Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1348

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
HD 200.126.394_01 en HD 200.126.393_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht tot reclame, werkzaamheden accountant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.126.394/01 en HD 200.126.393/01

arrest van 13 mei 2014

in de zaak HD 200.126.394/01 van

[holding] Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg,

tegen

RSM [RSM] Services N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.H.S. Thomassen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Venlo, onder zaaknummer 326847/CV EXPL 11-4840 gewezen vonnis van 16 januari 2013 tussen appellante – [holding] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde – RSM – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

en in de zaak HD 200.126.393/01 van

[industries] Industries B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg,

tegen

RSM [RSM] Services N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.H.S. Thomassen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/04/113170 / HA ZA 11-649 gewezen vonnis van 16 januari 2013 tussen appellante – [industries] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en RSM als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen alsmede naar de daaraan voorafgaande vonnissen van 25 april 2012.

Het hof merkt op dat het vonnis van de kantonrechter en van de rechtbank inhoudelijk gelijkluidend zijn, met dien verstande dat alleen de vordering in conventie van RSM in de zaken een verschillend bedrag betreft.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure in de zaak HD 200.126.394/01 blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met twee producties;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de door RSM overgelegde algemene voorwaarden;

- de akten houdende uitlating van beide partijen.

Het verloop van de procedure in de zaak HD 200.126.393/01 blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met twee producties;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben in beide zaken arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memories van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het hof merkt op dat de memories van grieven inhoudelijk gelijkluidend zijn, met dien verstande dat de vordering een verschillend bedrag betreft. Het hof zal, waar nodig, aangeven om welke vordering het gaat.

4.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2.1.

Op verzoek van [holding] heeft onder andere RSM op 4 december 2009 een offerte uitgebracht voor accountancy werkzaamheden voor [holding] en [industries] met betrekking tot het boekjaar 2009 en volgende. [holding] is 100% aandeelhoudster van onder meer [industries]. RSM heeft de kosten verbonden aan haar dienstverlening over het boekjaar 2009 geraamd op, inclusief een overeengekomen korting van € 2.500,-, € 24.000,-.

4.2.2.

Tussen partijen zijn overeenkomsten van opdracht gesloten met betrekking tot de jaarrekeningen 2008 en 2009 van [holding] en [industries], beide gedateerd op 3 maart 2010.

4.2.3.

In de door beide partijen ondertekende opdrachtbevestiging jaarrekening 2008 is onder ander het volgende opgenomen:

“Ons honorarium is gebaseerd op de tijdsbesteding van ons controleteam, inclusief te maken kosten. De individuele uurtarieven zijn in overeenstemming met de mate van verantwoordelijkheid en de vereiste ervaring en bekwaamheid van elk der teamleden. Ons honorarium voor verrichte werkzaamheden zal maandelijks in rekening worden gebracht op basis van de voortgang daarvan. De betalingstermijn bedraagt 30 dagen.

(...)

Op onze dienstverlening zijn onze Algemene Voorwaarden van toepassing, waarvan u bijgaand een exemplaar aantreft.

(...)

Door ondertekening van deze opdrachtbevestiging verklaart u zich bekend met de toepasselijkheid van bijgevoegde Algemene Voorwaarden en stemt u daarmee in.”.

4.2.4.

In de door beide partijen ondertekende opdrachtbevestiging jaarrekening 2009 is onder andere het volgende opgenomen:

‘Ons honorarium is gebaseerd op de tijdsbesteding van ons controleteam, inclusief te maken kosten. De individuele uurtarieven zijn in overeenstemming met de mate van verantwoordelijkheid en de vereiste ervaring en bekwaamheid van elk der teamleden. Ons honorarium voor verrichte werkzaamheden zal maandelijks in rekening worden gebracht op basis van de voortgang daarvan. De betalingstermijn bedraagt 30 dagen. Ten aanzien van het afgesproken budget voor het boekjaar 2009 verwijzen wij naar de getekende offerte d.d. 3 december 2009.

(...)

