Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1482

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
HV200.139.329_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 februari 2014

Zaaknummer: HV200.139.329/01

Zaaknummer eerste aanleg: R10/538

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te ’[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. G. Hagens.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 december 2013, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem alsnog een schone lei toe te kennen, althans de termijn waarin de WSNP op [appellant] van toepassing is te verlengen.

2.2.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 22 januari 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door mr. Hagens;

- mevrouw I.A. Kwetters, waarnemend namens de heer K.M. Korlaar, hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal in eerste aanleg d.d. 14 november 2013;

- de door de advocaat van [appellant] op 16 januari 2014 overgelegde producties;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 21 januari 2014;

- de door de advocaat van [appellant] op 30 januari 2014 toegezonden producties;

- de door de advocaat van [appellant] op 4 februari 2014 toegezonden producties.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 18 oktober 2010 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) vastgesteld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend.

De rechtbank heeft bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. [appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.

[appellant] heeft in het beroepschrift - kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- [appellant] heeft gedurende het schuldsaneringstraject in drie jaar tijd circa 285 keer gesolliciteerd, doch zonder resultaat;

- gedurende enige tijd werd het inkomen van [appellant], in zijn visie, ten onrechte verlaagd, waardoor het voor [appellant] niet mogelijk was om te voldoen aan zijn afdrachtverplichting en aan zijn overige verplichtingen;

- van een bovenmatige schuld is geen sprake, nu [appellant] doende is de hiervoor genoemde verlaging van zijn inkomen terug te draaien, zodat aan hem een nabetaling zal worden gedaan waarmee hij de ontstane achterstanden alsnog kan voldoen;

- [appellant] heeft zich gedurende de looptijd van de wsnp ingespannen om het traject op een goede manier te doorlopen. Dat dit tegen het einde van de looptijd niet is gelukt kan hem niet worden verweten.

3.3.1.

De bewindvoerder heeft in haar brief en ter zitting in hoger beroep haar standpunt gemotiveerd gehandhaafd.

3.4.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.4.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.4.2.

Zoals uit de inhoud van de processtukken blijkt, heeft [appellant] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld dat hij door de gemeente ten onrechte is gekort op zijn IOAW-uitkering en dat de belastingdienst een te lage huurtoeslag heeft berekend. Volgens [appellant] heeft dit tot gevolg gehad dat hij gedurende een periode onder bijstandsniveau heeft moeten leven met het gevolg, dat hij niets meer kon afdragen aan de boedel en daarnaast nieuwe schulden zijn ontstaan.

3.4.3.

In haar bestreden vonnis oordeelde de rechtbank dat [appellant] heeft verzuimd een verklaring of beschikking van de gemeente over te leggen, waaruit blijkt dat er inderdaad ten onrechte is gekort op zijn bijstandsuitkering, terwijl ook een schrijven of beschikking

ontbreekt van de belastingdienst ten aanzien van de door hem ontvangen huurtoeslag.

Het hof stelt vast dat [appellant] ook in hoger beroep nog geen begin van bewijs in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van zijn stelling, dat hij als gevolg van een korting op zijn bijstandsuitkering door de gemeente en een onjuiste vaststelling van de huurtoeslag door de belastingdienst gedurende een substantiële periode onder bijstandsniveau heeft moeten leven en dat hij als gevolg daarvan niet meer aan een aantal uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen heeft kunnen voldoen, zoals de afdrachtverplichting. [appellant] heeft daarnaast niet kunnen voorkomen dat nieuwe schulden zijn ontstaan gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

[appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat hij via maatschappelijk werk is verwezen naar Bureau Sociaal Raadslieden, dat hem behulpzaam is geweest bij het opstellen van de door de advocaat bij productie 4 overgelegde overzichten ter zake van de door [appellant] van de gemeente ontvangen IOAW-uitkeringen over de periode van mei 2012 tot en met januari 2013. Daaruit zou moeten blijken dat [appellant] een bedrag van € 3.228,32 te weinig zou hebben ontvangen. Hiervan ontbreekt echter ieder verificatoir bewijs.

Nu [appellant], in zijn visie, te weinig IOAW-uitkeringen heeft ontvangen en daardoor onder bijstandsniveau heeft geleefd en een en ander betrekking heeft op de periode van mei 2012 tot en met januari 2013, heeft [appellant], naar het oordeel van het hof ruim voldoende gelegenheid gehad de onderliggende uitkeringsspecificaties van de gemeente en de beschikkingen van de belastingdienst ter zake van de huurtoeslag in het geding te brengen, teneinde daarmee zijn stelling nader te kunnen onderbouwen. Dat [appellant] dit zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te komen.

3.4.4.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”. Het hof stelt vast dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

Het vorenstaande brengt tevens met zich dat de gang van zaken rond de sollicitatie-activiteiten van [appellant], van welke activiteiten overigens, behoudens een door [appellant] geproduceerd overzicht betreffende de door hem verrichte 285 sollicitaties (hetgeen er overigens 339 te weinig zijn) ook ieder verificatoir bewijs ontbreekt, geen afzonderlijke bespreking meer behoeft.

3.5.

Met betrekking tot het (subsidiaire) verzoek van [appellant] tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling overweegt het hof in de eerste plaats dat een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling volgens vaste jurisprudentie niet mogelijk is, aangezien de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling inmiddels is verstreken (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7459; vgl. in het algemeen ook HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890).

Het hof overweegt ten overvloede dat bovendien het, zelfs als verlenging al mogelijk is en het hof zou oordelen dat [appellant] weliswaar nieuwe schulden heeft doen laten ontstaan, doch deze tekortkoming op grond van het bepaalde in artikel 354 lid 2 Fw. gezien haar geringe aard of betekenis in het onderhavige geval buiten beschouwing zou laten, waardoor het in beginsel mogelijk zou zijn de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen, daarmee nog (steeds) niet duidelijk zou zijn op welke wijze [appellant] van plan isz ijn deze schulden af te lossen. [appellant] heeft immers nagelaten een plan van aanpak te presenteren, waarin concreet is aangegeven hoe deze nieuwe aanzienlijke schuldenlast voor het einde van looptijd van de schuldsaneringsregeling na verlenging door [appellant] zou kunnen worden ingelopen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, L.Th.L.G. Pellis en J.F.M. Pols en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2014.