Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1427

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
HD 200.140.068_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding: stoelendansmethode leidinggevende functie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0216
AR 2014/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.140.068/01

arrest van 20 mei 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. P.L. Nijmeijer te Roosendaal,

tegen

Stichting Elisabeth,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.C.M. de Boer te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 januari 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Breda, in kort geding gewezen vonnis van 9 december 2013 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - Elisabeth - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2494017 VV 13-114)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met zes grieven;

- de memorie van antwoord met vijf producties (genummerd 17 tot en met 21);

- het op 23 april 2014 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd, maar de pleitnotities van de zijde van [appellante] (met instemming van haar advocaat) zijn doorgehaald omdat niet volgens die notities is gepleit, maar volgens de door de griffier gemaakte aantekeningen.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[appellante] is op 1 februari 2004 bij Elisabeth in dienst getreden als coördinator (afwisselend op de verzorgingsafdeling en de afdeling revalidatie). Van 1 juli 2007 tot 1 september 2011 is zij unitleider van de afdeling revalidatie geweest. Vanaf 1 september 2011 is zij teamleider revalidatie geweest en vanaf begin 2011 teamleider van zowel de afdeling revalidatie als de afdeling behandeling.

4.1.2.

Begin 2013 heeft Elisabeth een meerjarenbeleidsplan voor de periode 2013-2016 opgesteld, genaamd Plan Koers 13-16. Onderdeel van Plan Koers 13-16 is een aanpassing van de managementstructuur. Vanaf 1 september 2013 bestaat de managementstructuur van Elisabeth uit drie lagen: de raad van bestuur, het tactisch management en het operationeel management. Het operationeel management wordt gevormd door teammanagers. Voor het invullen van het operationeel management heeft Elisabeth een plaatsingsprocedure in het leven geroepen, ten aanzien waarvan de ondernemingsraad op 25 juni 2013 positief heeft geadviseerd. Het aantal leidinggevenden was in de oude structuur groter dan in de nieuwe structuur. Op 2 april 2013 is Elisabeth met haar ondernemingsraad een sociaal plan overeengekomen om de mogelijk nadelige rechtspositionele gevolgen van Plan Koers 13-16 zoveel mogelijk op te vangen. Artikel 4.2.1. van het sociaal plan luidt als volgt:

“Voor de plaatsing zijn bepalend de competenties van de functie afgezet tegen de competenties van de betrokken werknemers.

Als de werknemer zich binnen één half jaar kan kwalificeren voor een functie is de functie passend.

Bij gelijke geschiktheid van twee of meer werknemers zal de werknemer met de meeste diensttijd worden geplaatst in de beschikbare functie.”

4.1.3.

Op 22 april 2013 is tijdens een teamleidersoverleg Plan Koers 13-16 besproken. Op 25 april 2013 heeft de raad van bestuur tijdens een bijeenkomst een toelichting gegeven op Plan Koers 13-16. Beide bijeenkomsten zijn door [appellante] bijgewoond. Elisabeth heeft het Plan Koers 13-16 op haar intranet geplaatst.

4.1.4.

Bij brief van 21 juni 2013 heeft Elisabeth aan [appellante] medegedeeld dat zij in aanmerking kon komen voor deelname aan de plaatsingsprocedure. Tijdens een belangstellingsgesprek op 16 juli 2013 heeft [appellante] aan Elisabeth te kennen gegeven interesse te hebben voor de functie teammanager op de afdeling behandeling en revalidatie, ook genoemd teammanager geriatrische revalidatiezorg (hierna: teammanager GRZ). Tijdens dat gesprek is een formulier ingevuld en door [appellante] ondertekend waarin dat is vastgelegd. Daarna heeft een IQ-test plaatsgevonden.

4.1.5.

Tijdens een bijeenkomst van het tactisch management zijn de kandidaten voor de verschillende functies van teammanager besproken. De plaatsingscommissie voor de functie van teammanager GRZ bestond uit de tactisch manager behandeling, de tactisch manager wonen, welzijn en zorg wijken, de tactisch manager wonen, welzijn en zorg centrum en een HR manager.