Op onze dienstverlening zijn onze Algemene Voorwaarden van toepassing, waarvan u bijgaand een exemplaar aantreft.

(...)

Door ondertekening van deze opdrachtbevestiging verklaart u zich bekend met de toepasselijkheid van bijgevoegde Algemene Voorwaarden en stemt u daarmee in.”.

4.2.5.

Facturen van de op grond van genoemde overeenkomsten van opdracht door RSM verrichte werkzaamheden met betrekking tot [holding] zijn - na sommatie - tot een bedrag van € 18.200,82 inclusief btw onbetaald gebleven.

Het betreft de volgende facturen:

Nummer

Datum

Openstaand bedrag incl btw

[factuurnummer 1.]

27-10-2010

€ 3.570,00

[factuurnummer 2.]

12-11-2010

€ 1.125,15

[factuurnummer 3.]

22-12-2010

€ 1.664,33

[factuurnummer 4.]

28-02-2011

€ 651,53

[factuurnummer 5.]

24-03-2011

€ 7.001,72

[factuurnummer 6.]

20-04-2011

€ 3.663,30

[factuurnummer 7.]

18-05-2011

€ 524,79.

4.2.6.

Facturen van de op grond van genoemde overeenkomsten van opdracht door RSM verrichte werkzaamheden met betrekking tot [industries] zijn - na sommatie - tot een bedrag van € 54.910,35 inclusief btw onbetaald gebleven.

Het betreft de volgende facturen:

Nummer

Datum

Openstaand bedrag incl btw

[factuurnummer 8.]

27-10-2010

€ 15.903,76

[factuurnummer 9.]

12-11-2010

€ 4.799,51

[factuurnummer 10.]

24-12-2010

€ 24.220,01

[factuurnummer 11.]

26-01-2011

€ 783,85

[factuurnummer 12.]

28-02-2011

€ 6.125,05

[factuurnummer 13.]

24-03-2011

€ 478,02

[factuurnummer 14.]

20-04-2011

€ 2.600,15.

4.2.7.

RSM heeft met betrekking tot voormelde totaalbedragen conservatoir (derden)beslag doen leggen.

4.3.1.

RSM heeft in conventie gevorderd om [holding] en [industries] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.200,82 respectievelijk € 54.910,35, te vermeerderen met de verzuimrente ad 1% per maand althans met de wettelijke handelsrente vanaf de 31e dag na de factuurdatum tot de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de beslagkosten, met veroordeling van [holding] en [industries] in de kosten van de procedure.

4.3.2.

[holding] en [industries] hebben in reconventie onder meer gevorderd om RSM te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 26.746,68, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, alsmede te bepalen dat RSM alle door haar gelegde beslagen dient op te heffen binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat het beslag voortduurt, met veroordeling van RSM in de kosten van de procedure, zulks met veroordeling van RSM in de kosten van de procedure.

[industries] heeft hierbij tevens gevorderd RSM te veroordelen tot betaling van een bedrag van totaal € 388,50 ter zake kosten van het gelegde beslag, alsmede tot betaling van een bedrag van € 100,00 per maand aan provisie vanaf december 2011 tot de dag dat de afgegeven bankgarantie wordt opgeheven, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

4.4.

RSM heeft aan haar vorderingen, behalve de hiervoor in r.o. 4.2.1 tot en met 4.2.7 weergegeven vaststaande feiten, ten grondslag gelegd dat zij ten aanzien van de jaarrekening 2008 met [holding] en [industries] geen maximumbedrag is overeengekomen en dat tussen partijen is afgesproken te declareren op basis van uren maal tarief, omdat RSM niet de beschikking had over een (goed) balansdossier zodat zij geen inschatting kon maken van de hoeveelheid werkzaamheden die verricht moest worden. Gebleken is dat de hoeveelheid werkzaamheden voor 2008 aanzienlijk groter was dan die voor 2009. Voor 2009 is tussen partijen een maximumbedrag overeengekomen.

