Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1426

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
HD 200.136.333_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/143
JA 2014/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.136.333/01

arrest van 20 mei 2014

in de zaak van

1 Paarden- en Ponysportvereniging [Paarden- en Ponysportvereniging],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats], België,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. ten Cate te Nijmegen,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda, later genaamd rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnissen van 7 maart 2012 en 10 juli 2013 tussen onder meer appellanten – [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] – gedaagden en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/237179/HA ZA 11-1122)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het tussenvonnis van 12 oktober 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep ;

- de memorie van grieven met één productie;

- de memorie van antwoord met drie producties;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

[geïntimeerde] woont in België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval nu [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] gevestigd zijn respectievelijk woonplaats hebben in Nederland. Gelet op die vestigings-/woonplaats was de rechtbank Zeeland-West-Brabant (voorheen: rechtbank Breda) bevoegd van het geschil kennis te nemen, en in hoger beroep is dit hof bevoegd.

Partijen noch de rechter in eerste aanleg hebben zich uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in casu is toegestaan.

4.1.1.

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis van 7 maart 2012 onder 3.1.1 tot en met 3.1.11 vastgesteld van welke feiten zij is uitgegaan. Deze feiten vormen, voor zover in hoger beroep niet betwist, ook voor het hof het uitgangspunt. Daarnaast acht het hof nog andere feiten van belang.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.2.

Op 16 en 17 oktober 2010 heeft [Paarden- en Ponysportvereniging] een zogeheten eventingwedstrijd (hierna: “de wedstrijd”) georganiseerd onder auspiciën van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (hierna: “de KNHS”).

Een “eventingwedstrijd” bestaat uit een dressuurproef, een springparcours en een terrein- proef. Zo 'n terreinproef wordt ook wel “cross country” genoemd. De proef wordt afgelegd in een natuurlijke omgeving zoals bossen en weilanden. Tijdens een vooraf bepaalde route dienen door ruiter en paard verschillende soorten hindernissen te worden genomen zoals wallen, waterbak passages, greppels, constructies met boomstammen en dergelijke objecten; ook wordt er wel gebruik gemaakt van zogeheten mobiele hindernissen. Het cross country parcours was ontworpen en gebouwd door [appellant 2], een ervaren parcoursbouwer en in het bezit van een KNHS-licentie. Voor aanvang van de wedstrijd was het parcours geïnspecteerd en goedgekeurd door een door de KNHS aangewezen technisch afgevaardigde.

4.1.3.

[geïntimeerde] heeft zich – per internet - via het “Vraag programma SGW-Eventing” van de KNHS voor de wedstrijd aangemeld. [geïntimeerde] heeft het verschuldigde inschrijfgeld betaald. Vervolgens heeft hij op 17 oktober 2010 deelgenomen met zijn negenjarige ruin, “Romeo de l Éaugrennée” genaamd (hierna: “het paard”). Nadat [geïntimeerde] de onderdelen dressuur en springen zonder problemen had doorlopen is hij begonnen met het derde onderdeel van de wedstrijd, de cross country. Aangekomen bij de laatste, de 21ste hindernis van dit onderdeel (hierna: “de hindernis”) heeft het paard niet goed afgezet, waardoor het niet hoog genoeg van de grond kwam en het in aanraking kwam met de hindernis. Als gevolg hiervan zijn [geïntimeerde] en paard ten val gekomen, waardoor het paard zo ernstig gewond is geraakt (kort gezegd brak het zijn rug) dat het ter plaatse door de dierenarts geëuthaniseerd is moeten worden. [geïntimeerde] liep bij het ongeval verwondingen aan zijn ribben op.

4.1.4.

De hindernis kan als volgt beschreven worden: het betrof een zogeheten mobiele prefab hindernis in de vorm van een boerderij. De hoogte was 102,5 cm. De breedte aan de basis was 100,5 cm en op het breedste punt 110 cm; de lengte was 345 cm. Het betrof een balk structuur met een zadeldak, gemaakt van betonplex. Door een tractor met zogeheten lepels is de boerderij op de plaats gezet en van bovenaf met de lepels in de grond geduwd, zodanig dat de bovenzijde van de boerderij circa 1 m boven het maaiveld uitstak. De hindernis was niet gestut noch met enige verankering verbonden aan de grond.

4.1.5.

Na de botsing met ruiter en paard is de hindernis gekanteld in de looprichting van het paard: de hindernis is dóór gekanteld, eerst op het zijvlak en vervolgens op een dakhelft.

4.1.6.

In het Vraagprogramma SGW-Eventing dat door [geïntimeerde] werd gebruikt om zich voor de wedstrijd in te schrijven, is onder meer opgenomen:

De wedstrijd (…) zal worden verreden volgens de reglementen en richtlijnen voor de samengestelde wedstrijden, verreden onder auspiciën van de K.N.H.S.

(…)

5. wedstrijdgevende organisatie, noch ieder andere betrokkene bij de wedstrijd kan op enigerlei wijze aansprakelijk en / of verantwoordelijk worden gesteld omtrent schade in welke vorm dan ook aan personen, paarden en / of materiaal. Zowel deelnemers als bezoekers nemen deel en / of zijn aanwezig op eigen risico.”

4.1.7.

