Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1314

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
20-004758-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging tot afpersing. Het hof oordeelt dat er tussen verdachte en zijn mededader sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger, omdat verdachte gedurende de uitvoering van het strafbare feit aanwezig en betrokken is geweest, terwijl hem duidelijk moet zijn geweest wat zich afspeelde. Verdachte is voorts steeds met zijn mededader meegelopen en ook na afloop van het incident zijn zij samen weggerend en werden zij samen aangetroffen door de politie. Het hof oordeelt dat dit gedrag van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvormen is te duiden als een bewuste bijdrage aan het handelen van zijn mededader.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004758-11

Uitspraak : 9 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 14 december 2011, parketnummer 02-800730-11 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-800745-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

wonende te [woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - feit 1 (poging tot afpersing in vereniging) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur dan 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Als bijzondere voorwaarde heeft de rechtbank bevolen dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van reclasseringsinstelling Novadic Kentron en dat hij zal deelnemen aan enkele gedragsinterventies.

De rechtbank heeft voorts beslist op bovenvermelde vordering tot tenuitvoerlegging.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit (zo begrijpt het hof:) dat het hof verdachte zal vrijspreken van het hem primair (en subsidiair) ten laste gelegde, primair vanwege het gebrek aan bewijs voor medeplegen, subsidiair vanwege vrijwillige terugtred. Meer subsidiair, indien het hof evenwel tot enige bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair


hij op of omstreeks 03 juli 2011 te Tilburg, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, de Tjalkstraat en/of Galjoenstraat, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- het bijrijdersportier van het voertuig waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft/hebben geopend en/of (vervolgens)

- naast die [slachtoffer] op de bijrijdersstoel is/zijn gaan zitten en/of

- over de broekzak van die [slachtoffer] (waarin zich een mobiele telefoon bevond) heeft/hebben gewreven en/of

- meermalen, althans eenmaal, (op harde, dwingende toon) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij zijn telefoon moest geven en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] (toen hij uit de auto wilde stappen) aan zijn armen en/of benen en/of broek heeft/hebben vastgepakt en/of heeft/hebben geprobeerd hem terug in de auto te trekken en/of

- ( toen [slachtoffer] weg wilde lopen) hem achterna is/zijn gelopen en/of (vervolgens) - die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of tegen een gevel heeft/hebben gedrukt en/of - (nogmaals) meermalen, althans eenmaal, (op dwingende toon) tegen [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geef je mobiel" en/of

- met zijn gezicht vlak tegen het gezicht van [slachtoffer] is/zijn gaan staan en/of

- [slachtoffer] in het gezicht (tegen de neus) heeft/hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, inden het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte] op of omstreeks 03 juli 2011 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan hem, verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- het bijrijdersportier van het voertuig waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft/hebben geopend en/of (vervolgens)

- naast die [slachtoffer] op de bijrijdersstoel is/zijn gaan zitten en/of

- over de broekzak van die [slachtoffer] (waarin zich een mobiele telefoon bevond) heeft/hebben gewreven en/of

- meermalen, althans eenmaal, (op harde, dwingende toon) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij zijn telefoon moest geven en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] (toen hij uit de auto wilde stappen) aan zijn armen en/of benen en/of broek heeft/hebben vastgepakt en/of heeft/hebben geprobeerd hem terug in de auto te trekken en/of

- ( toen [slachtoffer] weg wilde lopen) hem achterna is/zijn gelopen en/of (vervolgens) - die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of tegen een gevel heeft/hebben gedrukt en/of - (nogmaals) meermalen, althans eenmaal, (op dwingende toon) tegen [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geef je mobiel" en/of