Verder doet RSM een beroep op de Algemene Voorwaarden die zij toepasselijk acht en verwijst naar artikel VIII van deze Algemene Voorwaarden. Volgens RSM hebben [holding] en [industries] niet binnen de in dit artikel genoemde termijn gereclameerd ten gevolge waarvan het recht van reclame is vervallen.

[holding] en [industries] hebben verweer gevoerd.

4.5.

[holding] en [industries] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de vordering in conventie wegens tekortkomingen van RSM in de nakoming van de overeenkomst dient te worden afgewezen en dat zij recht op terugbetaling hebben van de gevorderde bedragen in verband met de reeds door hen voldane facturen.

RSM heeft de vordering betwist.

4.6.

De kantonrechter en rechtbank hebben allereerst geoordeeld dat de Algemene Voorwaarden toepasselijk zijn op de tussen partijen bestaande overeenkomsten van opdracht. Vervolgens hebben de kantonrechter en rechtbank geoordeeld dat [holding] c.q. [industries] te laat schriftelijk heeft gereclameerd, zodat hun recht tot reclame ingevolge het bepaalde in artikel VIII van de Algemene Voorwaarden is vervallen. Op grond hiervan zijn de vorderingen in conventie toegewezen in die zin dat [holding] en [industries] veroordeeld zijn tot betaling aan RSM van een bedrag van € 18.200,62 respectievelijk € 54.910,35 te vermeerderen met de wettelijk handelsrente vanaf de 31e dag na factuurdatum tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast zijn [holding] en [industries] veroordeeld tot betaling van de beslagkosten en in de proceskosten.

De kantonrechter en rechtbank hebben de vorderingen in reconventie afgewezen, nu [holding] en [industries] de openstaande facturen dienden te voldoen omdat hun recht tot reclame is vervallen. [holding] en [industries] zijn hierbij tevens in de proceskosten veroordeeld.

4.7.

[holding] en [industries] kunnen zich met dit vonnis niet verenigen en komen hiervan in hoger beroep. Zij hebben tegen de bestreden vonnissen ieder vier - gelijkluidende - grieven opgeworpen.

In grief I stellen [holding] en [industries] - kort gezegd - dat de kantonrechter dan wel de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de algemene voorwaarden, versie (naar het hof begrijpt: september) 2006, op genoemde overeenkomsten van toepassing zijn.

De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dan wel rechtbank dat het recht van reclame van [holding] en [industries] is komen te vervallen omdat niet binnen de in de algemene voorwaarden, versie september 2006, bepaalde termijn van 14 dagen schriftelijk is gereclameerd.

Hierdoor heeft de kantonrechter dan wel rechtbank ten onrechte overwogen dat, bij gebrek aan belang, zij niet meer de overige stellingen van [holding] en [industries] hoefde te behandelen, waarna zij de vorderingen van RSM heeft toegewezen (grief III).

In grief IV stellen [holding] en [industries] dat de kantonrechter dan wel rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen.

4.8.

Het hof zal eerst in gaan op grief II. Bij deze grief is de vraag aan de orde of [holding] en [industries] tijdig hebben gereclameerd tegen de door RSM in rekening gebrachte werkzaamheden. RSM heeft in eerste aanleg verwezen naar artikel VIII van de algemene voorwaarden (recht van reclame) en gesteld dat [holding] en [industries] niet tijdig hebben gereclameerd ten gevolge waarvan het recht van reclame is vervallen. Dit wordt door [holding] en [industries] gemotiveerd betwist.

4.9.

