Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1409

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
HD 200.108.819_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artt. 157, 158, 159 en 160 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 158
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 159
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 4, p. 194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.108.819/01

arrest van 20 mei 2014

in de zaak van

1 [de man],

2. [de vrouw],
(tezamen h.o.d.n Maatschap [maatschap])

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten te Venlo,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.J.M.G. Kunzeler te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 november 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 3 augustus 2011 tussen appellanten – [appellanten c.s.] (mannelijk enkelvoud) – als eisers in conventie, verweerders in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 95650/HAZA 09-626)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 17 februari 2010 en 26 mei 2010.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven (met twee producties);

- de memorie van antwoord;

- het pleidooi, waarbij partij [appellanten c.s.] een pleitnota (met daaraan gehecht een
productie) heeft overgelegd;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. In de door [appellanten c.s.] ten behoeve van het pleidooi in hoger beroep in kopie overgelegde procesdossiers ontbreken van de eerste aanleg de conclusie van repliek en de akte uitlating van [geïntimeerde] na het tussenvonnis van 17 februari 2010. Deze stukken zijn ook na het pleidooi in hoger beroep niet aan het dossier toegevoegd, zodat het hof van die stukken geen kennis heeft kunnen nemen. Van bijlage 21 van de antwoordakte in conventie van [geïntimeerde] - een aangifte van [geïntimeerde] aan de politie te Horst van 26 januari 2009 - ontbreekt verder blad 2. Ook van deze bijlage heeft het hof derhalve niet volledig kennis kunnen nemen.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.1.

Het hof begrijpt uit de conclusie van de dagvaarding in hoger beroep en de grieven dat het hoger beroep van [appellanten c.s.] uitsluitend het vonnis van 3 augustus 2011 betreft voor zover dat in conventie is gewezen. Het hof zal hierna daarom alleen het geding in conventie bespreken en de toevoeging ‘in conventie’ verder achterwege laten.

4.1.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. [appellanten c.s.] exploiteert een viskwekerij in [vestigingsplaats] waar met name meerval wordt gekweekt;

  2. [geïntimeerde] was via [B.V.] B.V. – van welke vennootschap [geïntimeerde] enig bestuurder en enig aandeelhouder is - bestuurder van Nevisma B.V. (verder: Nevisma), een vennootschap die op 22 december 2008 op eigen verzoek door de rechtbank Roermond in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mevrouw mr. E.W.J. Stals tot curator. [geïntimeerde] was voor 75% aandeelhouder van Nevisma. De resterende 25% van de aandelen werden gehouden door [aandeelhouder] Nevisma was een afnemer van vis van [appellanten c.s.];

  3. In de zomer van 2008 – op 8 augustus 2008 - heeft zich bij Nevisma een brand voorgedaan.

  4. Door [appellanten c.s.] zijn bij akte in conventie en conclusie van antwoord in reconventie in kopie twee producties (producties 13 en 14) overgelegd, beide gedateerd 8 september 2008, met respectievelijk het opschrift ‘Overeenkomst voor de inkoop van Meervalfilets’ en ‘Betreft: regeling voor de afbetaling van de open staande schuld van Nevisma BV tov Mts [maatschap]’. Beide stukken zijn ondertekend met twee handtekeningen onder respectievelijk de namen [geïntimeerde] en [appellant 1].
    Het geschrift betreffende de afbetalingsregeling (prod. 14) heeft de volgende inhoud: “Op 5 september staan de volgende posten van geleverde vis van Mts [maatschap] aan Nevisma BV nog open (….) Totaal € 48716,70 Deze schuld zal vanaf nu als 1 bedrag worden samengevat en zo spoedig mogelijk in gedeelten worden afgelost. (…..) Deze schuld wordt door Nevisma BV als [geïntimeerde] persoonlijk erkend.”

4.1.3.