Bij het Algemeen Wedstrijdreglement van de KNHS hoort een bijlage 3 “Gedragscode Welzijn van het paard”. Art. 3a daarvan luidt: “Wedstrijdterrein (…) Alle hindernissen dienen te worden geconstrueerd met de veiligheid van het paard in gedachten.” In artikel 4c staat: “Verwondingen tijdens wedstrijden Er dient tijdens wedstrijden controle te worden uitgeoefend ter voorkoming van verwondingen van paarden. De toestand van het terreinoppervlak, de wedstrijdfrequentie en andere risicofactoren dienen zorgvuldig te worden onderzocht om verwondingen van paarden tot een minimum te beperken”.

4.1.8.

Naast het Algemeen Wedstrijdreglement hanteert de KNHS verschillende disciplinereglementen, waaronder het “Discipline reglement Eventing”.

Artikel 315 daarvan, dat blijkens de aanhef betrekking heeft op “Cross-country” schrijft onder d sub 1 voor: “De hindernissen moeten vast en indrukwekkend door hun vorm en aanzicht zijn en zoveel mogelijk in natuurlijke staat worden gehouden”.

4.1.9.

In artikel 3 sub 1 en 6 van de statuten van [Paarden- en Ponysportvereniging] staat:

1. De vereniging en leden zijn lid van de KNHS.

6. Op de vereniging en de leden zijn van toepassing

a. de statuten, reglementen en besluiten van de KNHS;

b. de statuten, reglementen en besluiten van de Fédération Equestre Internationale

(FEI).

4.1.10.

Artikel 5 van de statuten van de KNHS luidt:

Leden van de KNHS zijn verplicht:

a. de Statuten, het Algemeen Reglement en de reglementen van de KNHS en de besluiten van organen van de KNHS na te leven;

(…)

c. de statuten, reglementen en besluiten van de Fédération Equestre Internationale na te leven;

4.1.11.

De “Fédération Equestre Internationale”(hierna: “FEI”) hanteert de zogeheten “Rules for Eventing”; de van toepassing zijnde versie, welke in het geding is overgelegd, dateert van 12 mei 2010. In artikel 531, dat blijkens de aanhef betrekking heeft op “Obstacles” staat onder het subkopje 3. “Type of Obstacles” onder 3.1:“The obstacles must be fixed and imposing in shape and appearance. When natural obstacles are used, they should, if necessary, be reinforced so that they remain in the same state throughout the test. All reasonable precautions must be taken to prevent the possibility of an athlete being able to pass mounted under an obstacle. Portable fences must be secured to the ground in a way that the fence cannot move.”

4.1.12.

Op internationaal niveau wordt er jaarlijks een bijeenkomst gehouden, waarbij (onder meer) de veiligheid van mobiele hindernissen in cross country wedstrijden onderwerp van bespreking is. Tijdens het FEI Eventing Safety Forum 2008 in Kopenhagen waarvan een verslag zich bij de stukken bevindt, is benadrukt dat “Cross country fences must in essence be fixed i.e. not knock down like a show Jump “ (3.a verslag) en voorts dat “the prioritized target is elimination of somersault falls and reduction of the number of horse falls in general” (2e alinea onder “CONCLUSION”, p. 10). Ten aanzien van handleiding voor cross country bouwers is opgenomen “Portables must be secured to the ground in such a way that they cannot tip over or move in a horizontal direction if hit by a horse”(onder 4, p. 14).

4.1.13.

De parcoursbouwers en de technisch afgevaardigden van de KNHS maken bij het bouwen, vervaardigen en inspecteren van cross country parcoursen gebruik van de uit 2005 daterende “handleiding voor bouwers en ontwerpers van cross country parcoursen”. Op bladzijde 14 van deze handleiding staat het volgende vermeld:

2. Solide

De constructie van de crosshindernissen moet sterk zijn, waarbij staanders voor de bevestiging van de bomen goed verankerd moeten zijn in de grond (ca 80 cm). Bij prefab hindernissen is dat anders. Bij dit soort hindernissen is het van groot belang dat de betreffende hindernis op een solide en brede basis is gebouwd, om omverspringen te voorkomen. Bij sommige prefab hindernissen met een smalle basis ( punten, huisjes, etc.) zullen goede voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om deze in de grond te verankeren.

Verderop in de handleiding (p. 47, 2e kolom) staat nog vermeld:

De constructie van de prefabs moet degelijk en robuust zijn op een sterk frame als basis. Deze basis moet ervoor zorgen dat de prefabs stevig staan en niet omver gesprongen kunnen worden.”

4.1.14.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] zijn verzekerd tegen aansprakelijkheid voor schade zoals door [geïntimeerde] geclaimd.

4.1.15.

Bij brieven van 12 november 2010 en 10 mei 2011 heeft [geïntimeerde] [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] aansprakelijk gesteld. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen, althans niet erkend.

4.2.1.

In juni 2011 heeft [geïntimeerde] [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] (en de KNHS) gedagvaard en hoofdelijke veroordeling gevorderd tot betaling van een bedrag van € 45.000,-- aan schade, met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en met hoofdelijke veroordeling in de proceskosten.

4.2.2.