Nog afgezien van de vraag welke versie van de algemene voorwaarden van toepassing is, zal het hof artikel VIII van de algemene voorwaarden waar RSM een beroep op doet, citeren. In dit artikel staat het volgende:

“VIII RECLAMES

Een reclame ten aanzien van bepaalde Werkzaamheden schort de betalingsverplichting van de Opdrachtgever niet op. Reclames ten aanzien van het bedrag der declaratie dienen op straffe van verval van het recht van reclame binnen 14 dagen na verzending van de declaratie schriftelijk aan Opdrachtnemer kenbaar gemaakt te worden. Reclames ten aanzien van omvang/kwaliteit/-tijdigheid van bepaalde Werkzaamheden dienen op straffe van verval van het recht van reclame te geschieden binnen 14 dagen na de dag waarop de klacht aan Opdrachtgever bekend is geworden, respectievelijk redelijkerwijs bekend had moeten zijn en wel schriftelijk onder duidelijke opgave van de klacht. Ingeval van een gerechtvaardigde reclame heeft Opdrachtnemer de keuze tussen aanpassing van het door haar in rekening gebrachte honorarium, het kosteloos verbeteren of opnieuw verrichten van de terecht afgekeurde Werkzaamheden of het geheel of gedeeltelijk niet (meer) uitvoeren van de opdracht tegen pro rato restitutie van door Opdrachtgever ter zake reeds betaalde bedragen.”.

4.10.

Vaststaat dat [holding] en [industries] de tot en met 20 september 2010 gedateerde facturen van RSM hebben voldaan (zie prod. 1 cva). Partijen zijn het erover eens dat er extra werkzaamheden uitgevoerd dienden te worden, hetgeen tot gevolg had dat er ook extra door RSM gedeclareerd werd. Op het moment dat RSM voor de werkzaamheden van september 2010 op 27 oktober 2010 een bedrag van ruim € 19.000,00 aan [holding] en [industries] in rekening had gebracht, is mevrouw [directeur Holding en Industries], als directeur werkzaam bij [holding] en [industries], nagegaan hoeveel er tot dan toe gedeclareerd was. Zij constateerde dat er al ruim € 75.000 gedeclareerd was en dat dit niet in lijn was met de gemaakte afspraken. Na ontvangst van de factuur van 27 oktober 2010 heeft mevrouw [directeur Holding en Industries] telefonisch contact opgenomen met RSM naar aanleiding waarvan RSM op 3 november 2010 per e-mail een specificatie van de facturen had verstuurd. Hierna zijn de betalingen van de facturen van RSM door [holding] en [industries] opgeschort.

Het hof overweegt dat hier sprake is van reclame ten aanzien van de omvang van de werkzaamheden. Op grond van de algemene voorwaarden dient gereclameerd te worden binnen 14 dagen na de dag waarop de klacht aan [holding] en [industries] bekend is geworden dan wel bekend had moeten zijn. Naar het oordeel van het hof is dit op het moment dat mevrouw [directeur Holding en Industries] aan RSM om specificaties heeft gevraagd van het tot dan toe gefactureerde totaalbedrag. Dat er gevraagd wordt om specificaties en het feit dat de betalingen van de facturen vanaf 27 oktober 2010 door [holding] en [industries] zijn opgeschort, is naar het oordeel van het hof voldoende om als klacht aangemerkt te worden. RSM heeft ter zitting ook desgevraagd aangegeven dat [holding] en [industries] de betaling hadden opgeschort omdat zij vonden dat de kosten te hoog werden. Het hof is van oordeel dat dan ook tijdig geklaagd is. Men kan immers pas klagen dat er teveel is gedeclareerd als voor de klager vast staat dat er teveel is gedeclareerd, althans als voor een oplettende klager redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er in zijn visie teveel kosten in rekening worden gebracht. Van een klager kan in beginsel niet worden verwacht dat hij klaagt voordat hij een specificatie heeft ontvangen over de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden. Uit de ontvangst van ongespecificeerde facturen kan immers niet worden afgeleid dat teveel in rekening wordt gebracht.

Gezien de tussen partijen vaststaande omstandigheid dat RSM op 3 november 2010, naar aanleiding van het telefonisch contact met mevrouw [directeur Holding en Industries] over de omvang van de tot dan toe gedeclareerde werkzaamheden, per e-mail een specificatie van haar facturen aan [holding] en [industries] heeft opgestuurd, acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [holding] en [industries] tegen te werpen dat hun eerste klacht – anders dan in artikel VIII van de algemene voorwaarden van RSM is voorgeschreven - niet in de schriftelijke vorm is geuit, te minder nu niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat RSM, enkel doordat aanvankelijk niet schriftelijk is geklaagd, in haar verweermogelijkheden is geschaad.

