Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1475

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
HV200.128.010_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw), hof ziet geen aanleiding de schuldsaneringsregeling tussentijds te beeindigen, nu het beschermingsbewind en de maatschappelijke en psychische hulp die appellante op dit moment ontvangt daadwerkelijk het beoogde en gewenste positieve effect heeft gehad.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350, geldigheid: 2014-05-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 13 februari 2014

Zaaknummer: HV 200.128.010/01

Zaaknummer eerste aanleg: R 11/524

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.R.O. van Ooijen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, thans genaamd Oost-Brabant, van 29 mei 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juni 2013, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

2.2.

De (meest recente) mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante], bijgestaan door mr. Van Ooijen;

- I.A. Povel, hierna te noemen: de bewindvoerder;

- C.W. Ouwerling, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 29 maart 2013;

- het proces verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 21 augustus 2013;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d.14 juni 2013, 8 augustus 2013 en 22 januari 2014;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 10 juni 2013, 5 augustus 2013, 16 augustus 2013, 4 september 2013, 21 januari 2014 en 31 januari 2014;

- de ter zitting door [appellante] overgelegde stukken, te weten: een aan [appellante] gerichte email van [Psyche/Buro T3] van Psyche /Buro T3 d.d. 4 februari 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit zowel de processtukken als hetgeen tijdens de mondelinge behandeling door haar is verklaard blijkt dat de beschermingsbewindvoerder van de onderhavige procedure op de hoogte is en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid hij ook in appel gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

Bij vonnis van 19 september 2011 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis (waarvan beroep).

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Gebleken is dat de schuldenares gedurende de schuldsaneringsregeling een gebrekkige invulling aan de informatieverplichting heeft gegeven. De bewindvoerder heeft de schuldenares herhaaldelijk verzocht om benodigde gegevens over te leggen, maar de schuldenares heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven, of althans onvoldoende. Onder andere zijn de inkomensgegevens van de schuldenaar vanaf maart 2012 niet bekend en zijn een groot deel van zijn bankafschriften niet overgelegd. Doordat de schuldenares haar informatieverplichting jegens de bewindvoerder niet nakomt, is de bewindvoerder niet in staat haar taak naar behoren uit te voeren.

Verder is gebleken dat de schuldenaar niet voldaan heeft aan de afdrachtverplichting. Wegens het ontbreken van benodigde informatie is het niet mogelijk de exacte hoogte van de boedelachterstand te berekenen. Naar schatting bedraagt de boedelachterstand om en nabij € 1.600,-. De rechtbank rekent het de schuldenares aan dat zij deze boedelachterstand heeft laten staan, omdat de schuldenares, ondanks dat zij daartoe meerdere malen is verzocht, geen pogingen heeft ondernomen om de boedelachterstand in te lopen, danwel daartoe een regeling met de bewindvoerder heeft getroffen.

Gedurende de schuldsaneringsregeling is het nakomen van de verplichtingen veelvuldig aan de orde geweest.

Op 13 november 2012 een zogenaamd strenge brief naar de schuldenares verstuurd waarin de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting en afdrachtverplichting nogmaals expliciet zijn toegelicht. Desondanks is er geen verbetering in het gedrag van de schuldenares opgetreden. Ook tijdens de terechtzitting op 29 maart 2013 en daarna is de schuldenares niet met een oplossing voor de ontstane problemen gekomen, ondanks het feit dat zij daartoe in de gelegenheid was gesteld.

Gezien de problemen die zijn ontstaan in haar schuldsaneringsregeling en het feit dat de schuldenares zich in het geheel niet heeft ingezet om aan haar verplichtingen te voldoen of daarbij hulp te zoeken, is de rechtbank van oordeel dat voortzetting van de schuldsaneringsregeling niet zinvol is.”

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[appellante] heeft in het beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd dat zij vanwege haar tumultueuze privésituatie heeft verzuimd haar informatie- en afdrachtverplichting na te komen, maar dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. [appellante] erkent dat, nu de

schuldsaneringsregeling haar een laatste kans bood om van haar schulden af te komen, zij haar verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling nimmer had mogen

veronachtzamen, maar zij stelt dit echter niet bewust te hebben gedaan. Voorts stelt [appellante] dat zij thans niets liever wil dan bewijzen dat zij wel degelijk in staat is om de bewindvoerder alle relevante informatie te doen toekomen. Met betrekking tot de boedelachterstand merkt [appellante] op dat zij in de veronderstelling was dat deze achterstand reeds op 26 november 2011 door een betaling van haar zus aan de Belastingdienst ten bedrage van € 1.653,00 was ingelopen. Toen achteraf bleek dat dit niet het geval was, heeft haar zus op 25 mei 2013 een bedrag van € 1.600,00 overgemaakt op de rekening van de bewindvoerder. Tot slot geeft [appellante] aan inmiddels het licht te hebben gezien. [appellante] heeft inmiddels de hulp ingeroepen van haar huisarts, een psycholoog en haar zus, waarbij laatstgenoemde wekelijks met haar de post zal doornemen en [appellante] bovendien op weg zal helpen met het regelen van haar financiën.

3.5.1.