4.1.6.

Op 20 augustus 2013 heeft Elisabeth mondeling en schriftelijk aan [appellante] medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor de functie van teammanager GRZ. Op 22 augustus 2013 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft Elisabeth de functie contactverzorgende IG aangeboden en een nadere toelichting gegeven op het besluit om haar af te wijzen voor de functie van teammanager GRZ. Nadien heeft [appellante] de functie contactverzorgende onder protest aanvaard. Eind februari 2014 heeft zij dat werk gestaakt wegens ziekte.

4.2.

Bij inleidende dagvaarding heeft [appellante] bij wege van voorlopige voorziening gevorderd Elisabeth te veroordelen haar tewerk te stellen in de functie van teammanager, althans een nieuw besluit daarover te nemen nadat een objectieve en onafhankelijke test op competenties is uitgevoerd, alles op straffe van verbeurte van dwangsommen. Daartoe heeft [appellante], samengevat, aangevoerd dat zij niet op voorhand ermee bekend was dat aan zeven concrete competenties zou worden getoetst en dat Elisabeth een test had moeten laten uitvoeren door een onafhankelijk bureau. Ook heeft zij aangevoerd dat Elisabeth ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij, [appellante], niet voldoet aan de competenties “analyseren, communiceren en beleid”. Het besluit om haar niet te plaatsen in de functie van teammanager GRZ is het resultaat van willekeur, aldus [appellante]. De kantonrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd en de vorderingen afgewezen. [appellante] is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van hetgeen zij in eerste aanleg heeft gevorderd, met veroordeling van Elisabeth in de proceskosten van beide instanties. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft zij medegedeeld dat haar vordering aldus moet worden verstaan, dat met tewerkstelling in de functie van teammanager wordt bedoeld teammanager GRZ.

4.3.

Een kort geding leent zich niet voor een uitvoerig feitenonderzoek, zodat het hof zal beoordelen of het aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de vorderingen van [appellante] toegewezen dienen te worden. Gelet op de aard van de vordering heeft [appellante] ook in hoger beroep een spoedeisend belang, hetgeen overigens door Elisabeth niet is bestreden.

4.4.

Grief I is gericht tegen de volgende rechtsoverweging: “Van een sollicitant naar een functie als teammanager mag worden verwacht dat zij, alvorens te solliciteren of haar belangstelling voor die functie kenbaar te maken, kennis neemt van de functieomschrijving. Met andere woorden: het kan [appellante] niet baten dat zij niet op de hoogte zou zijn geweest van de harde en zachte functie-eisen/competenties.”. In haar toelichting op deze grief heeft [appellante] gewezen op de ontvangsttheorie ex artikel 3:37 BW en de hoofdregel van het bewijsrecht ex artikel 150 Rv. Volgens [appellante] gaat het niet om de vraag of [appellante] bekend had kunnen zijn met het functieprofiel. Volgens [appellante] was het aan Elisabeth om ervoor zorg te dragen dat zij volledig was geïnformeerd en dat het aan Elisabeth is om dat aan te tonen, omdat Elisabeth heeft besloten tot een reorganisatie waardoor haar arbeidsplaats kwam te vervallen. Verder heeft [appellante] aangevoerd dat zij er niet mee bekend was dat aan zeven concrete competenties zou worden getoetst en dat bij [appellante] niet meer bekend was dan dat, in het kader van het derde criterium, enkel getoetst zou worden aan artikel 4.2.1. van het sociaal plan.

4.5.