Aan zijn vordering legde [geïntimeerde] – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Dat de hindernis in kwestie niet in de grond verankerd was, is in strijd met de geldende voorschriften. Dat nalaten is onrechtmatig jegens [geïntimeerde] en aan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] (en de KNHS) toe te rekenen. Tengevolge van dit onrechtmatig handelen is de gevorderde schade ontstaan. Dit causaal verband moet vermoed aanwezig te zijn, nu de geschonden zorgvuldigheidsnorm specifiek strekt tot het voorkomen van het gevaar dat zich nu heeft verwezenlijkt, namelijk (zwaar) lichamelijk letsel bij zowel [geïntimeerde] als het paard. Dat het paard niet hoog genoeg heeft gesprongen, valt niet buiten een normale lijn der verwachting. Voor [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] was het niet bezwaarlijk om voorzorgsmaatregelen te nemen; met eenvoudige middelen zoals een L-ijzer of spiraalvormige grondankers of een afdoende stutting met palen had voorkomen kunnen worden dat de hindernis zou kantelen. Gelet op een enkele maanden voor de wedstrijd uitgebracht bod op het paard van € 45.000,--, kan de waarde van het paard op dat bedrag worden geschat, aldus [geïntimeerde].

4.2.3.

Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 12 oktober 2011 een comparitie van partijen had gelast, welke op 10 januari 2012 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij het bestreden tussenvonnis van 7 maart 2012 als volgt geoordeeld:

i. i) blijkens de in dit vonnis aangehaalde passages uit nationale en internationale regelgeving is men thans tot het inzicht gekomen, dat de veiligheid het best gediend is bij een constructie van een hindernis, die vast is, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt. Als een hindernis die eigenschappen niet uit zichzelf in zich heeft, dienen kennelijk voorzorgsmaatregelen te worden getroffen, opdat het risico van de nadelige gevolgen van een veiligheidsincident geminimaliseerd wordt. In dit geval is de hindernis als gevolg van de botsing met het paard op zijn kant gerold en vervolgens op een dakhelft terecht gekomen. Kennelijk is de inschatting van [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2], dat de hindernis na een botsing met een paard, niet zou kantelen, onjuist gebleken en is de keuze om geen voorzorgsmaatregelen te nemen foutief. De hindernis voldeed niet aan de in redelijkheid hier aan te stellen eisen (3.5);

ii) het verband tussen deze normschending en de schade is aanwezig, tenzij [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] aannemelijk maken dat deze schade ook zou zijn ontstaan indien zij wel toereikende voorzorgsmaatregelen hadden genomen (omkeringsregel). [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] worden toegelaten tot bewijslevering tegen dit voorshands bewezen geachte causale verband (3.5);

iii) hoewel de grondslag van de vordering onrechtmatig handelen is, is tussen [Paarden- en Ponysportvereniging] en [geïntimeerde] een contractuele relatie ontstaan, binnen welke de vordering van [geïntimeerde] behandeld moet worden (3.6);

iv) [appellant 2] is als ontwerper en bouwer van de hindernis aansprakelijk (3.7);

v) de KNHS is geen mede-organisator of verantwoordelijk toezichthouder van de wedstrijd. De vordering jegens de KNHS zal worden afgewezen (3.8);

vi) het beroep van [Paarden- en Ponysportvereniging] op de exoneratieclausule (hof: r.o. 4.1.6) is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, in het bijzonder ook nu gedaagden verzekerd zijn juist tegen het risico van dit soort ongevallen (3.9);

vii) het van te voren nalopen van het parcours door [geïntimeerde] geschiedt vanuit andere perspectieven dan louter dat van veiligheid en [geïntimeerde] hoeft er als ruiter niet op bedacht te zijn dat een hindernis niet is gebouwd in overeenstemming met veiligheidsvoorschriften (3.10);

viii) het beroep op eigen schuld wordt verworpen (3.11 en 3.12);

ix) de schade zal worden vastgesteld op de waarde van het paard in het economisch verkeer pal voor het ongeval (3.13).

4.2.4.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben op 6 juni 2012 vijf en op 27 juni 2012 vijf getuigen doen horen. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] drie getuigen doen horen, waaronder zich zelf.

Bij het bestreden eindvonnis van 10 juli 2013 heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] tegen [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] toegewezen en de vordering tegen de KNHS afgewezen.

4.3.1.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben tijdig hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 7 maart 2012 en het eindvonnis van 10 juli 2013. Zij vorderen vernietiging van deze vonnissen, afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het uit hoofde van het eindvonnis aan hem betaalde bedrag, met wettelijke rente daarover en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft niet (incidenteel) geappelleerd tegen de afwijzing van zijn vordering op de KNHS, zodat die vordering geen deel uitmaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep.

4.3.2.

Met hun eerste grief maken [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] bezwaar tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op de in het Vraagprogramma SGW Eventing opgenomen exoneratie-clausule. Met hun tweede grief komen [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de veiligheid van ruiter en paard het best gediend is met een constructie van een hindernis die vast zit, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt.

Grief 3 is gericht tegen de in het bestreden tussenvonnis aan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] verstrekte bewijsopdracht. Grief 4 betreft de verwerping door de rechtbank van het beroep op eigen schuld. Grief 5 is gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank, grief 6 tegen de hoogte van het toegewezen schadebedrag. Met grief 7 wordt bezwaar gemaakt tegen de hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de gevorderde schade. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis.

Contractuele relatie. Onrechtmatige daad. Exoneratie. Grief 1. De hindernis. Grief 2

4.4.1.