- met zijn gezicht vlak tegen het gezicht van [slachtoffer] is/zijn gaan staan en/of - [slachtoffer] in het gezicht (tegen de neus) heeft/hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 03 juli 2011 te Tilburg en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door in de deuropening van de auto te blijven staan terwijl [medeverdachte] in de auto zat en/of met [medeverdachte] achter [slachtoffer] aan te lopen (toen die [slachtoffer] weg wilde lopen) en/of naast die [slachtoffer] te staan terwijl [medeverdachte] die [slachtoffer] vastpakte en/of [slachtoffer] tegen een gevel drukte, in ieder geval aanwezig te zijn bij het door [medeverdachte] toegepaste geweld en/of bedreiging met geweld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 03 juli 2011 te Tilburg ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, op of aan de openbare weg, de Galjoenstraat, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer], welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- het bijrijdersportier van het voertuig waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft geopend en (vervolgens)

- naast die [slachtoffer] op de bijrijdersstoel is gaan zitten en

- over de broekzak van die [slachtoffer] (waarin zich een mobiele telefoon bevond) heeft gewreven en

- meermalen (op harde, dwingende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zijn telefoon moest geven en (vervolgens)

- die [slachtoffer] (toen hij uit de auto wilde stappen) heeft vastgepakt en heeft geprobeerd hem terug in de auto te trekken en

- ( toen [slachtoffer] weg wilde lopen) hem achterna is gelopen en (vervolgens)

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en tegen een gevel heeft gedrukt en

- ( nogmaals) meermalen (op dwingende toon) tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Geef je mobiel" en

- met zijn gezicht vlak tegen het gezicht van [slachtoffer] is gaan staan en

- [slachtoffer] in het gezicht (tegen de neus) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het medeplegen van een poging tot afpersing van [slachtoffer] (het primair ten laste gelegde). Daartoe heeft de raadsman naar voren gebracht dat van een nauwe en bewust samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet kan worden gesproken, omdat uit het dossier niet blijkt van een taakverdeling of van afspraken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en dat evenmin is gebleken van een vooropgezet gemeenschappelijk plan. De raadsman heeft voorts bepleit dat dat verdachte weliswaar aanwezig was bij het ten laste gelegde incident, maar dat hij zich niet bewust was van het feit dat medeverdachte [medeverdachte] gepoogd heeft [slachtoffer] af te persen, zodat het opzet bij verdachte ontbreekt.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte vrijwillig is teruggetreden zodat een poging niet bewezen kan worden.

Het hof overweegt als volgt.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof stelt op grond van het dossier, in het bijzonder de verklaring van verdachte zelf, vast dat hij aanwezig was bij het ten laste gelegde incident. Anders dan de verdediging, maar overeenkomstig de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof voorts van oordeel dat er tussen verdachte en zijn mededader sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger in de ten laste gelegde zin.

Uit de aangifte van [slachtoffer] (dossierpagina 8-15) blijkt dat verdachte samen met zijn mededader naar de auto van aangever is gelopen en dat zij met zijn tweeën bij het bestuurdersportier kwamen staan. Verdachte is vervolgens met [medeverdachte] naar het bijrijdersportier gelopen en bleef in de deuropening van het bijrijdersportier staan, toen [medeverdachte] op de bijrijdersstoel is gaan zitten en aangever sommeerde om zijn telefoon af te geven.

Toen aangever probeerde weg te komen, is verdachte met [medeverdachte] achter hem aangelopen. Vervolgens heeft [medeverdachte] aangever tegen een gevel geduwd en heeft hij aangever nogmaals gezegd zijn telefoon af te geven, terwijl verdachte er naast stond met zijn borst naar aangever toe. Nadat [medeverdachte] aangever een slag op zijn neus heeft gegeven, zijn verdachte en [medeverdachte] samen weggerend. Aangever verklaarde dat hij zich door de gehele situatie ernstig bedreigd voelde en dat verdachte de gehele tijd agressief was in zijn richting.

Getuige [getuige] (dossierpagina 16-17) heeft het incident zien gebeuren en verklaarde dat twee mannen met mediterraan uiterlijk de auto van de aangever hebben belaagd en dat de twee mannen achter de aangever aan zijn gelopen toen hij uit de auto stapte. [getuige] heeft [medeverdachte] tegen aangever horen zeggen dat hij zijn telefoon moest geven. [getuige] verklaarde voorts dat zij verdachte opdringerig vond overkomen.