De grief faalt. Zoals hiervoor is overwogen, leent een kort geding zich niet voor een uitvoerig onderzoek naar de feiten. Het hof acht voorshands onaannemelijk dat [appellante] niet bekend was met de functiebeschrijving, nu deze volgens Elisabeth als bijlage bij de brief van 21 juni 2013 was gevoegd. Uit de stellingen van [appellante] blijkt dat zij wel bijlage 1 en bijlage 2 bij de brief van 21 juni 2013 heeft ontvangen. Gelet daarop acht het hof het onaannemelijk dat zij niet bijlage 4 heeft ontvangen en bovendien wordt in bijlage 1, waarvan vast staat dat [appellante] deze heeft ontvangen, verwezen naar een als bijlage 4 toegestuurd functieprofiel. Zo bijlage 4 heeft ontbroken, had [appellante] dat dus uit bijlage 1 kunnen afleiden. Voorts is het hof met de kantonrechter voorlopig van oordeel dat, ook als deze bijlage 4 niet was bijgevoegd, van [appellante] verlangd mocht worden dat zij daarnaar had geïnformeerd. Het hof acht daartoe met de kantonrechter de aard en het niveau van de in dit geval te verrichten functie van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt dat [appellante] ervan doordrongen moet zijn geweest dat het bepaald geen vanzelfsprekendheid was dat zij voor de functie in aanmerking zou komen, zodat het extra belangrijk was om tevoren volledig geïnformeerd te zijn omtrent de functie-eisen. Dat volgde immers uit het feit dat er meer kandidaten waren dan leidinggevende functies en de verwijzing in artikel 4.2.1. van het sociaal plan naar de functie-eisen/competenties. Vaststaat dat zowel op 22 april 2013 als op 25 april 2013 overleg heeft plaatsgevonden over Plan Koers 13-16, waarbij [appellante] aanwezig is geweest en dat genoemd plan door Elisabeth op haar intranet is geplaatst. Voorts acht het hof in dit verband van belang dat [appellante] heeft gesteld dat haar toenmalige leidinggevende reeds ruimschoots voorafgaand aan de plaatsingsprocedure te kennen heeft gegeven dat [appellante] niet in aanmerking zou komen voor de betreffende functie (hetgeen Elisabeth heeft betwist). Dat betekent dat voor [appellante] des te meer aanleiding bestond om zich ervan te vergewissen wat de functie-eisen waren.

4.6.

Het hof kan voorshands evenmin de stelling volgen van [appellante] dat enkel getoetst zou worden aan artikel 4.2.1. van het sociaal plan. Die bepaling (geciteerd onder rov. 4.1.2) is immers nietszeggend zonder te weten wat de functie-eisen zijn. De veronderstelling dat aan die bepaling zou worden getoetst, kan het hof derhalve niet volgen. Uit die bepaling volgt duidelijk dat het erom gaat of de kandidaat voldoet aan de functie-eisen die werden gesteld aan de diverse vacante functies.

4.7.

Grief II is gericht tegen de overweging: “Naar het oordeel van de kantonrechter was de plaatsingscommissie voldoende representatief samengesteld, ook met medewerkers die geen dagelijks contact hadden met [appellante].”. Volgens [appellante] heeft de beoordeling plaatsgevonden door drie tactisch managers, die kort daarna dagelijks met haar zouden moeten gaan samenwerken, en een HR-manager. Volgens [appellante] is daarom van een objectieve beoordeling geen sprake geweest.

4.8.

Het hof kan ook dit argument van [appellante] niet volgen. Het enkele feit dat [appellante] werd beoordeeld door toekomstige leidinggevende(n), leidt niet zonder meer tot de slotsom dat deze personen niet op objectieve wijze hebben beoordeeld of [appellante] over de benodigde competenties beschikt. Voorts acht het hof voldoende aannemelijk dat de gang van zaken is geweest zoals ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep door Elisabeth uiteengezet: voor iedere functie van teammanager is een plaatsingscommissie benoemd, bestaande uit tactisch managers en een HR manager. Iedere plaatsingscommissie heeft de kandidaten beoordeeld voor de functie waarvoor de desbetreffende plaatsingscommissie was aangesteld. Vervolgens heeft iedere plaatsingscommissie het resultaat van die bevindingen medegedeeld aan de andere plaatsingscommissies, die ieder voor zich die bevindingen hebben bekeken en zich daar ieder zelf een oordeel over hebben gevormd. Daarna zijn de resultaten plenair door de plaatsingscommissies besproken. Op een andere dag zijn die resultaten door de HR managers met de raad van bestuur besproken en toegelicht. Naar het voorlopig oordeel van het hof is deze gang van zaken in dit geval voldoende zorgvuldig geweest (zie ook hierna rov. 4.12).