In de toelichting op de eerste grief stelt [Paarden- en Ponysportvereniging] dat zij er mee akkoord is dat de rechtbank haar relatie met [geïntimeerde] als contractueel heeft gekwalificeerd, en stelt [appellant 2] dat zijn eventuele aansprakelijkheid moet worden beoordeeld binnen de sleutel van de onrechtmatige daad.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] wijzen er op dat alle partijen bekend waren met de risico’s van cross country wedstrijden en dat [geïntimeerde] wist van de exoneratie-clausule. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte aan het feit dat [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] verzekerd waren, de conclusie verbonden dat aan hen geen beroep op de exoneratie-clausule toe komt. Op grond van de statuten van de KNHS was [Paarden- en Ponysportvereniging] verplicht zich te verzekeren. Indien zij geen beroep op de exoneratie-clausule kan doen, heeft dat aanzienlijke gevolgen; zo heeft zij zich, gelet op de bestreden vonnissen, genoodzaakt gezien de wedstrijd voor 2013 af te gelasten, aldus [Paarden- en Ponysportvereniging]. [appellant 2] heeft aangevoerd dat aan hem een afgeleid beroep op de exoneratie-clausule toekomt.

4.4.2.

In de toelichting op de tweede grief hebben [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] het volgende aangevoerd. Het was niet nodig om de hindernis vast te zetten. De hindernis is goedgekeurd door de Technisch Afgevaardigde van de KNHS (hierna: “TA”). Ook na het ongeval hebben beide betrokken TA’s geoordeeld dat de hindernis 100% in orde was. Het gebruik van vaste hindernissen is geen garantie voor absolute veiligheid of het voorkomen van ongevallen.

4.4.3.

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank als contractuele relatie gekwalificeerde relatie tussen hem en [Paarden- en Ponysportvereniging]. Voor wat betreft zijn relatie tot [appellant 2] is [geïntimeerde] het er mee eens dat deze moet worden beoordeeld in het licht van de onrechtmatige daad.

Anders dan de rechtbank heeft aangenomen en [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] stellen, is in casu wel degelijk sprake van bewuste roekeloosheid aan de zijde van [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2], aldus [geïntimeerde]. Daarvoor is immers slechts een geobjectiveerde wetenschap van de aan een bepaalde handeling verbonden gevaren nodig. Voor [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] was het volgens [geïntimeerde] zonder meer kenbaar dat uit veiligheidsoogpunt een verankering van de hindernissen in de grond noodzakelijk was. Zij hebben er bewust voor gekozen de hindernis niet in de grond te verankeren. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat dat niet nodig was. Als, zoals in dit geval, sprake is van bewuste roekeloosheid, geldt als uitgangspunt dat een beroep op een contractuele exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Dat verenigingen zich exonereren is in abstracto begrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat in een concreet geval aan hen geen beroep op die exoneratie kan toekomen, aldus [geïntimeerde]. Ten slotte is volgens [geïntimeerde] van onberekenbaar gedrag van het paard geen sprake geweest; het heeft de hindernis niet geheel juist genomen en daarop behoort de organisator van een eventingwedstrijd juist bedacht te zijn.

Subsidiair heeft [geïntimeerde] betoogd dat de overige door hem aangevoerde omstandigheden een beroep op de exoneratie-clausule in de weg staan. Als omstandigheden heeft [geïntimeerde] genoemd:

i. i) de ernst van het verwijt dat volgens hem aan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] moet worden gemaakt;

ii) het feit dat het voor hen niet bezwaarlijk was om voorzorgsmaatregelen te nemen;

iii) dat een paard een hindernis niet juist neemt valt niet buiten de normale lijn der verwachting;

iv) bij loszittende hindernissen moet ernstig rekening gehouden worden met ernstige letselschade (ruiter) en vermogensschade (paard);

v) [geïntimeerde] hoefde er niet op bedacht te zijn dat de hindernis niet vast stond;

vi) de gevolgen van de aansprakelijkheid zijn volledig gedekt door een verzekering;

vii) [geïntimeerde] was geen professionele deelnemer maar nam als amateurruiter aan de wedstrijd deel;

viii) op grond van artikel 6:237 sub f BW moet de exoneratie-clausule worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn.

4.4.4.

[geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd, dat het “vastduwen” van de hindernis met behulp van de lepels van de tractor, niet als “vastzetten” kan worden aangemerkt. Hij heeft er voorts op gewezen dat [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] niet onderbouwen waarom de hindernis naar hun oordeel niet behoefde te worden verankerd. Dat de hindernis door de TA was goedgekeurd ontslaat [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] niet van hun verantwoordelijkheid om de deelnemers aan de wedstrijd een veilig parcours te bieden dat voldoet aan de geldende regels. Verder is de beoordeling van de TA’s na het ongeval niet objectief te noemen; zij beoordeelden immers hun eigen werk.

4.4.5.

Het hof oordeelt als volgt.

Gelet op het oordeel van de rechtbank ter zake en de in verband daarmee in hoger beroep ingenomen standpunten van partijen, zal in hoger beroep worden uitgegaan van een contractuele relatie tussen [Paarden- en Ponysportvereniging] en [geïntimeerde] en zal de eventuele aansprakelijkheid van [appellant 2] in het kader van de onrechtmatige daad worden beoordeeld.

Afgezien van de vraag of aan [appellant 2] een afgeleid beroep op de door [Paarden- en Ponysportvereniging] gehanteerde exoneratie-clausule toekomt, heeft voornoemd onderscheid geen gevolg voor de beoordeling van het door [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] gedane beroep op de exoneratie-clausule en het daartegen door [geïntimeerde] gevoerde verweer.