[appellanten c.s.] vorderden in eerste aanleg van [geïntimeerde] een bedrag van € 83.945,88, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 7 januari 2009, en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten (met inbegrip van de beslagkosten van een ten laste van [geïntimeerde] gelegd conservatoir beslag), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de uitspraak. Met betrekking tot deze vordering stelde [appellanten c.s.] dat hij vanaf 13 maart 2008 voor in totaal € 72.287,07 aan Nevisma vis heeft geleverd waarvoor door Nevisma niet is betaald. [appellanten c.s.] heeft op 7 januari 2007 [geïntimeerde] persoonlijk aangesproken voor voormeld bedrag van (na aftrek van een betaald bedrag van € 3.000,=) € 83.945,88 (inclusief rente en kosten). Volgens [appellanten c.s.] is [geïntimeerde] persoonlijk tot betaling van dat bedrag gehouden omdat hij de aan Nevisma gefactureerde visleveranties in privé heeft verkocht en de opbrengsten van die verkopen in eigen zak heeft gestoken. [appellanten c.s.] achtten [geïntimeerde] persoonlijk voor voormelde schuld aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen c.q. bedrog c.q. bestuurdersaansprakelijkheid. In zijn akte in conventie heeft [appellanten c.s.] voorts verwezen naar de hiervoor (r.o. 4.1.1 sub d) gerelateerde productie 14 en gesteld dat [geïntimeerde] in die overeenkomst persoonlijk de daarin genoemde schuld heeft erkend. [geïntimeerde] betwist de als producties 13 en 14 overgelegde overeenkomsten en stelt dat de daarop onder zijn naam gestelde handtekening niet van hem is.

4.1.4.

Bij het tussenvonnis van 17 februari 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen in het vooruitzicht gesteld en overwogen (r.o. 2.2.2 vs 17 februari 2008) dat op de comparitie onder meer ter sprake zouden komen: de vraag of de producties 13 en 14 daadwerkelijk door [geïntimeerde] zijn ondertekend en de vraag of [geïntimeerde] zich persoonlijk borg had gesteld voor de betaling van de schuld van Nevisma. De rechtbank overwoog dat het haar voorshands voorkwam dat voor de eerste vraag een deskundigenbericht zou moeten worden ingewonnen. De partijen werden bij het vonnis van 17 februari 2010 in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Voor het geval de partijen geen deskundigenbericht zouden wensen werd bij voormeld vonnis een comparitie van partijen bepaald.

4.1.5.

Bij het tussenvonnis van 26 mei 2010 kwam de rechtbank met betrekking tot productie 14 tot een heroverweging. De rechtbank overwoog dat productie 14 een akte was waarin alleen verbintenissen van één partij (i.c. [geïntimeerde]) zijn vastgelegd. Daarmee was, zo overwoog de rechtbank, het bepaalde in art.158, eerste lid, op die akte van toepassing en kon deze akte geen dwingend bewijs opleveren omdat deze niet, zoals in art. 158 lid 1 voorgeschreven, geheel met de hand geschreven was. Bij voormeld tussenvonnis werd vervolgens een comparitie van partijen bepaald.

4.1.6.

Bij het eindvonnis van 3 augustus 2011 wees de rechtbank de vordering van [appellanten c.s.] af . De rechtbank beoordeelde de vordering van [appellanten c.s.] op vier grondslagen (r.o. 4.1 vs 3 augustus 2011):
I. persoonlijk onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] op grond van de zgn. Beklamelnorm (HR 6 oktober 1989, NJ 1990/260) doordat [geïntimeerde] namens de vennootschap een verplichting is aangegaan terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat vennootschap die verplichting niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden;

II. het door [geïntimeerde] in eigen zak stoppen van de opbrengst van de door Nevisma van [appellanten c.s.] gekochte en door [geïntimeerde] doorverkochte vis;

III. het door [geïntimeerde] zich als borg verbinden om de facturen in privé te voldoen;

IV. aansprakelijkheid van [geïntimeerde] op grond van art. 2:248 BW.

4.1.7.