4.9.

Met grief III komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat erop neerkomt dat een beslissing als de onderhavige niet noodzakelijkerwijs door of op advies van een onafhankelijke deskundige genomen hoeft te worden, wanneer sprake is van jarenlange omgang met de sollicitant. In haar toelichting op deze grief heeft [appellante] drie redenen aangevoerd waarom het oordeel van de kantonrechter volgens haar onjuist is.

4.10.

Met haar eerste reden in de toelichting op deze grief gaat [appellante] in op de personen die het bestuur vormen van Elisabeth en licht zij toe waarom deze personen zich niet met de selectieprocedure hebben bemoeid. Het hof is van oordeel dat niet relevant is of de personen die de raad van bestuur vormen, uit eigen wetenschap op de hoogte waren van de kennis en vaardigheden van [appellante] en of zij hebben deelgenomen aan de selectieprocedure. De raad van bestuur heeft zich laten adviseren door personen in de organisatie die op de hoogte zijn van de wijze waarop [appellante] eerdere functies heeft uitgevoerd. Indien de redenering Van [appellante] wordt gevolgd, dan zou dat erop neerkomen dat een raad van bestuur geen of amper beslissingen kan nemen.

4.11.

Met haar tweede reden in de toelichting op deze grief heeft [appellante] gesteld dat zij meerdere functies heeft uitgevoerd, maar dat in die functies niet of nauwelijks de competenties werden verlangd die voor de functie van teammanager wel nodig waren. Om die reden kon uit het functioneren in het verleden niet of onvoldoende de geschiktheid voor de functie van teammanager worden afgeleid, aldus [appellante]. Elisabeth heeft [appellante] op de competenties analyseren, communiceren en beleid te licht bevonden. Met haar derde reden heeft [appellante] aangevoerd, dat het nemen van een beslissing over de selectie op basis van het functioneren in het verleden, ertoe leidt dat de beslissing een subjectieve beoordeling betreft. Deze redenen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.12.