4.4.6.

Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van alle relevante omstandigheden, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding tussen partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest, en – bij exoneratiebedingen – de zwaarte van de schuld ter zake van het veroorzaken van de schade, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen (standaardjurisprudentie sinds Hoge Raad 19 mei 1967, NJ 1967, 261 Saladin/HBU, Hoge Raad 20 februari 1976, NJ 1976, 486 Pseudo-vogelpest en Hoge Raad 25 april 1986, NJ 1986, 714 Smilde).

Een exoneratie-clausule dient in het algemeen buiten toepassing te blijven, indien de schade is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van de aansprakelijk gestelde partij (Hoge Raad 12 december 1997, NJ 1998, 208 Gemeente Stein/Driessen). Uit de omstandigheid dat geen sprake is van “grove schuld” kan, zonder verder onderzoek, niet worden afgeleid dat de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid zich niet doet gelden, omdat alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook de gevolgen van het verzuim en in hoeverre de daardoor ontstane schade door verzekering is gedekt (Hoge Raad 18 juni 2004, NJ 2004, 585 Kuunders/Swinkels).

4.4.7.

Naar het oordeel van het hof valt aan [Paarden- en Ponysportvereniging] als organisator van de wedstrijd en eindverantwoordelijke voor de veiligheid, alsmede aan [appellant 2] als bouwer van de hindernis, een ernstig verwijt te maken omtrent het niet vastzetten van de hindernis. Anders dan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben betoogd, blijkt uit alle van toepassing zijnde reglementen (r.o. 4.1.7, 4.1.8, 4.1.11), alsmede uit de instructies voor de hindernisbouwers (r.o. 4.1.13), dat het in het geval van cross country wedstrijden voor de veiligheid van groot belang is dat de mobiele hindernis vast staat, in die zin dat de hindernis bij aanraking met ruiter en paard niet omvalt. Ook als uit die reglementen niet zonder meer zou kunnen worden afgeleid dat altijd een verankering in de grond nodig is, blijkt uit de aangehaalde regelgeving dat omverspringen van de hindernis moet worden voorkomen. Dat kan mogelijk ook door middel van een voldoende solide stut worden bereikt, maar daarvan was in dit geval evenmin sprake. Terecht heeft de rechtbank dan ook overwogen, dat de veiligheid van ruiter en paard het best gediend is met een constructie van een hindernis die vast zit, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt.

Overigens verwerpt het hof het verweer van [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] dat, nu de wedstrijd een nationaal karakter had, het FEI-reglement en hetgeen tijdens het FEI Eventing Safety Forum (r.o. 4.1.12) is besproken, niet van toepassing is. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat blijkens de statuten van [Paarden- en Ponysportvereniging] en van de KNHS (r.o. 4.1.9 en 4.1.10), [Paarden- en Ponysportvereniging] gehouden is (onder meer) de reglementen van de FEI na te leven.

4.4.8.

Dat [geïntimeerde] zich bewust was van de risico’s van een cross country wedstrijd en zich vrijwillig heeft blootgesteld aan het risico van een val van hem en/of zijn paard, bevrijdt [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] niet van hun aansprakelijkheid ter zake van het niet treffen van de met het oog op dat risico geboden veiligheidsmaatregelen. Voorts valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat het enkele feit dat [appellant 2] als vrijwilliger is opgetreden, in de weg zou staan aan het concluderen tot aansprakelijkheid aan zijn zijde.

4.4.9.

Daarnaast acht het hof van belang dat het voor [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] niet bezwaarlijk was om voorzorgsmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het in de grond verankeren door middel van een L-ijzer of het stutten met zware balken. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben dit niet bestreden, maar aangevoerd dat dat niet nodig was. Zij miskennen hiermee echter dat het tegendeel is gebleken; de hindernis is immers bij botsing met het paard in de rijrichting (twee maal) gekanteld. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben dus een inschattingsfout gemaakt en bewust de hindernis niet vastgezet, hoewel de van toepassing zijnde reglementen verankering/stutting/vastzetting voorschreven. Hun betoog, dat de hindernis erg zwaar was, 1 meter breed en met de lepels van de tractor nog enkele centimers de grond in is gedrukt, maakt dat niet anders. Het belang van een goede vastzetting was gelet op de geldende reglementen voor hen evident, althans behoorde dat te zijn en enkel het gewicht van de hindernis, de breedte van 1 meter en het enkele centimeters de grond in zijn geduwd was onvoldoende om kanteling te voorkomen. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben verder niet bestreden dat het feit dat een paard een hindernis niet goed neemt, voorzienbaar is. Dat een loszittende hindernis tot ernstige letsel- en vermogensschade kan leiden, is niet, althans onvoldoende gemotiveerd door hen weersproken. Ten slotte komt mede betekenis toe aan de door [geïntimeerde] genoemde omstandigheid, dat hij er niet op bedacht hoefde te zijn dat de hindernis niet vast stond. Hieraan doet niet af dat [geïntimeerde] voorafgaande aan de wedstrijd het parcours kon aflopen en bekijken. [geïntimeerde] heeft onbestreden gesteld dat het daarbij gaat om een verkenning van het parcours en dat hij daarbij niet checkt c.q. lang niet altijd kan checken of aan de veiligheidsnormen is voldaan. Zelfs indien dat laatste anders zou zijn, ontslaat dat [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] niet van de plicht de veiligheidsvoorschriften na te leven.

