Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1312

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
HV 200.134.256_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebrek aan draagkracht niet onderbouwd. Rechtbank wijst kinder- en partneralimentatie toe. De man heeft onvoldoende gegevens overgelegd zodat draagkracht niet beoordeeld kan worden. Ook in hoger beroep zijn onvoldoende gegevens overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 8 mei 2014

Zaaknummer: HV 200.134.256/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/165876 / S RK 11-1040

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te Polen,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.G.M. Nass,

tegen

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.L.G.M. Roebroek.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg van 26 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 september 2013, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, zoals de man ter zitting heeft verklaard, uitsluitend voor zover het betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de bijdrage in de kosten van de hierna te noemen kinderen [dochter] en [zoon 1.], en in zoverre opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de vrouw, [zoon 1.] en [dochter], alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 november 2013, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 april 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Nass;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Roebroek.

2.4.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 september 2012;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 24 maart 2014.

2.4.2.

Voorts heeft het hof ter zitting van de vrouw ontvangen de door [zoon 1.], die op [geboortedatum] 2013 meerderjarig is geworden, op 19 maart 2014 ondertekende volmacht, waarin [zoon 1.] de vrouw heeft gemachtigd om namens hem in deze procedure op te treden.

2.4.3.

Het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie van het hof op 31 maart 2014, is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat dit formulier en de bijlagen niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat dit formulier en de bijlagen niet worden toegelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 23 oktober 1998 te Valburg met elkaar gehuwd.

Voor het huwelijk van partijen is geboren de thans jong-meerderjarige:

- [zoon 1.] ([zoon 1.]), op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats]. De man heeft [zoon 1.] erkend.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [dochter] ([dochter]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (Polen).

[dochter] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw. [zoon 1.] is schoolgaand en woont bij de vrouw.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 21 maart 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de bestreden beschikking is gegeven, te weten 26 juni 2013, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] en van [zoon 1.] moet voldoen een bedrag van € 500,- per kind per maand en met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, te weten 21 maart 2014, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van € 2.750,- per maand.

3.3.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de kinderen, de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

Ingangsdatum

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen onderhoudsbijdragen voor de kinderen dienen in te gaan op 26 juni 2013 en de onderhoudsbijdrage voor de vrouw dient in te gaan op 21 maart 2014.

Behoefte kinderen

3.5.1.

De man betwist de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen van

€ 500,- per maand. De man heeft gesteld dat het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk

€ 4.168,36 per maand bedroeg en dat daarmee de behoefte van de kinderen tussen de

€ 1.355,- en € 1.555,- per maand bedraagt. Mede rekening houdend met het feit dat de man tijdens het huwelijk een bijdrage betaalde voor zijn uit een eerdere relatie geboren zoon [zoon 2.], is de man van mening dat [dochter] en [zoon 1.] een behoefte hebben van € 338,- per kind per maand.

3.5.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft gesteld dat het inkomen van de man alleen al uit zijn dienstbetrekking bij HSL Verpackungen GmbH (hierna: HSL) - nog afgezien van tantièmes en winstuitkeringen - € 5.424,- per maand bedroeg. De vrouw is van mening dat de kinderen een behoefte hebben van ten minste € 500,- per kind per maand.

3.5.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en zij zijn het ter zitting er over eens geworden dat voor de bepaling van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk (refertejaar 2010) uitgegaan dient te worden van het maximale inkomensbedrag in de Tabel kosten kinderen van € 5.000,- netto per maand en dat, mede gelet op de door de man betaalde kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 2.], zoals blijkt uit de door de man bij brief d.d. 11 september 2012 overgelegde productie 6, het in de tabel gevonden bedrag van de kosten van de kinderen door drie (kinderen) moet worden gedeeld. Gelet op het aantal punten (6) bedraagt de behoefte € 1.460,- : 3 = € 486,66 per kind per maand.

Met betrekking tot [dochter]

3.5.3.1. Na toepassing van de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [dochter] met ingang van 26 juni 2013 € 505,88 per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat het kindgebonden budget waarop de vrouw, naar het hof begrijpt, in 2013 aanspraak heeft gemaakt op de behoefte van [dochter] in mindering moet worden gebracht.

Het hof begroot het kindgebonden budget dat de vrouw in 2013 voor [dochter] heeft ontvangen op een bedrag van € 83,95 per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [dochter] bedraagt dan met ingang van 26 juni 2013 € 421,93 per maand.

