Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1461

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
20-003124-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1876, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank - kort gezegd - inhoudende veroordeling van verdachte ter zake van doodslag (art. 287 Sr), mishandeling, meermalen gepleegd (300 jo 304) en bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285 Sr) tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren. Het hof bevestigt het vonnis, behalve voor wat betreft de motivering van het opzet met betrekking tot de doodslag en de motivering met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van de doodslag.

Het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot het opzet betreffende de doodslag wordt verworpen, evenals het gevoerde verweer aangaande de psychische overmacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 300 en 304
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003124-13

Uitspraak : 23 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 september 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 12-715397-11 en 12-705073-12, tegen

[verdachte],

[geboorteplaats en geboortedatum verdachte],

[woonplaats verdachte],

[verblijfplaats verdachte].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van de feit 1 subsidiair “doodslag” en feit 2 ‘mishandeling begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd” en feit 3 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar.

Voorts is bij dit vonnis de [benadeelde partij A] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding en is de vordering van [Benadeelde partij B] volledig toegewezen, te weten tot een bedrag van € 1.500,=, onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft het hoger beroep bij akte d.d. 17 oktober 2013 ingetrokken.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de [benadeelde partij A] niet-ontvankelijk verklaard. [benadeelde partij A] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Mitsdien is de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing op deze vordering niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft:

  • -

    primair bepleit dat verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken;

  • -

    subsidiair bepleit dat verdachte ter zake van de onder 1. primair en 1 subsidiair ten last gelegde feiten zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu verdachte heeft gehandeld in een toestand van psychische overmacht;

- meer subsidiair bepleit dat aan verdachte een lagere gevangenisstraf wordt opgelegd;

- ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de [Benadeelde partij B] bepleit dat deze niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de motivering van het opzet weergegeven in het vonnis onder het kopje “Opzet en (afwezigheid van) authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg van acute dissociatie”, pagina 7 tot en met 10, alsmede de motivering met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde, weergegeven in het vonnis op pagina 17 onder 5.2.

Voorts behoeft het bewijs voor wat betreft twee in het vonnis vermelde voetnoten verbetering. Tot slot behoeft het vonnis gelet op het in hoger beroep door de verdediging gevoerde strafmaatverweer aanvulling.

Bewijs

Het in het vonnis in voetnoot nummer 4 genoemde paginanummer 390 wordt vervangen door paginanummer 389.

Het hof begrijpt dat de in het vonnis in voetnoot nummer 23 vermelde datum 15 maart 2011 van het opmaken van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], overgenomen uit genoemd proces-verbaal, moet worden gelezen als daadwerkelijk te zijn opgemaakt op 15 maart 2012.

Overweging met betrekking tot het opzet

Vaststaat dat verdachte met een scherp voorwerp 24 maal in het bovenlichaam van [het slachtoffer] heeft gestoken, met steekkanalen met een maximum lengte van circa 16 cm, met onder meer drie doorsteken doorheen het hart, acht doorsteken en twee insteken door/in de longen en vier insteken in de lever als gevolg. Naar het oordeel van het hof laat de wijze waarop verdachte [het slachtoffer] om het leven heeft gebracht, te weten door meermalen met een scherp voorwerp krachtig te steken in de borstkas, de buik en de rug van [het slachtoffer], gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen, in beginsel geen andere conclusie toe dan dat er sprake is geweest van opzet op de dood van [het slachtoffer].

De verdediging heeft in hoger beroep evenwel betoogd dat het opzet van verdachte op de dood van [het slachtoffer] niet bewezen kan worden. De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat zoals is gerapporteerd door [deskundige 1] het zeer aannemelijk is dat verdachte ten tijde van het delict heeft gehandeld in een geestestoestand die kan worden aangeduid als een kortstondige dissociatieve stoornis. Ten gevolge van die stoornis is het – aldus de verdediging – ook zeer aannemelijk dat verdachte zijn handelen op het moment van het plegen van het delict niet meer kon remmen of controleren, anders gezegd, was er hierdoor voor verdachte op dat moment geen rationele afweging meer mogelijk. In die periode zijn de handelingen van verdachte volledig onttrokken geweest aan zijn cognitieve controle. Dit raakt volgens de verdediging in de kern het opzet van verdachte, omdat wil opzet kunnen worden aangenomen er in ieder geval enige mate van ‘cognitieve controle’ aanwezig moet zijn.