4.4.10.

Gelet op het ernstige verwijt dat zowel aan [Paarden- en Ponysportvereniging] als aan [appellant 2] moet worden gemaakt (r.o. 4.4.7), alsmede op de in r.o. 4.4.8 genoemde omstandigheden, in samenhang met het feit dat [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] zijn verzekerd tegen aansprakelijkheid zoals in dit geval aan de orde is, acht het hof, evenals de rechtbank, het door [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] gedane beroep op de exoneratie-clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dat leidt niet tot een onmogelijkheid voor [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] om cross country wedstrijden te organiseren c.q. hindernissen daarvoor te bouwen. Dat in deze zaak wordt geoordeeld, dat een beroep op de exoneratie-clausule in dit concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, betekent niet dat [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] in andere gevallen zich evenmin met succes op de exoneratie-clausule zouden kunnen beroepen. Steeds zullen alle relevante omstandigheden bepalend zijn.

Het door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord gedane beroep op artikel 6: 233 sub a jo. 6:237 sub f BW (r.o. 4.4.2 vii), waarop [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] niet hebben kunnen reageren, behoeft geen bespreking. Dat zelfde geldt voor de vraag of aan [appellant 2] een afgeleid beroep op de exoneratie-clausule zou toekomen.

De eerste twee grieven slagen niet.

De bewijsopdracht in het bestreden tussenvonnis. Grief 3

4.5.1.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben gesteld dat de rechtbank ten onrechte de in dit tussenvonnis gegeven bewijsopdracht heeft verstrekt. In de toelichting bij deze grief hebben [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] aangevoerd, dat als de eerste grief niet slaagt, maar de tweede wel, de slotsom is dat de aan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] gegeven bewijsopdracht overbodig is geweest en op onjuiste grond is verstrekt.

4.5.2.

[geïntimeerde] heeft deze grief zo opgevat, dat de grief slechts voorwaardelijk is ingesteld, namelijk voor het geval de eerste grief niet slaagt, maar de tweede wel. Indien ook het hof van oordeel zou zijn dat aan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] een normschendend handelen kan worden verweten, staat de verstrekte bewijsopdracht en de daaraan ten grondslag liggende toepassing van de omkeringsregel, niet meer ter discussie, aldus [geïntimeerde]. Volgens hem staat ook het door de rechtbank aangenomen causale verband tussen het niet verankerd zijn van de hindernis en de schade vast, indien ook het hof oordeelt dat de hindernis verankerd had moeten zijn, omdat tegen dat door de rechtbank aangenomen causale verband evenmin een grief is gericht.

4.5.3.

Of [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] deze derde grief slechts voorwaardelijk hebben willen aanvoeren, is niet helemaal duidelijk. Maar ook in het ontkennende geval kan de grief niet slagen. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben immers hun stelling dat de bewijsopdracht ten onrechte is gegeven, enkel onderbouwd met de aan hun tweede grief ten grondslag gelegde stelling dat de hindernis op zorgvuldige wijze is gebouwd en dat aan hen terzake geen verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen, oordeelt het hof anders.

Voorts heeft de rechtbank terecht – met toepassing van de omkeringsregel – aan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] de in het bestreden tussenarrest vermelde bewijsopdracht verstrekt. In dit geval is immers sprake van schending van een norm (bij cross country wedstrijden moeten mobiele hindernissen worden vastgezet ter voorkoming van omvallen/omver gesprongen worden) die strekt ter bescherming tegen een specifiek gevaar en dat specifieke gevaar heeft zich verwezenlijkt. Het condicio sine qua non-verband tussen de normschending en de verwezenlijking van het gevaar moet daarmee als vaststaand worden aangenomen, behoudens door [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] te leveren tegenbewijs.

Grief 3 slaagt niet.

Eigen schuld [geïntimeerde]? Grief 4.

4.6.1.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben aangevoerd, dat het impulsieve en onberekenbare gedrag van het paard moet worden toegerekend aan [geïntimeerde] en dat dit het door hen gedane beroep op eigen schuld rechtvaardigt. Volgens [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] moet “naar verkeersopvattingen deze schade met betrekking tot een dier voor eigen rekening van de eigenaar en gebruiker blijven”. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] wijzen verder naar rechtsoverweging 3.12 van het tussenvonnis van 7 maart 2012, waarin de rechtbank overweegt dat Eventing een risicovolle sport is, waarbij geregeld ongelukken gebeuren, dat [geïntimeerde] niettemin aan de wedstrijd heeft deelgenomen en als geen ander de risico’s kende.

4.6.2.

[geïntimeerde] acht de toelichting op de grief niet helder. Voorzover [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] bedoelen te betogen dat [geïntimeerde] zelf de constructie van de hindernis had moeten controleren, wijst [geïntimeerde] er op dat dat niet zijn taak is. Verder heeft hij aangevoerd, dat eventueel onberekenbaar gedrag van het paard niet tot het oordeel kan leiden dat aan [geïntimeerde] eigen schuld kan worden verweten, omdat het nu juist inherent is aan de eventingsport dat de hindernissen niet altijd foutloos worden genomen. Juist voor het geval de hindernis niet goed wordt genomen, moet de hindernis verankerd zijn, aldus [geïntimeerde]. Het feit dat [geïntimeerde] vrijwillig aan de wedstrijd deelnam, doet volgens hem niet af aan de verplichting van [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] om de vereiste veiligheidsmaatregelen te treffen. Hij mocht er voorts van uitgaan, dat aan die verplichting was voldaan, aldus [geïntimeerde].