[appellanten c.s.] heeft tegen het vonnis van 3 augustus 2011 zeven grieven en een bezemgrief aangevoerd. In grief 7 heeft hij daarbij grondslag IV gecorrigeerd in die zin dat hij het niet voeren van een boekhouding in de zin van art. 2:10 BW, het verrichten van paulianeuze rechtshandelingen, het doen van betalingstoezeggingen en het onbetaald laten van de facturen van [appellanten c.s.] eveneens aanmerkt als persoonlijk onrechtmatig handelen op de voet van art. 6:162 BW van [geïntimeerde] jegens hem.

4.2.1.

Grief 1 is gericht tegen het door de door de rechtbank in r.o. 2.2 van het bestreden vonnis vastgestelde feit dat [geïntimeerde] enig aandeelhouder is van Nevisma. Deze grief slaagt. Naar door [appellanten c.s.] is gesteld en door [geïntimeerde] niet is betwist was 75% van de aandelen in handen van [geïntimeerde]. De andere 25% van de aandelen werd gehouden door [aandeelhouder] Het hof heeft dit in de weergave van de feiten in r.o. 4.1.2 hersteld. Het slagen van grief 1 kan als zodanig niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

4.2.2.

Grief 2 behelst niet meer dan een door [appellanten c.s.] aan de overige grieven verbonden conclusie omtrent de (on)juistheid van het oordeel van de rechtbank zodat deze grief naast de andere grieven geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Voor de bezemgrief geldt hetzelfde. De enkele vermelding in die grief, dat [appellanten c.s.] het geschil in volle omvang aan het hof wil voorleggen, is onvoldoende om aan te nemen dat een door [appellanten c.s.] niet vermeld geschilpunt naast andere wel door hem in de grieven omlijnde bezwaren in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld (HR 3 februari 2006, NJ 2006, 120).

4.2.3.

Het hof zal de grieven 3 t/m 7 hierna tezamen bespreken.

4.3.1.

[appellanten c.s.] stelt, kort samengevat, dat de rechtbank bij de beoordeling van zijn vordering van de juiste grondslagen (zie hiervoor r.o. 4.1.6) is uitgegaan maar ten onrechte - behoudens de onder IV vermelde grondslag - zijn vordering op die grondslagen niet toewijsbaar heeft geoordeeld. [appellanten c.s.] erkent dat de aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van art. 2:248 BW - de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het tekort in het faillissement wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur met het onweerlegbare vermoeden van onbehoorlijk bestuur indien het bestuur niet aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 of 2:394 BW heeft voldaan - een aansprakelijkheid is waarop alleen de curator in het faillissement zich kan beroepen. Volgens [appellanten c.s.] is echter het niet voeren van een deugdelijke administratie ook onrechtmatig jegens de crediteuren op de voet van art. 6:162 BW en is in het ontbreken van administratie ook reden gelegen voor omkering van de bewijslast voor feiten die uit de administratie kenbaar zouden moeten zijn.

4.3.2.