De verdediging heeft in dit verband erop gewezen dat verdachte consistent heeft verklaard, dat hij geen herinnering heeft aan wat er zich heeft afgespeeld in de tijdspanne gelegen tussen het moment dat [het slachtoffer] hem met haar ‘[voornaam slachtoffer]-blik’ aankeek en vertelde dat hij zijn kinderen nooit meer zou zien tot het moment dat hij blauwe zwaailichten zag en hij bloed aan zijn handen zag. De verdediging acht deze verklaringen van verdachte over de afwezigheid van zijn herinnering betrouwbaar.

Voorts heeft de verdediging gewezen op hetgeen [deskundige 1] heeft gerapporteerd, te weten dat het geheugenverlies van verdachte mogelijk het gevolg is van een acute dissociatieve reactie, een zogenaamde ‘red-out’ met authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg. De start van dit geheugenverlies wordt volgens [deskundige 1] gekoppeld aan het tijdstip waarop de zogenaamde ‘emotionele arousal’ piekt, bijvoorbeeld bij een hoogoplopende ruzie, waardoor de herinnering niet wordt opgeslagen in het geheugen. Deze amnesie kan enkele seconden tot minuten duren, totdat de persoon weer bij zijn positieven komt. Een voorwaarde voor een red-out is een staat van extreme emotionele arousal die het gevolg is van oplopende spanningen.

De verdediging trekt vervolgens de conclusie, onder verwijzing naar de rapportages van [deskundige 1], datgene wat ter zitting in eerste aanleg door de deskundigen is verklaard en de nadere brief van [deskundige 1], dat een acute dissociatieve stoornis veroorzaakt door een extreme emotionele arousal met als gevolg dissociatieve amnesie, gezien alle oplopende stressvolle omstandigheden voorafgaande aan het feit, te weten de jarenlange substantiële en serieuze relationele problematiek tussen verdachte en [het slachtoffer] en de combinatie van de blik en de opmerking van [het slachtoffer] over de kinderen, dat het zeer realistisch is om aan te nemen dat ten tijde van het plegen van het delict bij verdachte sprake was van een acute dissociatie, veroorzaakt door een extreme emotionele arousal, met authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat (volledige) amnesie van verdachte met betrekking tot het delict in ieder geval niet aan het bewijs van opzet in de weg staat. De advocaat-generaal refereert daarbij aan wat de [deskundigen 2 en 3]van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) daarover hebben verklaard.

De advocaat-generaal heeft voorts erop gewezen dat verdachte wel verklaart er alles aan te willen doen om het ‘zwarte gat’ in te vullen, maar hij er bij herhaling voor kiest om verder geen medewerking te verlenen aan welk onderzoek dan ook. Deze opstelling van verdachte brengt aldus de advocaat-generaal met zich mee dat er onvoldoende informatie is om vast te stellen of verdachte ten tijde van het plegen van de gedragingen die hebben geleid tot het overlijden van [het slachtoffer] leed aan een zodanige stoornis dat moet worden geoordeeld dat verdachte volledig onbewust heeft gehandeld dan wel zijn handelen volledig door die stoornis werd bepaald.