4.6.3.

Het hof oordeelt als volgt. Indien zou moeten worden aangenomen dat de in dit geval geleden schade mede een gevolg is van de omstandigheid dat het paard de hindernis niet goed heeft genomen, welke omstandigheid aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, blijft de daarop in beginsel volgende verdeling van de vergoedingsplicht achterwege, indien de billijkheid dat wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (artikel 6:101 lid 1 BW). De rechtbank heeft kennelijk aan dit laatste invulling gegeven, door te overwegen dat juist omdat bekend is dat een paard een hindernis soms niet goed neemt, het van belang is dat de regelgeving en aanwijzingen op veiligheidsgebied bij het bouwen van mobiele hindernissen, worden nageleefd. En voorts dat [geïntimeerde], bij het aanvaarden van de hem bekende algemene risico’s verbonden aan eventingwedstrijden, er op mocht vertrouwen dat de hindernissen in overeenstemming met die regelgeving waren uitgevoerd. Het verweer van [geïntimeerde] heeft dezelfde strekking.

4.6.4.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben niet toegelicht waarom deze toepassing van de billijkheidscorrectie niet juist zou zijn. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de vergoedingsplicht van [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] geheel in stand blijft, omdat de billijkheid dat eist, gelet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten (een paard dat een hindernis niet goed neemt versus een organisatie en parcoursbouwer die een hindernis niet goed hebben vastgezet) en de omstandigheid dat het niet goed nemen van een hindernis door een paard nu juist inherent is aan dit soort wedstrijden, hetgeen het belang bij het naleven van de in verband met de veiligheid aan hindernissen te stellen eisen extra zwaarwichtig maakt, van welke naleving de deelnemer aan de wedstrijd mag uitgaan.

4.6.5.

Voor het geval [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] met deze grief ook hebben bedoeld te betogen dat [geïntimeerde] eigen schuld heeft omdat hij het parcours tevoren heeft gecontroleerd, heeft het hof reeds aan het slot van r.o. 4.4.9 geoordeeld dat dat betoog niet opgaat.

Voorzover [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] nog zouden hebben bedoeld een beroep te doen op, kort gezegd, de sport- en speljurisprudentie, heeft [geïntimeerde] er terecht op gewezen, dat die rechtspraak in dit geval toepassing mist, omdat het aan [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] verweten gedraging niet voortkwam uit eigen deelname aan de wedstrijd.

Grief 4 slaagt niet.

Bewijswaardering. Grief 5

4.7.1.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben betoogd dat het paard geen roterende val heeft gemaakt, dat juist indien de hindernis vast zou hebben gestaan, het paard een roterende val zou hebben gemaakt en dat de schade dan ook zou zijn ontstaan of zelfs nog groter zou zijn geweest. De juistheid van deze stellingen blijkt volgens [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] uit diverse verklaringen van de gehoorde getuigen.

4.7.2.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het gaat om de vraag wat er gebeurd zou zijn als de hindernis wel deugdelijk was vastgezet en dat de getuigen deze vraag niet kunnen beantwoorden. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gewezen op de in de contra-enquête gegeven presentatie, waarbij op filmpjes is te zien dat paarden, die tegen een wel verankerde mobiele boerderij-hindernis springen, niet ten val komen. Ook heeft [geïntimeerde] verwezen naar een onderzoek waarbij 100 vallen van paarden tijdens (een poging tot) het springen van een hindernis zijn geanalyseerd en waaruit is gebleken dat er twee voorwaarden zijn voor het ontstaan van een roterende val (geldend voor verankerde hindernissen), aan welke twee voorwaarden in dit geval niet is voldaan.

4.7.3.

De grief kan niet slagen, omdat het hof tot eenzelfde bewijswaardering komt als de rechtbank. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] zijn in het bestreden tussenvonnis toegelaten te bewijzen, dat de schade ook zou zijn ontstaan in het geval wèl toereikende voorzorgsmaatregelen zouden zijn getroffen om kanteling/verplaatsing van de hindernis te vermijden. In de laatste alinea van 3.5 in dit tussenvonnis en in 2.4 in het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank overwogen, dat zij daarbij doelt op door [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] bijeen te brengen tegenbewijs – in de betekenis van aannemelijk maken – tegen het voorshands bewezen geachte causaal verband.

4.7.4.

Voor zover de getuigen hebben verklaard omtrent het te verwachten gevolg als de hindernis wel zou zijn vastgezet, komen die verklaringen neer op het niet te weten dan wel op gissingen en opinies. Enkele getuigen hebben met enige stelligheid verklaard, dat in dat geval een roterende val zou zijn gevolgd, maar of dat tot dezelfde schade aan het paard zou hebben geleid, is daarmee niet aannemelijk geworden. Bovendien hebben enkele getuigen ook verklaard omtrent mogelijke andere gevolgen (dan een roterende val) van het niet goed nemen van een vastgezette hindernis (bv doorglijden voorbenen – Naber – of het er vóór blijven, of voorhand paard erover en achterhand niet – Brokx).

4.7.5.

