en [Paardencentrum], eigenaar is (zijn) onder ontbindende voorwaarde. Na de niet-vervulling van de voorwaarde, in casu een jaar na de koopovereenkomst, is [appellant], althans zijn [appellant] en [Paardencentrum], weer onbeperkt eigenaar.

4.11.3.

Uitgaande van de gestelde verkoop van Gitane aan [stal]/[koper] en het beroep op de niet-vervulling van de voorwaarde, zal vervolgens de schade van [appellant] dienen te worden onderzocht. Daarbij dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de hypothetische situatie zonder tekortkoming en de feitelijke situatie met tekortkoming.

Als [geïntimeerde] in oktober 2008 zijn aandeel in Gitane met het stamboekpapier aan [appellant] zou hebben geleverd, zou [appellant] in dat geval volgens zijn stellingen een verkoopopbrengst van € 25.000,= hebben ontvangen. [appellant] vordert thans de waardevermindering van het paard, zijnde € 24.000,=: de gestelde verkoopopbrengst verminderd met de waarde van het paard op 8 januari 2012 ad € 1.000,= volgens het taxatierapport van Wenders (prod. 4 MvG). Dit laatste is door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist, zodat [appellant] ook daarvan nader bewijs zal dienen bij te brengen. Naar het voorlopig oordeel van het hof ligt het voor de hand dat daarvoor een deskundigenbericht wordt gelast. Het definitieve oordeel daarover wordt evenwel aangehouden tot na de bewijslevering.

4.11.4.

In de hypothetische situatie zonder tekortkoming zou het paard direct en zonder beperking aan [stal]/[koper] zijn geleverd en zouden de achteraf door [stal]/[koper] nodeloos gemaakte kosten, waaronder de stallings-, trainings- en verzorgingskosten, niet door [stal]/[koper] aan [appellant] in rekening zijn gebracht. [geïntimeerde] betwist evenwel dat deze kosten daadwerkelijk in rekening zijn gebracht en betwist gemotiveerd de hoogte van de kosten alsmede dat deze kosten redelijk zijn. Dit betekent dat [appellant] te zijner tijd ook op dit punt nader bewijs zal dienen te leveren.

Datzelfde geldt ten aanzien van de door [Paardencentrum]/[getuige 1] aan [appellant] in rekening gebrachte kosten. Ook hier betwist [geïntimeerde] de gestelde ontbinding van de koopovereenkomst door [Paardencentrum]/[getuige 1] alsook dat [Paardencentrum]/[getuige 1] de gestelde kosten bij [appellant] in rekening heeft gebracht. Daarbij is [appellant] niet geheel duidelijk in de reden van ontbinding door [Paardencentrum]. Zo lijkt uit randnummer 115 van de memorie van grieven te volgen dat ook [Paardencentrum]/[getuige 1] zich op de niet-vervulling van de voorwaarde heeft beroepen, terwijl in randnummer 117 wordt gesteld dat [Paardencentrum] de koop heeft ontbonden toen bleek dat het paard niet meer verkoopbaar was omdat het klinisch en radiologisch niet acceptabel meer was (taxatierapport Wenders).

Derhalve zal [appellant] ook het gestelde beroep op ontbinding door [Paardencentrum] dienen te bewijzen.

Het hof merkt op dat [geïntimeerde] er terecht op wijst dat de door [appellant] in rekening gebrachte periode ten aanzien van de stallings- en verzorgingskosten niet klopt.

[appellant] zal in ieder geval deze kosten, gestaafd met schriftelijke bescheiden, nader dienen toe te lichten. Daarbij dient [appellant] ook aan te geven gedurende welke periode het paard gestald was bij [stal]/[koper] en vanaf welk moment (wederom) bij [Paardencentrum]/[getuige 1] en dient ook een uitsplitsing in de kosten gemaakt door [stal]/[koper] enerzijds en [Paardencentrum]/[getuige 1] anderzijds te worden gemaakt. Het hof gaat er vanuit dat [appellant] deze nadere toelichting bij het eerstvolgende processtuk of voorafgaand aan een eventueel te houden comparitie (zie r.o. 4.13) zal geven. Op grond daarvan zal worden beoordeeld of bewijslevering op dit punt nog aan de orde is.

4.11.5.