Gelet hierop onderschrijft de advocaat-generaal de conclusie van de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat verdachte ten tijde van het delict in een toestand van acute dissociatie verkeerde met authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg en acht zij bewezen, nu verdachte 24 maal heeft gestoken, dat verdachte [het slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof stelt voorop dat het door verdachte gestelde ontbreken van herinnering aan de periode gelegen tussen het moment dat [het slachtoffer] hem met haar ‘[voornaam slachtoffer]-blik’ aankeek en vertelde dat hij zijn kinderen niet meer zou zien en het moment dat hij blauwe zwaailichten zag en bloed aan zijn handen zag, geenszins uitsluit dat verdachte [het slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht. Anders gezegd, het achteraf ontbreken van herinnering betekent in beginsel niet dat het verdachte op het moment van het plegen van de gedragingen die hebben geleid tot het overlijden van [het slachtoffer] aan ieder inzicht in de draagwijdte van die gedragingen en de gevolgen daarvan heeft ontbroken.

Het hof neemt net als de rechtbank daarbij in ogenschouw de eensluidende conclusie van de ter zitting in eerste aanleg gehoorde [deskundigen 1, 2 en 3] dat het gestelde geheugenverlies achteraf (dissociatief geheugenverlies) niets zegt over het al dan niet beperkt zijn in keuzemogelijkheden en keuzevrijheid van handelen van verdachte ten tijde van het delict.

[deskundigen 2 en 3] enerzijds, en de [deskundige 1] anderzijds, hebben ter verklaring van het beweerde geheugenverlies, gerapporteerd over de vraag of verdachte ten tijde van het delict gehandeld kan hebben in een toestand van acute dissociatie met authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg. De deskundigen hebben op elkaars bevindingen en conclusies gereageerd in nadere rapportages en hebben daarop ter zitting in eerste aanleg een toelichting gegeven.

Het hof stelt evenals de rechtbank vast dat de onderzoeken op basis waarvan de rapportages zijn uitgebracht, niet volledig zijn geweest.

- Voor wat betreft het PBC geldt dat verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan een psychologisch en psychiatrisch onderzoek (even zoals hij eerder een dergelijk onderzoek heeft geweigerd aan de door de rechter-commissaris ingeschakelde psychiater [X] en de GZ psycholoog [Y]). De [deskundigen 2 en 3] rapporteren dat het niet mogelijk is gebleken met verdachte te spreken over zijn psychische toestand in de directe aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde feit en evenmin over de vraag of er in de levensgeschiedenis sprake is van dissociatieve fenomenen die het vóórkomen van dissociatie onder stress (meer) inzichtelijk zou kunnen maken. Zij concluderen dat zij daarom een dergelijke vorm van volledige bewustzijnsdissociatie kunnen aantonen noch uitsluiten. Evenmin kan volgens hen een gesimuleerde (geveinsde) amnesie als mogelijkheid worden verworpen. Zelfs al zou er sprake zijn geweest van een toestand van acute dissociatie, is het – aldus de deskundigen – nog de vraag of deze toestand heeft geleid tot het ten laste gelegde handelen.

Gelet op het feit dat verdachte ook in hoger beroep heeft geweigerd om medewerking te verlenen aan enig psychologisch dan wel psychiatrisch onderzoek, gelden deze conclusies, aldus het hof, thans nog steeds.

- Voor wat betreft [deskundige 1] geldt dat er slechts een beperkt geheugenonderzoek is verricht vanwege het korte tijdsbestek waarbinnen de rapportage moest worden uitgebracht. Niettemin is de [deskundige 1]van mening dat het deelonderzoek volstond om een indruk te krijgen van dissociatieve ervaringen bij verdachte. Een volledig onderzoek zou de conclusie van [haar instituut] waarschijnlijk niet veranderen, aldus [deskundige 1]. Zij concludeert in haar rapport d.d. 28 juni 2013 (p. 10) dat het [haar instituut] – ondanks de inzet van meerdere methoden – niet heeft kunnen vaststellen dat er sprake is van geveinsde amnesie. De omstandigheden van het delict passen wel bij de beschrijving van dissociatieve amnesie zoals in de literatuur omschreven. Dat alles maakt dat zij in deze zaak een authentieke dissociatieve amnesie als gevolg van een acute dissociatie onvoldoende kan uitsluiten. Over de mate waarin een acute dissociatie de keuzevrijheid van verdachte heeft beperkt durft de [deskundige 1] geen uitspraak te doen. Daarvoor is nader onderzoek nodig in het PBC aldus de door [deskundige 1], ter terechtzitting in eerste aanleg, afgelegde verklaring (proces-verbaal d.d. 5 en 6 september 2013, p. 25).