[appellanten c.s.] verwijt de rechtbank dat zij ten onrechte uit de enkele feiten, dat door Nevisma nog twee van de drie na de brand gedane bestellingen zijn betaald en dat ook aan een andere leverancier ([leverancier]) nog leveranties van 26 september, 10 oktober en 17 oktober 2008 zijn betaald, heeft geconcludeerd dat niet zonder meer valt in te zien waarom [geïntimeerde] ten tijde van de onbetaald gebleven bestellingen van Nevisma zou hebben geweten of moeten weten dat Nevisma niet aan haar overeengekomen verplichtingen zou kunnen voldoen. Volgens [appellanten c.s.] miskent de rechtbank hierbij dat tussen hem en Nevisma/[geïntimeerde] bij de overeenkomsten van 8 september 2008 nadere afspraken zijn gemaakt. De nadien gedane betalingen zijn in overeenstemming met de op 8 september 2008 gemaakte afspraken. Nevisma/[geïntimeerde] had er, zo heeft [appellanten c.s.] bij het pleidooi in hoger beroep toegelicht, in verband met een voor de brand te verkrijgen schade-uitkering belang bij om de bedrijfsvoering van Nevisma voort te zetten. Dit heeft geresulteerd in de overeenkomsten van 8 september 2008 waarbij [geïntimeerde] enerzijds betaling heeft toegezegd van de door Nevisma tot dan toe onbetaald gelaten facturen uit de te verkrijgen verzekeringsuitkering (prod. 14) en [appellanten c.s.] zich anderzijds bereid heeft verklaard om Nevisma/[geïntimeerde] tot een voortzetting van de bedrijfsvoering in staat te stellen door leveranties van vis (via [leverancier]) tegen de in de overeenkomst van 8 september 2008 (prod. 13) overeengekomen voorwaarden. [appellanten c.s.] verwijt [geïntimeerde], naar het hof begrijpt, dat hij op 8 september 2008 voor de op dat moment openstaande schuld een betalingstoezegging heeft gedaan waarvan hij wist of behoorde te weten dat Nevisma die niet gestand zou kunnen doen. [appellanten c.s.] verwijt [geïntimeerde] dat hij hiermee bewust tegen beter weten in een schijn van kredietwaardigheid van Nevisma heeft opgewekt.

4.3.3.

Dit bij pleidooi nader toegelichte verwijt kan [appellanten c.s.] niet baten. Ook indien [geïntimeerde] op 8 september 2008 welbewust en tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben gegeven over een door Nevisma zullen voldoen van de op dat moment bestaande betalingsachterstand, is het uiteindelijk niet voldaan zijn van die achterstand niet een gevolg van die toezegging maar van het daarvoor reeds onbetaald gebleven zijn van die schulden. Die schulden zijn niet pas aangegaan op 8 september 2008, zodat een eventuele wetenschap van [geïntimeerde] van een niet kunnen betalen door Nevisma van die schulden op dat moment [geïntimeerde] niet op de voet van de Beklamelnorm kan worden verweten. Aan [geïntimeerde] zou op grond van die norm wel de niet-betaling van de op voormelde datum overeengekomen latere leveranties kunnen worden verweten maar ten aanzien van die leveranties heeft de rechtbank terecht overwogen dat gezien de nadien voor (een deel van) die leveranties gedane betalingen, niet kan worden gezegd dat [geïntimeerde] die leveranties is overeengekomen in de wetenschap dat Nevisma aan haar betalingsverplichting voor die leveranties niet zou kunnen voldoen. Grief 3, waarin [appellanten c.s.] de afwijzing van de rechtbank op voormelde grondslag bestrijdt, wordt daarom verworpen. Het hof voegt hieraan toe dat [appellanten c.s.] verder geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] de overeenkomsten die tot de per 8 september 2008 openstaande facturen hebben geleid is aangegaan in de - op het tijdstip van het aangaan van die verplichtingen bestaande - wetenschap dat Nevisma aan haar verplichtingen ter zake niet zou kunnen voldoen.

4.4.1.

Bij het pleidooi in hoger beroep heeft [appellanten c.s.] toegelicht dat zijn verwijt dat [geïntimeerde] opbrengsten van verkochte vis in eigen zak stak, zag op de periode vóór de brand. Volgens [appellanten c.s.] zou een en ander bij een deugdelijke administratie uit de administratie kunnen blijken en geldt hetzelfde voor ander onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens crediteuren van Nevisma. Volgens [appellanten c.s.] is er daarom reden om [geïntimeerde] met bewijs van het tegendeel te belasten.

4.4.2.