In de afgelegde verklaringen wordt veel aandacht besteed aan de vraag of het paard een roterende val heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof kan die discussie echter niet bijdragen aan het door [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] te leveren tegenbewijs. Met de afgelegde verklaringen is immers niet aannemelijk gemaakt, dat de schade ook zou zijn ontstaan indien wel toereikende voorzorgsmaatregelen zouden zijn getroffen om kanteling/verplaatsing van de hindernis te vermijden. Ten eerste hebben de verklaringen een tamelijk hoog speculatief gehalte. Verder is, met name gelet op de verklaring van de hindernis jury [lid hindernis jury], aan welke verklaring groot gewicht kan worden gehecht, nu deze is afgelegd vrijwel direct na het ongeval en ruim voordat duidelijk werd dat [geïntimeerde] [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] aansprakelijk zou stellen, in het geheel niet uitgesloten, dat het paard in dit geval wèl een roterende val heeft gemaakt. Het enkele feit dat [lid hindernis jury] uiteindelijk niet ten overstaan van de rechtbank als getuige is gehoord, doet niet af aan de waarde van zijn schriftelijke verklaring. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben ook niet aangevoerd dat en zo ja waarom dat anders zou zijn. Ten slotte kent het hof betekenis toe aan het uitvoerig onderbouwde verweer van [geïntimeerde], dat het niet goed nemen van een wel vastgezette hindernis, vaak juist niet tot een roterende val leidt.

4.7.6.

Al met al is het door [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] bijeengebrachte tegenbewijs onvoldoende om het voorshands aangenomen causale verband tussen de (aansprakelijkheid vestigende) gedraging van [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] (in dit geval bestaande uit het niet naleven van de besproken veiligheidsvoorschriften) en de aldus ontstane schade te ontzenuwen.

Grief 5 slaagt niet.

Schade. Grief 6

4.8.1.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben aangevoerd, dat [geïntimeerde] onvoldoende bewijs van zijn schade heeft geleverd. De schade is volgens [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] de waarde van het paard in het economisch verkeer vlak voor het ongeval. De enkele verklaring van [aspirant koper] omtrent het door hem op het paard uitgebrachte bod van € 45.000,-- is volgens [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] onvoldoende. De schade moet volgens hen door een deskundige worden bepaald.

4.8.2.

[geïntimeerde] heeft er op gewezen, dat het voor de hand ligt dat [aspirant koper] het paard voor een aanzienlijk hoger bedrag (dan het door hem aan [geïntimeerde] geboden bedrag) zou kunnen verkopen, omdat [aspirant koper] een paardenhandelaar is. Het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag, gelijk aan de hoogte van het door [aspirant koper] uitgebrachte bod, is dus alleszins redelijk, aldus [geïntimeerde]. Volgens hem is een concreter bewijs van de waarde van het paard niet mogelijk en is deskundigenonderzoek zinloos, omdat de waarde van een paard grootdeels afhangt van de capaciteiten van dat paard, en nu het paard is overleden, kan een deskundige naar die capaciteiten geen deugdelijk onderzoek verrichten. [aspirant koper] heeft dat echter wel kunnen doen en heeft daarop zijn bod gebaseerd, aldus [geïntimeerde].

4.8.3.

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis partijen uitgenodigd hun visie te geven op nut en noodzaak van een deskundigenbericht met betrekking tot de waarde van het paard vlak voor het ongeval. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben zich daar in eerste aanleg niet meer over uitgelaten. [geïntimeerde] wel. Hij heeft de waardebepaling op basis van het bod van [aspirant koper] nader onderbouwd en voor wat betreft de nut en noodzaak van een eventueel deskundigenbericht aangevoerd, wat thans ook in hoger beroep door hem is betoogd.

4.8.4.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben “de concreetheid van” het bod van [aspirant koper] betwist, maar die betwisting niet onderbouwd. Zij stellen slechts dat één schriftelijke verklaring ontoereikend is. Dat is, te meer in het licht van de onderbouwing door [geïntimeerde], onvoldoende. Evenmin geven [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] aan, waarom de schade door een deskundige moet worden bepaald. Zij zijn ook niet ingegaan op het reeds in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde verweer, dat en waarom een deskundigenonderzoek niet zinvol is.

Bij deze stand van zaken valt niet in te zien waarom een op de voet van artikel 6:97 BW uit te voeren schadebegroting niet zou kunnen worden verricht door aansluiting te zoeken bij het door [aspirant koper] op het paard uitgebrachte bod. Onbestreden is dat [aspirant koper] een ervaren paardenhandelaar is. De conclusie is dan gerechtvaardigd dat [aspirant koper] eerder onder dan boven de waarde van het paard heeft geboden. In ieder geval hebben [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] niets aangevoerd, wat op het tegendeel zou wijzen.

De zesde grief slaagt evenmin.

4.9.

Zoals overwogen (r.o. 4.3.2) heeft de zevende grief geen zelfstandige betekenis en behoeft deze geen bespreking.

4.10.

[Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hebben geen concreet bewijsaanbod gedaan ten aanzien van feiten die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden. Voor bewijslevering zijn dus geen redenen aanwezig.

4.11.

Nu geen van de grieven slaagt, zullen de bestreden vonnissen worden bekrachtigd. [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen proceskosten.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor zover deze aan het oordeel van het hof zijn onderworpen;

veroordeelt [Paarden- en Ponysportvereniging] en [appellant 2] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 683,-- aan verschotten en op € 1.631,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, M.A. Wabeke en A.P. Zweers-van Vollenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 mei 2014.