De deskundigen zijn het met elkaar eens dat acute dissociatie met authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg, een fenomeen is dat slechts zelden voorkomt. Zo heeft de [deskundige 1] verklaard dat zij dit in haar werk nog niet eerder heeft vastgesteld. Ter zitting in eerste aanleg heeft zij daar aan toegevoegd dat het moeilijk is te onderzoeken in hoeverre een geclaimd geheugenverlies authentiek is. Desondanks concludeert [deskundige 1] in haar rapport d.d. 16 november 2012 (p. 16) dat op basis van haar bevindingen uit de testresultaten zij meer bouwstenen aanwezig acht voor het scenario van authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg van acute dissociatie dan voor het scenario van geveinsd geheugenverlies.

De [deskundigen 2 en 3] kunnen die conclusie niet onderschrijven. Zij zijn van mening dat voor het trekken van die conclusie meer informatie bekend moet zijn over de persoon van verdachte dan uit de testresultaten van [het instituut van deskundige 1] blijkt.

Het hof is van oordeel dat op basis van de rapportages van de deskundigen en hun ter zitting in eerste aanleg afgelegde verklaringen, niet met zekerheid is vast te stellen of verdachte ten tijde van het delict daadwerkelijk in de toestand van acute dissociatie verkeerde met authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg. Door verdachtes weigering om aan een psychologisch en psychiatrisch onderzoek mee te werken, is er volgens de deskundigen evenmin voldoende informatie om te kunnen vaststellen of verdachte ten tijde van het delict leed aan een zodanig ernstige geestelijke stoornis dat van volledige onbewustheid sprake was of dat het denken, voelen en handelen in het geheel door die stoornis werd bepaald.

Voorts overweegt het hof dat indien al van de aanwezigheid van een stoornis, te weten een acute dissociatie, bij verdachte moet worden uitgegaan, dat ook de [deskundige 1], op wiens conclusies de verdediging zich beroept, heeft verklaard dat zij over de mate waarin een acute dissociatie de keuzevrijheid van verdachte heeft beperkt geen uitspraak kan/durft te doen. Daarvoor is nader onderzoek nodig.

Verder stelt het hof ten aanzien van het gedrag van verdachte direct na het plegen van het delict het volgende vast:

[Getuige 2] is kort nadat zij van [het slachtoffer] de doodskreet: “Nee, nee!” hoorde, in de richting van het gegil gerend, waarna zij – op het moment dat zij er bijna was – verdachte de bocht om heeft zien komen. [Getuige 2] heeft dienaangaande verklaard dat op het moment dat verdachte haar zag, hij opeens wegdook door zijn lichaam naar een zijkant te bewegen. Hij dook voor [getuige 2] gezien links de bossen in. Vervolgens heeft verdachte – na door [getuige 2] tot kalmte te zijn gemaand – tegen haar geschreeuwd: “Ik word er gek van!” of “ik werd er gek van”.1VEen korte tijd later heeft verdachte zich bij het politiebureau in Heinkenszand gemeld, alwaar hij via de intercom contact heeft gehad met de politie. Dit gesprek is op band opgenomen en vangt na begroeting door de centralist aan met de woorden van verdachte: “Ik heb iets verschr.., ik weet het niet meer ik ik heb volgens mij wat ergs gedaan, ik weet het niet meer ik had ruzie ik sta bij Heinkenszand alsjeblieft.” Verdachte huilt en zegt verderop in het gesprek: “Ik had ruzie met m’n ex…werd donker weer …. m’n hoofd en ze zat me weer te treiteren en … m’n kinderen worden geestelijk mishandeld … die ... van jeugdzorg doet geen klote.”.2 Het is dan 18:23 uur3.