Dit - in de grieven 4 en 5 tot uitdrukking gebrachte - standpunt van [appellanten c.s.] moet worden verworpen. Een door het bestuur van een rechtspersoon niet voldaan zijn aan de administratieverplichting van art. 2:10 BW leidt tot onweerlegbare en weerlegbare bewijsvermoedens bij een aansprakelijkstelling van de bestuurder door de curator ten behoeve van de crediteuren in het faillissement van de rechtspersoon op de voet van art. 2:248 BW. Dat laat echter onverlet dat individuele crediteuren die een bestuurder op grond van art. 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk willen stellen voor door hen geleden schade daarvoor concrete feiten en omstandigheden dienen te stellen en, zo nodig, dienen te bewijzen. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat [appellanten c.s.] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld voor een dergelijk persoonlijk onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en/of voor een ten gevolge van zodanige concrete feiten en omstandigheden geleden schade. Het beroep van [appellanten c.s.] op omkering van de bewijslast behoeft geen bespreking. Ook de grieven 4 en 5 kunnen daarom geen doel treffen.

4.4.3.

Op grond van het voorgaande wordt ook grief 7 verworpen. Het is niet onmogelijk dat een individuele crediteur de bestuurder van een gefailleerde vennootschap persoonlijk aansprakelijk stelt voor schade die hij heeft geleden ten gevolge van een aan die bestuurder te verwijten onrechtmatig handelen maar het moet dan wel gaan om een specifiek jegens die individuele crediteur gepleegd onrechtmatig handelen. Een handelen van [geïntimeerde] als bestuurder van Nevisma dat als kennelijk onbehoorlijk bestuur kan worden aangemerkt waardoor de gezamenlijke crediteuren zijn benadeeld, is daarvoor niet voldoende. Voor een individuele aanspraak dient door de individuele crediteur een specifiek feitencomplex te worden gesteld op grond waarvan tot een specifiek jegens hem gepleegde onrechtmatige daad en een specifiek door hem daardoor geleden schade kan worden geconcludeerd. Een dergelijk specifiek feitencomplex is door [appellanten c.s.] niet, althans onvoldoende gesteld.

4.5.1.

In grief 6 komt [appellanten c.s.] op tegen de verwerping door de rechtbank van zijn stelling dat [geïntimeerde] zich in de in r.o. 4.1.2 onder d gerelateerde productie 14 persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de per 8 september 2008 vastgestelde schuld van Nevisma aan [appellanten c.s.]

4.5.2.

Het hof acht deze grief in zoverre gegrond dat de rechtbank de stelling van [appellanten c.s.] dat [geïntimeerde] zich bij voormelde overeenkomst borg heeft gesteld voor de per 8 september openstaande schuld van Nevisma niet zonder meer kon passeren op de grond dat voormelde overeenkomst voor meer dan één uitleg vatbaar was. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten c.s.] voldoende duidelijk gesteld dat de overeenkomst in productie 14 inhield dat [geïntimeerde] zich persoonlijk aansprakelijk stelde voor de op dat moment openstaande schuld van Nevisma. [geïntimeerde] betwistte die overeenkomst te zijn aangegaan en te hebben ondertekend maar voerde niet het verweer dat die overeenkomst in enige andere zin zou moeten worden uitgelegd dan door [appellanten c.s.] gesteld. Daarmee is naar het oordeel van het hof de betwisting van [geïntimeerde] beperkt tot de vraag òf [geïntimeerde] al dan niet de in productie 14 neergelegde overeenkomst is aangegaan.

4.5.3.

Het hof acht hiermee, anders dan de rechtbank, de vraag of de als handtekening van [geïntimeerde] in de producties 13 en 14 geplaatste handtekening wel of niet door [geïntimeerde] is geplaatst wel relevant. Ook al zou aan productie 14 op grond van het bepaalde in art. 158 Rv geen dwingende bewijskracht toekomen, dan laat dat onverlet dat aan dat geschrift in elk geval vrije bewijskracht toekomt. Overigens deelt het hof niet het oordeel van de rechtbank op dit punt. Naar het oordeel van het hof is op grond van lid 2 van voormeld artikel art. 158 lid 1 in dit geval niet van toepassing nu [geïntimeerde] de door [appellanten c.s.] gestelde overeenkomst van productie 14 aanging in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep.

