Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1402

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
20-003821-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor verkopen van heroïne, vrijspraak van witwassen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003821-13

Uitspraak : 20 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 21 november 2013 in de strafzaak met parketnummer

02-705179-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd -

1. (

medeplegen van) verkopen van heroïne, meermalen gepleegd;

2.

verkopen van heroïne;

3.

witwassen

veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan

6

maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op (kort gezegd: de handel in) cocaïne.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof deze deelvrijspraak geen zogenaamde beschermde vrijspraak. Het hof beschouwt de ten laste gelegde handel in cocaïne immers niet als een impliciet cumulatief ten laste gelegd feit ten opzichte van de handel in heroïne in dezelfde ten laste gelegde periode.

Het onder 1 ten laste gelegde is daarom in zijn geheel aan het oordeel van het hof onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof niet komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 10 juni 2013 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (gebruikers)hoeveelheden cocaïne en/of heroïne (diacetylmorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 11 juni 2013 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad (in totaal) 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine), zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 te Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een voorwerp, te weten hoeveelheden geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten die hoeveelheden geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, te weten de handel in verdovende middelen (harddrugs).

Vrijspraak

Deelvrijspraak feit 1

Evenals de rechtbank acht het hof het onder 1 ten laste gelegde verkopen (etc.) van cocaïne niet bewezen, zodat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 3

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde witwassen zijn slechts de eigen opgaven van de verdachte – zijn verklaringen bij de politie en ter terechtzitting, alsmede een brief van de verdachte aan de raadkamer – als bewijsmiddelen voorhanden.

Ingevolge artikel 341, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de opgaven van de verdachte.

De verdachte zal daarom bij gebrek aan wettig bewijs worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1A.
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 februari 2013 te Vlissingen telkens opzettelijk heeft verkocht (gebruikers)hoeveelheden heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1B.
hij op tijdstippen in de periode van 10 februari 2013 tot en met 10 juni 2013 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens opzettelijk heeft verkocht (gebruikers)hoeveelheden heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;


2.
hij op 11 juni 2013 te Vlissingen opzettelijk heeft verkocht 0,2 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

1A. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

1B. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod is strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde een gevangenisstraf van drie jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk, gevorderd.

De raadsman heeft ten aanzien van de op te leggen straf betoogd dat de handel in heroïne niet gedurende de gehele ten laste gelegde periode van 1 januari 2012 tot en met

11 juni 2013 intensief is geweest. Bepleit is dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstaf, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van het ondergane voorarrest, en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan heroïnehandel. Gedurende circa de laatste vier maanden van die periode was de handel als intensief te kenmerken; de verdachte heeft in die periode ook anderen bij zijn handel betrokken. Ten opzichte van zijn mededaders vervulde de verdachte een leidinggevende of sturende rol in het bewezen verklaarde.

Heroïne levert grote gevaren voor de gezondheid van de gebruikers op. Bovendien trachten gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel gedrag te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De verdachte heeft zich hiervan kennelijk geen rekenschap gegeven en zich slechts laten leiden door financieel gewin.

Gelet op het vorenstaande – daarbij aanmerking genomen de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd – kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Het hof acht derhalve, hoewel het niet komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde, een gevangenisstraf van de door de rechtbank opgelegde duur passend en geboden.

Een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest brengt, ook in combinatie met een taakstraf van 240 uren, de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking.

Met oplegging van voornoemde deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.J. van der Kaaden, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 20 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.