Uit de hiervoor uit de verklaring van [getuige 2] blijkende gedragingen van verdachte,waargenomen door [getuige 2] kort na het door verdachte toebrengen van de steken in het lichaam van [het slachtoffer], te weten dat verdachte – na het door hem opmerken van [getuige 2] – is weggedoken door zijn lichaam naar een zijkant te bewegen, links de bossen in en haar heeft toegeschreeuwd “ik werd/word er gek van”, leidt het hof af dat verdachte zich op dat moment wel degelijk bewust was van hetgeen hij kort daarvoor had gedaan en hij op dat moment ook controle had op zijn gedrag.

Die bewustheid vindt ook bevestiging in zijn latere gedragingen en uitlatingen, nu verdachte zich korte tijd later bij het politiebureau in Heinkenszand meldt en via de intercom verklaart “Ik heb iets verschr.. (…) ik heb volgens mij wat ergs gedaan (…) ze zat me weer te treiteren (…)”. De omstandigheid dat verdachte in dit gesprek ook tweemaal verklaart: “ik weet het niet meer” doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af.

Het hof acht gelet op al het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [het slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld in een situatie van psychische overmacht.

Dienaangaande heeft de verdediging in de eerste plaats verwezen naar hetgeen is aangevoerd in het kader van het gevoerde opzetverweer.

Voorts heeft de verdediging verwezen naar de opmaat tot 29 juli 2011 als gevolg waarvan de druk was toegenomen; de jarenlange schermutselingen met [het slachtoffer] over de omgangsregeling, het vertrek naar Egypte (tot tweemaal toe) en naar Spanje, de juridische procedures die waren gestart over de woning, het veranderen van de sloten, de brieven die hij schreef, het telefoongesprek dat hij op 27 juli 2011 voerde met [het slachtoffer] en zijn gemoedstoestand van 29 juli 2011, zoals omschreven door zijn oude vriendin (“verdrietig, niet vrolijk, tranen in zijn ogen”). Aldus de verdediging lijkt het aannemelijk dat verdachte in het park, na de opmerking dat hij zijn kinderen nooit meer zou zien, een authentieke emotionele arousal heeft gehad. De toegenomen druk heeft de wilsvrijheid kunnen aantasten. Het betrof een plotselinge, ongewone psychische toestand. Er was sprake een acute en extreme vorm van een stresssituatie met als gevolg een dissociatieve reactie. De rechtbank heeft aldus de verdediging ten onrechte geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een situatie waarin verdachte geen controle meer had over zijn handelen en daarmede ten onrechte psychische overmacht niet aannemelijk geacht.

Het hof overweegt dienaangaande, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot het opzet is overwogen, dat niet met zekerheid is vast te stellen of verdachte ten tijde van het delict daadwerkelijk in een toestand van acute dissociatie verkeerde met authentiek dissociatief geheugenverlies als gevolg. Met betrekking tot hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd aangaande het ontbreken van controle over verdachtes handelen, overweegt het hof, eveneens onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande ten aanzien van het opzet is overwogen, dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde doodslag controle had over zijn handelen en daarmee wilsvrijheid over zijn handelen had.

Voor zover de verdediging met het beroep op psychische overmacht heeft betoogd dat de bewezenverklaarde doodslag is gepleegd in een situatie van acute en extreme vorm van stress waartegen weerstand redelijkerwijs niet kon worden gevergd, overweegt het hof het volgende.

Het dossier geeft blijk van het feit dat verdachte gebukt is gegaan onder de jarenlange schermutselingen met [het slachtoffer] over de omgangsregeling en de tussen hen spelende juridische procedures. Naar het oordeel van het hof is evenwel niet aannemelijk geworden dat op het moment van het begaan van het feit bij verdachte sprake was van een zodanige toestand van acute en extreme stress, mede veroorzaakt door de door [het slachtoffer] gemaakte opmerking aangaande de kinderen en de door [het slachtoffer] kort daarvoor aan verdachte gerichte ‘[voornaam slachtoffer]-blik’, dat verdachte redelijkerwijs niet anders kon of behoorde te handelen dan hij heeft gedaan.