4.5.4.

Gelet op het hiervoor overwogene en in aanmerking nemende dat ingevolge art. 159 lid 2 Rv aan een geschrift als productie 14 alleen dwingend bewijs kan worden ontleend indien de - door [geïntimeerde] betwiste - echtheid van de (als die van [geïntimeerde] geplaatste) handtekening wordt bewezen, acht het hof het opportuun om alsnog een onderzoek te doen plaatsvinden door een handschriftkundige om vast te stellen of de in de productie 14 (door [appellanten c.s.] overgelegd bij akte in conventie en conclusie van antwoord in reconventie van 13 januari 2010) onder de naam van [geïntimeerde] geplaatste handtekening van Thijsen afkomstig is en/of aan te geven in welke de mate van waarschijnlijkheid dit de handtekening van [geïntimeerde] is. Nu beide partijen zich in eerste aanleg al hebben kunnen uitlaten en hebben uitgelaten over het voornemen van een dergelijk deskundigenbericht, aantal en persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen, zal het hof bij dit arrest direct tot zodanige benoeming overgaan. In de akte na het tussenvonnis van 17 februari 2010 - waarin de rechtbank de benoeming van één deskundige voorstelde en twee aan de deskundige voor te leggen vragen formuleerde (r.o. 2.2.5) - heeft [appellanten c.s.] de gerechtelijk handschriftkundige mevrouw R. ter Kuile-Haller als deskundige voorgesteld en te kennen gegeven dat hij zich kon vinden in de door de rechtbank voorgestelde vragen. In r.o. 1.2 van het tussenvonnis van 26 mei 2010 is vermeld dat [geïntimeerde] de keuze aan de rechtbank heeft overgelaten.

4.5.5.

Het hof zal, gelet op voormelde uitlatingen van partijen, tot deskundige benoemen:

Mevrouw R. ter Kuile-Haller,

[adres],

[postcode] [woonplaats]

(tel. [telefoonnummer])

en aan de deskundige de volgende vragen voorleggen:

1. Is de handtekening die in productie 14 is geplaatst onder de naam van [geïntimeerde] afkomstig van [geïntimeerde]? Kunt u, voor zover relevant, aangeven met welke mate van waarschijnlijk die handtekening van [geïntimeerde] afkomstig is?

2. Zijn de handtekeningen onder de naam van [geïntimeerde] in de producties 13 en 14 (met enige mate van waarschijnlijkheid) van dezelfde persoon afkomstig?

3. Hebt u verder nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

4.5.6.

Het hof merkt volledigheidshalve op dat, gelet op het bepaalde in art. 160 Rv, alleen de originele schriftelijke overeenkomsten van de producties 13 en 14 tot dwingend bewijs kunnen strekken. Aan andere afschriften dan die vermeld in art. 160 lid 2 Rv komt alleen vrije bewijskracht toe.

4.5.7.

Aangezien de bewijslast van de echtheid van de handtekening van [geïntimeerde] op [appellanten c.s.] rust, zal het voorschot voor de deskundige voorshands ten laste van [appellanten c.s.] worden gebracht.

4.5.8.

De deskundige dient eventuele nadere informatie die zij nodig heeft en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.

4.6.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

5.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 4.5.5 van dit arrest geformuleerde vragen;

5.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:


Mevrouw R. ter Kuile-Haller,

[adres],

[postcode] [woonplaats]

(tel. [telefoonnummer]);

5.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

5.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

5.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.600,= (incl. btw), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat partij [appellanten c.s.] laatstgenoemd bedrag binnen twee weken na heden zal overmaken naar IBAN-rekeningnummer NL53 RBOS 0569 990572 ten name van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.108.819/01;

verzoekt de deskundige, indien haar kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

5.6.

benoemt mr. J.A.M. van Schaik-Veltman tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

5.7.

verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2014 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van [appellanten c.s.];

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman,

L.R. van Harinxma thoe Slooten en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 mei 2014.