Als onweersproken staat vast dat in alle opzichten hogere eisen worden gesteld aan de functie van teammanager dan aan de functie van teamleider. Het hof ziet voorshands niet in waarom Elisabeth niet op basis van haar jarenlange ervaring met het functioneren van [appellante], een inschatting mag maken van haar capaciteiten in relatie tot de functie-eisen. Het enkele feit dat Elisabeth zelf deze beoordeling heeft gemaakt en dat dit niet is gebeurd door een onafhankelijk bureau, betekent niet per definitie dat het gaat om een louter subjectieve mening, nu bij de beoordeling meerdere managers betrokken zijn geweest (zie rov. 4.8.). In ieder geval is het hof voorlopig van oordeel dat de wijze waarop die beoordeling in dit geval is geschied niet in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap, waarbij een rol speelt dat het niet gaat om een degradatie, maar om een promotie. In zo’n situatie gaat de stelling van [appellante] dat de vraag of zij aan de functie-eisen voldoet uitsluitend door een onafhankelijk bureau dient te worden getest, niet op. Elisabeth heeft tijdens het gesprek met [appellante] op 22 augustus 2013 gemotiveerd aangegeven waarom zij van mening is dat [appellante] niet beschikt over de drie hiervoor genoemde functie-eisen en zij heeft daarvan voorbeelden gegeven. In dit verband is van belang dat de drie (van de tien) functie-eisen waarop [appellante] negatief is beoordeeld, te weten analyseren, communiceren en beleid, gelet op hetgeen daarover is opgenomen in het functieprofiel, nauw met elkaar samenhangen en van wezenlijk belang zijn, gelet op het Plan Koers 13-16 om de organisatie naar een hoger niveau te tillen. Tussen partijen staat vast dat de schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid van [appellante] onvoldoende is. Weliswaar heeft [appellante] ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat zij op het punt van communicatie is gecoacht en dat het uitsluitend ging om het probleem dat zij soms de neiging heeft harder te gaan praten en daarbij naar voren te leunen, maar volgens het gespreksverslag van 22 augustus 2013 ging het er ook om dat [appellante] plat praat en dat haar schriftelijke taalgebruik niet op het gewenste niveau is, hetgeen [appellante] niet of onvoldoende heeft betwist. [appellante] stelt dat Elisabeth niet kan beoordelen of zij beleidsstukken kan opstellen omdat zij dat niet eerder heeft gedaan, maar gelet op het probleem met betrekking tot de schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid, kon Elisabeth tot de conclusie komen dat dan het opstellen van beleidsstukken ook problematisch zal worden. Afgezien daarvan is het hof voorshands van oordeel dat Elisabeth, gelet op het functioneren van [appellante] in leidinggevende functies, kon inschatten dat zij op de onderdelen analyseren, communiceren en beleid tekort zal schieten. Juist omdat [appellante] eerder leidinggevende functies heeft uitgevoerd, kon en mocht Elisabeth, naar het voorlopig oordeel van het hof, zelf een beoordeling maken van de vraag of [appellante] in staat is tot het uitoefenen van de onderhavige functie, waarvoor veel meer leidinggevende capaciteiten nodig zijn.

4.13.

Evenmin kan [appellante] worden gevolgd in haar tijdens het pleidooi in hoger beroep weergegeven standpunt dat Elisabeth geen normen heeft gesteld waaraan de beoordeling dient te voldoen. Naar het voorlopig oordeel van het hof is dat wel gebeurd in die zin dat in het functieprofiel is omschreven waaraan dient te worden voldaan.

4.14.

Zoals hiervoor al is overwogen, staat als onweersproken vast dat in alle opzichten hogere eisen worden gesteld aan de functie van teammanager dan aan de functie van teamleider. Dat brengt naar het voorlopig oordeel van het hof mee, dat van Elisabeth niet hoeft te worden verlangd dat zij [appellante] laat ‘uitproberen’, zoals [appellante] in feite heeft betoogd met haar verwijzing naar artikel 4.2.1. van het sociaal plan. Uit het voorgaande volgt immers dat Elisabeth op essentiële functie-eisen geen twijfel heeft, maar er zeker van is dat [appellante] niet aan de functie-eisen voldoet, en dat dit naar het voorlopig oordeel van het hof niet een zodanig subjectief oordeel is dat het in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap om [appellante] de functie van teammanager GRZ te onthouden.

4.15.

Grief IV luidt aldus: “Ten onrechte heeft de kantonrechter in r.o. 3.6 overwogen: “Diezelfde jarenlange omgang stelde De Stichting ook in staat een inschatting te maken of [appellante] in staat zou zijn binnen een half jaar aan de gestelde functie-eisen/competenties te voldoen”. Volgens de toelichting op deze grief was Elisabeth op grond van het sociaal plan verplicht om haar als proef te plaatsen, althans kan de beslissing niet worden gebaseerd op een subjectieve inschatting van Elisabeth, maar diende dat op basis van objectieve criteria te gebeuren.

4.16.