Hieraan heeft [appellante] ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - toegevoegd dat zij met betrekking tot het inlopen van de boedelachterstand geen plan van aanpak heeft kunnen opstellen nu de Belastingdienst niet in staat is gebleken om, ondanks herhaalde verzoeken van de beschermingsbewindvoerder, een definitieve opgave van de hoogte van de huurtoeslag te verstrekken. Voorts heeft [appellante] medegedeeld dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de boete die haar in verband met de verzekeringsplicht van haar scooter door het CJIB opgelegd is opgelegd. Op dit bezwaar is evenwel nog geen beslissing genomen. Daarnaast geeft [appellante] aan dat zij met betrekking tot de schuld inzake de jaarafrekening van het gas en licht inmiddels een regeling met de deurwaarder heeft getroffen van € 25,00 per maand. Met betrekking tot haar psychosociale problematiek heeft [appellante] desgevraagd medegedeeld dat zij inmiddels bij Bureau Psyche een intakegesprek heeft gehad op basis waarvan zij binnenkort zal starten met zogeheten schematherapie.

3.5.2.

De bewindvoerder heeft in haar brief haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gemotiveerd gehandhaafd. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder erkend dat zij, evenmin als de beschermingsbewindvoerder, in staat is om de actuele hoogte van de boedelachterstand te berekenen nu de Belastingdienst nog immer geen definitief uitsluitsel heeft gegeven over de hoogte van de huurtoeslag met betrekking tot de jaren 2012, 2013 en 2014.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellante], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.6.2.

Het hof stelt, nu de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat [appellante] thans haar informatieplicht naar behoren nakomt, vast dat het beschermingsbewind daadwerkelijk het beoogde en gewenste positieve effect heeft gehad. Voorts is het hof van oordeel dat de maatschappelijke en psychische hulp die [appellante] op dit moment ontvangt eveneens het gewenste, positieve effect heeft. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] immers niet alleen bij herhaling blijk gegeven van het besef dat, gelet op haar precaire situatie, maatschappelijke en psychische hulp noodzakelijk is, maar tevens heeft zij bij herhaling verklaard dat, temeer daar de voorheen uiterst zorgwekkende situatie met betrekking tot haar dochter aanzienlijk is verbeterd, zij zich thans psychisch stabieler voelt dan voorheen het geval was.

3.6.3.

Op grond van de inhoud van de processtukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep zowel door en namens [appellante] als door de bewindvoerder naar voren is gebracht acht het hof zich, nu de definitieve hoogte van de huurtoeslag nog niet bekend is, op dit moment onvoldoende voorgelicht om de actuele hoogte van de boedelachterstand te kunnen bepalen. Afhankelijk van de hoogte van deze huurtoeslag bedraagt, zoals de zaken zich thans laten aanzien, de boedelachterstand immers ten minste een bedrag van circa € 500,00 en ten hoogste een bedrag van circa € 3.000,00. Het hof is van oordeel dat het [appellante] niet valt te verwijten dat zij op dit moment niet beschikt over de juiste hoogte van de huurtoeslag nu er zowel door als namens [appellante] voldoende pogingen zijn ondernomen om de definitieve hoogte van de huurtoeslag over de jaren 2012, 2013 en 2014 bij de Belastingdienst te achterhalen. Hetgeen hiervόόr werd overwogen maakt evenwel dat het hof zich op dit moment geen oordeel kan vormen met betrekking tot de vraag, of [appellante] in staat zal zijn de boedelachterstand binnen de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling in te lopen. Met betrekking tot de nieuwe schulden merkt het hof op dat de hoogte van de schuld aan het CJIB, nu [appellante] tegen de boete die aan deze schuld ten grondslag ligt bezwaar heeft gemaakt, nog niet definitief kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de schuld uit hoofde van de jaarafrekening voor het gas en licht, heeft [appellante] inmiddels een betalingsregeling met de deurwaarder getroffen die tot op heden wordt nagekomen.

3.6.4.

Gelet op het feit dat beschermingsbewind het gewenst positieve effect heeft gehad en op dit moment nog steeds heeft, [appellante] op dit moment de informatieplicht naar behoren nakomt, en [appellante] baat heeft bij de door haar ingeschakelde maatschappelijk en psychische hulp, acht het hof op dit moment geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds te beëindigen. Ook voor een verlenging van de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellante] acht het hof op dit moment geen termen aanwezig, reeds omdat thans niet valt te voorzien of een dergelijke verlenging noodzakelijk is om tijdig de boedelachterstand en de nieuwe schulden te kunnen inlopen. Gebleken is immers, dat bijvoorbeeld de hoogte van de boedelachterstand nog niet vaststaat. Mede om die reden ook zou, de kwestie van de mate van verwijtbaarheid daargelaten, het disproportioneel zijn om de

schuldsaneringsregeling van [appellante] op dit moment tussentijds te beëindigen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] voortgezet dient te worden nu er geen grond bestaat voor tussentijdse beëindiging van de schuldsanering.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de voordracht van de rechter-commissaris tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] zal alsnog worden afgewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de voordracht van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van;

[appellante]

[adres]

[postcode] [plaats]

wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, P.J.M. Bongaarts en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2014.