4.11.

Nu het hof van oordeel is dat [holding] en [industries] tijdig gereclameerd hebben over de omvang van de werkzaamheden, komt het hof niet toe aan de vraag welke versie van de algemene voorwaarden op de overeenkomsten tussen partijen van toepassing is. [holding] en [industries] hebben derhalve geen belang bij behandeling van grief I.

4.12.

De vraag is vervolgens of RSM een redelijke prijs heeft gerekend voor de werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd. Het hof acht op dit punt deskundigenonderzoek noodzakelijk. Het hof verwijst hiertoe naar productie 1 van de conclusie van antwoord waarin [holding] en [industries] de door RSM in rekening gebrachte werkzaamheden hebben gespecificeerd. Dit overzicht is door RSM niet betwist.

4.13.

Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:

1. Kunt u een gespecificeerde omschrijving geven van de door RSM in opdracht van [holding] en [industries] feitelijk verrichte werkzaamheden zoals deze met elk van de 31 op het overzicht (zie prod. 1 bij de conclusie van antwoord) genoemde facturen aan [holding] en [industries] in rekening zijn gebracht?

2. In hoeverre waren de in vraag 1 bedoelde werkzaamheden noodzakelijk en onvermijdelijk in verband met een behoorlijke uitvoering door accountantskantoor RSM als redelijk ervaren en deskundig opdrachtneemster van de opdrachten van [holding] en [industries]? Wilt u het antwoord op deze vraag specificeren per op het in vraag 1 genoemde overzicht vermelde factuur van RSM?

3. Als uw antwoord op vraag 2 is dat ten aanzien van een of meer van de 31 facturen op het overzicht de verrichte werkzaamheden omvangrijker waren dan noodzakelijk en onvermijdelijk in de in die vraag bedoelde betekenis, wilt u dan per factuur in uren uitdrukken in welke mate de omvang van de verrichte, in rekening gebrachte werkzaamheden groter was dan conform de in vraag 2 omschreven norm?

4. Kunt u nagaan in hoeverre er, gelet op de offerte van 4 december 2009 voor de accountancy werkzaamheden voor [holding] en [industries] voor het boekjaar 2009, naast de begrote € 24.000,00, extra werkzaamheden die naast het opstellen van de jaarrekeningen zijn verricht, in rekening gebracht zijn, of vielen deze werkzaamheden onder de offerte?

5. Wilt u, voor zover het antwoord op vraag 4 luidt dat sprake is van extra werkzaamheden die buiten de offerte van 4 december 2009 vielen, een specificatie geven van de omvang van die extra werkzaamheden in uren en van de bedragen die ter zake aan [holding] en [industries] in rekening zijn gebracht?

6. Wilt u ook ten aanzien van die extra werkzaamheden in uren uitdrukken in welke mate de omvang van de verrichte, in rekening gebrachte extra werkzaamheden – voor zover daarvan sprake is - groter was dan conform de in vraag 2 omschreven norm?

7. Welke opmerkingen zijn eventueel nog van belang voor de door het hof te nemen beslissing?

4.14.

Beide partijen hebben zich reeds bij akte uitgelaten dat volstaan kan worden met benoeming van één deskundige. Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige. Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige voor te leggen vragen.

4.15.

Het hof is, gelet op de omstandigheden van dit geding, voornemens het door de deskundige verlangd voorschot voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen.

4.16.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de zaak eerst naar de rol worden verwezen voor het nemen van akten.

4.17.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

in de zaken HD 200.126.394/01 en HD 200.126.393/01:

verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2014 voor akte na tussenarrest aan de zijde van [holding] en [industries] met de hiervoor in rechtsoverweging 4.14. vermelde doeleinden, waarna RSM in de gelegenheid zal worden gesteld bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, W.H.B. den Hartog Jager en M. Breur en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 mei 2014.