Het hof overweegt op grond van het vorenstaande dat verdachte gedurende de uitvoering van het strafbare feit (met een agressieve en opdringerige houding) aanwezig en betrokken is geweest, terwijl hem duidelijk moet zijn geweest wat zich afspeelde. Evenals de rechtbank oordeelt het hof in dat verband dat niet aannemelijk is dat verdachte niet heeft gehoord dat [medeverdachte] aangever meermalen heeft gesommeerd zijn telefoon af te geven, nu [getuige] heeft verklaard dat zij dit [medeverdachte] heeft horen zeggen en zij op grotere afstand van [medeverdachte] stond dan verdachte en uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat [medeverdachte] dit op een harde toon heeft gezegd. Verdachte is voorts steeds met [medeverdachte] meegelopen (naar de auto toe, vervolgens naar de bijrijderskant en ten slotte achter aangever aan) en ook na afloop van het incident zijn zij samen weggerend en werden zij samen aangetroffen in het centrum van Tilburg (dossierpagina 18-19). Dit gedrag van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te duiden als een bewuste bijdrage aan het handelen van zijn mededader. Dat uit het dossier niet blijkt van een taakverdeling, van afspraken of van een vooropgezet gemeenschappelijk plan, doet aan het vorenstaande niet af en is naar het oordeel van het hof in casu niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken.

Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen.

Het verweer van de verdediging dat verdachte opzet had op het feit noch op het medeplegen, zoals door de verdediging gesteld, wordt door het hof eveneens verworpen. Gelet op het hiervoor overwogene, moet het verdachte duidelijk zijn geweest dat [medeverdachte] probeerde om aangever zijn telefoon afhandig te maken. Daarbij heeft [getuige] verklaard dat zij dit [medeverdachte] heeft horen zeggen terwijl zij op grotere afstand van [medeverdachte] stond dan verdachte.

Dat verdachte ten opzichte van [medeverdachte] een geringer aandeel heeft gehad in het feit, doet aan de vaststelling dat hij als medepleger kan worden gekwalificeerd niet af, maar zal in de strafmaatoverwegingen aan de orde komen.

Het verweer van de verdediging dat sprake is van vrijwillige terugtred omdat verdachte [medeverdachte] zou hebben gemaand tot stoppen en hem zou hebben meegetrokken, wordt door het hof verworpen. [slachtoffer] heeft verklaard dat de afpersing niet werd voltooid omdat hij zijn spullen niet wilde afgeven. Ook in de overige zich in het dossier bevindende stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van verdachte dat hij [medeverdachte] heeft weggetrokken van aangever.

Het verweer wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij, samen met een ander, heeft geprobeerd om de bestuurder van een auto met geweld te dwingen om zijn telefoon af te geven. Een brutale poging tot afpersing op de openbare weg; een gewelddadig feit dat maatschappelijke onrust teweeg brengt. Slachtoffers kunnen als gevolg van dergelijke feiten nog langdurig last hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid. Verdachte en zijn mededader hebben zich hiervan geen enkele rekenschap gegeven.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Ten voordele van verdachte heeft het hof acht geslagen op de geringe rol in het bewezen verklaarde die de verdachte ten opzichte van zijn mededader heeft vervuld.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft het hof gelet op het feit dat uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2014 blijkt dat hij reeds eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, alsmede op hetgeen blijkt uit het Reclasseringsadvies van Novadic Kentron d.d. 24 oktober 2013 en op hetgeen ter terechtzitting is gebleken.

Met name indachtig de omstandigheid dat verdachte wordt begeleid door diverse instanties – waaronder de reclassering uit hoofde van een andere opgelegde voorwaardelijke straf – acht het hof, anders dan de rechtbank, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf thans niet meer aangewezen.

Het hof acht, alles in ogenschouw nemende, een gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie te Breda van, tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van te Breda van onder parketnummer 02-800745-10 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden van oordeel, dat –

nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt – de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats is.

Echter op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven, een taakstraf gelasten voor het hierna te vermelden aantal uren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 27, 45, 47, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 156 (honderdzesenvijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Breda van 25 oktober 2010, parketnummer 02-800745-10, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. J.J. van der Kaaden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 9 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.