Ook deze grief faalt. In het midden kan blijven of de vraag of artikel 4.2.1. van het sociaal plan uitsluitend ziet op een functie die wordt aangeboden nadat de eigen functie vervalt (zoals Elisabeth heeft betoogd) en niet op een functie waarnaar wordt gesolliciteerd, zoals hier aan de orde is. Immers, de passage in artikel 4.2.1. van het sociaal plan waar [appellante] op doelt, dient te worden gelezen in het kader van hetgeen daaraan vooraf gaat. De eerste volzin van deze bepaling komt erop neer dat de competenties van de betrokken werknemer toereikend moeten zijn om aan de functie-eisen te voldoen. Elisabeth is van mening dat de competenties van [appellante] niet toereikend zijn. Het hof is voorshands van oordeel dat in zo’n situatie niet kan worden toegekomen aan een proefplaatsing van een half jaar. Het hof verwijst naar hetgeen in rechtsoverweging 4.14 is overwogen. Een dergelijke proefplaatsing is slechts zinvol, en kan pas worden gevergd, wanneer de verwachting bestaat dat de competenties in potentie aanwezig zijn om aan de functie-eisen te voldoen. Elisabeth acht die competenties echter niet in potentie aanwezig en zij heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom zij die mening is toegedaan. [appellante] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. In ieder geval acht het hof onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vorderingen van [appellante] zal toewijzen.

4.17.

Grief V betreft deels een herhaling van, en deels een verwijzing naar de overige hiervoor al besproken grieven. Voorts heeft [appellante] in haar toelichting op deze grief nog aangevoerd dat voor haar niet tevoren kenbaar is geweest:

-dat er een interne werkprocedure zou zijn opgesteld op basis waarvan de beoordeling van de kandidaten heeft plaatsgevonden;

-dat er per beschikbare functie een aparte plaatsingscommissie zou zijn ingesteld met daarin (een) tactisch manager(s) en een HR manager of adviseur;

-dat er een scoringsoverzicht zou zijn samengesteld met daarin de verschillende competenties waarop getoetst werd,

-dat er door de plaatsingscommissie een onderbouwd advies zou zijn opgesteld, dat zou zijn voorgelegd aan andere plaatsingscommissies en uiteindelijk aan de raad van bestuur.

4.18.

Het hof acht het niet aannemelijk dat [appellante] niet van deze gang van zaken - althans in grote lijnen - tevoren op de hoogte is geweest. [appellante] heeft immers niet aangegeven op welke manier dan wel in haar beleving de selectie zou plaatsvinden. Voorts is het hof van oordeel dat, ook als [appellante] niet daarvan op de hoogte is geweest, dit niet afdoet aan het gegeven dat de ondernemingsraad positief heeft geadviseerd over de plaatsingsprocedure. Dat is voor het hof mede een argument om voorshands geen reden te zien om deze procedure onjuist of in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap te achten. De door [appellante] aangedragen argumenten waarom die procedure niet juist is, zijn hiervoor reeds verworpen. [appellante] heeft in haar toelichting op de grief en tijdens het pleidooi nog de suggestie opgeworpen dat Elisabeth niet op deze manier tewerk is gegaan en dat het bij memorie van antwoord als productie 20 overgelegde scoringsoverzicht achteraf is opgesteld. Zoals hiervoor is overwogen leent een kort geding zich niet voor een uitvoerig feitenonderzoek. Verder heeft [appellante] er ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep over geklaagd dat Elisabeth niet het door de plaatsingscommissies aan de raad van bestuur gegeven advies in het geding heeft gebracht. Elisabeth heeft tijdens het pleidooi toegelicht dat het advies mondeling door haar HR managers aan de raad van bestuur is overgebracht. Er is dus geen schriftelijk advies voorhanden. Naar het voorlopig oordeel van het hof leidt het ontbreken van een schriftelijk advies in dit geval niet tot het oordeel dat de plaatsingsprocedure onzorgvuldig is verlopen.

4.19.

Grief VI is gericht tegen de proceskostenveroordeling. Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen. Het hof ziet geen aanleiding om over de proceskosten anders te oordelen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellante] veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Elisabeth worden begroot op € 704,- aan verschotten en op € 2.682 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, M. van Ham en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 mei 2014.