Het hof neemt hierbij in overweging dat verdachte bij de politie en ter terechtzitting bij het hof heeft verklaard dat hij tijde van het gesprek met [het slachtoffer] in het park niet boos was maar wel geïrriteerd. Voorts betrekt het hof hierbij dat van verdachte, gelet op het feit dat hij met betrekking tot de opmerking van [het slachtoffer] over de kinderen tegenover de politie heeft verklaard dat hij wel eens heeft gezegd dat [het slachtoffer] de kinderen als ‘wapen gebruikte’ en ‘zij wist waar ze hem kon treffen’, alsmede gelet op het feit dat [het slachtoffer] aldus verdachtes verklaring in hoger beroep reeds meerdere malen tijdens eerdere confrontaties hem de ‘[voornaam slachtoffer]-blik’ had gegeven, redelijkerwijs mocht worden verwacht dat hij ook in onderhavig gesprek, net als tijdens eerdere gesprekken, koos voor een beëindiging ervan zonder het gebruik van geweld.

Gelet op het voorgaande wordt het beroep op psychische overmacht verworpen.

Het hof zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Aanvullende overweging met betrekking tot de straf

De verdediging heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht voor doodslag bepaalde maximale gevangenisstraf van 15 jaar heeft opgelegd en bij het bepalen van deze straf door de rechtbank in het geheel geen rekening is gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder het feit dat in onderhavige zaak sprake is van twee kampen, te weten die van verdachte en van het overleden slachtoffer.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van evidente rechtsongelijkheid nu – aldus de verdediging – blijkens recent gepubliceerde jurisprudentie betrekking hebbende op doodslag waarbij de slachtoffers om het leven zijn gekomen door messteken een gemiddelde straf van 10 jaar gevangenisstraf wordt opgelegd. Indien uitsluitend wordt gekeken naar de uitspraken van dit gerechtshof komt dit gemiddelde uit op een gevangenisstraf van 10,5 jaar aldus de verdediging.

Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat verdachte tijdens zijn detentie geen rapport heeft gehad, laat staan een ordemaatregel of disciplinaire straf.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In onderhavige strafzaak is, zoals overwogen door de rechtbank in het vonnis, bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard alsmede op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte. In het bijzonder is daarbij, zoals overwogen door de rechtbank, ook in onderhavige strafzaak voor wat betreft de ernst van het bewezenverklaarde gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De omstandigheid dat in onderhavige strafzaak sprake is van twee kampen zoals aangevoerd door de verdediging, doet naar het oordeel van het hof niets af aan hetgeen de rechtbank in het vonnis met betrekking tot de motivering van deze straf, in het bijzonder de ernst van het bewezenverklaarde, heeft overwogen.

De omstandigheid dat verdachte zich thans kennelijk tijdens zijn detentie naar behoren gedraagt, acht het hof in dit geval niet relevant voor de strafmaat.

Naar het oordeel van het hof doet de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar recht aan het intens diepe en onherstelbare leed dat verdachte aan de nabestaanden, en met name aan de kinderen van het slachtoffer waarvan de 3 jongsten tevens kinderen zijn van verdachte, heeft toegebracht, aan de gruwelijke wijze waarop hij het slachtoffer op klaarlichte dag in een voor eenieder toegankelijk park om het leven heeft gebracht alsmede aan het aantal en de aard van de bewezenverklaarde mishandelingen en bedreigingen. Daarbij kan, zoals ook door de rechtbank is overwogen, het bewezenverklaarde volledig aan verdachte worden toegerekend.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 23 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J. van der Kaaden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal relaas verhoor [getuige 2], pagina 97 en 98.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 367, 369 en 370.

3 Het proces-verbaal relaas van onderzoek, pagina 13.