Anders dan [geïntimeerde] stelt, heeft [appellant], indien hij in het bewijs van de verkoop van Gitane aan [stal]/[koper] slaagt (en [geïntimeerde] er niet in is geslaagd te bewijzen dat [appellant] een duplicaat van het stamboekpapier had kunnen verkrijgen), in beginsel recht op vergoeding van kosten die hij in de tussenliggende periode, dus vanaf de totstandkoming van de koopovereenkomst tot het beroep op de niet-vervulling van de voorwaarde, heeft gemaakt dan wel aan de voorwaardelijk eigenaar heeft moeten vergoeden. Deze kosten zijn immers door de voorwaardelijk eigenaar nodeloos gemaakt en deze mag die kosten daarom bij [appellant] in rekening brengen, voor zover deze kosten redelijk zijn. [appellant] zou daartoe namelijk niet verplicht zijn geweest indien [geïntimeerde] zijn verplichting tot afgifte van het stamboekpapier jegens [appellant] was nagekomen. Nu [geïntimeerde] ook de hoogte van de kosten betwist, althans betwist dat de kosten redelijk zijn, zal [appellant] mogelijk ook te zijner tijd de redelijkheid van die kosten dienen te bewijzen.

4.12.

De conclusie is dan ook dat [appellant], ingeval [geïntimeerde] niet in het hem opgedragen bewijs slaagt en indien [appellant] wel in het hem opgedragen bewijs slaagt, [appellant] vervolgens (mogelijk) nog nader bewijs zal dienen bij te brengen van de door hem gestelde omvang van de geleden schade, onder meer door een deskundigenbericht.

Het hof kan zich voorstellen dat een en ander voor partijen aanleiding is bij elkaar te rade te gaan om te bezien of het mogelijk is de zaak in onderling overleg te regelen. Daarvoor is wellicht temeer aanleiding nu beide partijen zijn belast met bewijslevering en dus ook beiden een bewijsrisico lopen.

4.13.

De zaak wordt daarom naar de rol verwezen, niet alleen voor opgave van getuigen, maar ook om partijen in de gelegenheid te stellen aan het hof kenbaar te maken of zij een comparitie wensen om de mogelijkheid van een schikking te onderzoeken.

Alleen indien beide partijen dat wensen, zal het hof, alvorens partijen in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van de door hen te bewijzen stellingen (zie r.o. 4.9.1, 4.10, 4.11.1 en 4.11.4), een comparitie gelasten. In dat geval dient [appellant] uiterlijk twee weken voor de comparitie de hiervoor in 4.11.4 genoemde nadere toelichting van de kosten, gestaafd met schriftelijke bescheiden, aan het hof en [geïntimeerde] toe te sturen.

Bij gebreke van een eensluidend verzoek wordt overgegaan tot bewijslevering. In verband met de bewijsopdrachten verzoekt het hof (de advocaten van) partijen in onderling overleg te treden over de volgorde van mogelijk voor te brengen getuigen. Het is immers voorstelbaar dat ten aanzien van de bewijsopdrachten (deels) dezelfde getuigen zullen worden gehoord.

Indien eerst tot bewijslevering wordt overgegaan, is niettemin denkbaar dat het hof aansluitend aan de gehouden getuigenverhoren, een comparitie houdt.

4.14.

Iedere verdere beoordeling wordt aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

draagt [geïntimeerde] op te bewijzen dat [appellant] in het onderhavige geval tijdig (opdat tijdig aan de voorwaarde tot nalevering van het stamboekpapier zou kunnen worden voldaan) een duplicaat van het stamboekpapier van het paard Gitane had kunnen verkrijgen indien hij dat in of omstreeks oktober 2008 bij het stamboek (Belgisch Warmbloedpaard;BWP) had aangevraagd;

draagt [appellant] op te bewijzen dat:

  1. [stal]/[koper] eind oktober 2008 op de paardenveiling het paard Gitane heeft gekocht voor de koopprijs van € 25.000,= onder de voorwaarde dat het stamboekpapier van Gitane zou worden nageleverd;

  2. [stal] een jaar na het sluiten van de onder a) bedoelde koopovereenkomst een beroep heeft gedaan op de niet-vervulling van genoemde voorwaarde;

  3. [Paardencentrum]/[getuige 1] in of omstreeks november 2011 de koopovereenkomst met [appellant] heeft ontbonden;

bepaalt voor het geval partijen of een van hen bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. H.A.W. Vermeulen als raadsheer- commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 24 juni 2014 voor opgave aan beide zijden van aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuigen op dins- en woensdagen in de weken 34 t/m 42 en 44 t/m 51van 2014 alsmede voor akte uitlating omtrent wenselijkheid comparitie;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor c.q. van de comparitie zal vaststellen;

bepaalt dat [appellant] ingeval een comparitie wordt gelast uiterlijk twee weken tevoren de in r.o. 4.11.4 genomen toelichting van de kosten, gestaafd met schriftelijke bescheiden, aan het hof en de wederpartij zal toesturen;

verstaat dat partijen tevoren overleg plegen over aantal en de persoon van de getuigen dat tegen deze datum zal worden opgeroepen en de volgorde waarin de getuigen zullen worden voorgebracht;

bepaalt dat de advocaten van partijen tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en de woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie van het hof;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, H.A.W. Vermeulen en M.A. Wabeke en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 mei 2014.