Met betrekking tot [zoon 1.]

3.5.3.2. Na toepassing van de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [zoon 1.] met ingang van 26 juni 2013 € 505,88 per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat het kindgebonden budget waarop de vrouw in 2013 aanspraak heeft gemaakt, althans het hof gaat ervan uit dat de vrouw daarop aanspraak heeft gemaakt, op de behoefte van [zoon 1.] in mindering moet worden gebracht. Het hof begroot het kindgebonden budget dat de vrouw in 2013 voor [zoon 1.] heeft ontvangen op een bedrag van € 89,36 per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [zoon 1.] bedraagt dan van 26 juni 2013 tot [geboortedatum] 2013 € 416,52 per maand.

Met ingang van [geboortedatum] 2013 bedraagt de behoefte van [zoon 1.] in ieder geval het door de vrouw mede namens [zoon 1.] verzochte en door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 500,- per maand, nu er met ingang van die datum geen aanspraak meer is op het kindgebonden budget.

Behoefte vrouw

3.6.1.

De man is, kort samengevat, van mening dat ook bij de bepaling van de behoefte van de vrouw in beginsel uitgegaan moet worden van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk, te weten zijn inkomen uit arbeid bij HSL van € 4.168,36 per maand.

3.6.2.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat het inkomen uit arbeid bij HSL alleen al € 5.424,- netto per maand bedroeg. Voorts heeft de vrouw gesteld dat de man naast zijn inkomen bij HSL aanspraak kon maken op een winstuitkering van ruim

€ 15.000,- (2009 en 2010). Ook heeft de vrouw gesteld dat de man recht heeft op loon, dan wel tantièmes, dan wel winstuitkeringen van andere ondernemingen waarbij de man betrokken is: [Machinery] Machinery BV, [onderneming X.] en [BOPP] BOPP.

3.6.3.

Het hof overweegt het navolgende.

De man heeft ter zitting erkend dat het salaris dat hij bij HSL verdiende afgerond € 5.200,- netto per maand bedroeg en dat het gezin daarvan leefde. Nu de vrouw haar stelling dat het netto inkomen meer bedroeg dan € 5.200,- niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd gaat het hof aan die stelling van de vrouw voorbij. De man heeft naar het oordeel van het hof verder voldoende aannemelijk gemaakt dat de winst in HSL van € 15.000,- aan de reserves toegevoegd diende te worden teneinde een buffer in de onderneming te creëren (nog daargelaten het feit dat de man wegens zijn belang van 50% slechts aanspraak had kunnen maken op de helft van de winst en het overigens bij de bepaling van de behoefte van belang is van welk netto-gezinsinkomen partijen feitelijk tijdens het huwelijk hebben geleefd en niet bepalend is welk inkomen de man had kunnen genereren).

Weliswaar heeft de man, die in Duitsland belastingplichtig is, ook gesteld dat op enig moment - toen de vrouw de man heeft uitgeschreven op het woonadres in [woonplaats] - sprake was van een andere Steuerklasse waardoor zijn netto salaris lager werd, te weten afgerond

€ 4.200,- netto per maand, doch daar staat tegenover dat dit gehele netto inkomen volgens verklaring van de man tijdens het huwelijk ter beschikking heeft gestaan aan de vrouw en de kinderen. Tegen deze achtergrond ziet het hof aanleiding bij de berekening van de behoefte van de vrouw uit te blijven gaan van een totaal inkomen van de man van € 5.200,- netto per maand. Voorts staat vast dat partijen tijdens het huwelijk Kindergeld ontvingen van de Duitse overheid ad 3 x € 180,- = € 540,- netto per maand. Het hof becijfert het netto gezinsinkomen derhalve op € 5.740,- per maand

Uitgaande van voormeld netto inkomen van € 5.740,- per maand en voorts gerekend aan de hand van de hof-formule, bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in ieder geval [€ 5.740,- minus € 1.460,- = ] € 4.280,- x 60% = € 2.568,- netto per maand.

Het hof overweegt dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan het door haar verzochte en door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 2.750,- bruto per maand.

Behoeftigheid vrouw

3.7.1.

De man is van mening dat de vrouw zich onvoldoende inspant om eigen inkomen te verwerven. De man heeft gesteld dat de kinderen bijna meerderjarig zijn en dat vrouw geacht kan worden betaald werk te verrichten en daarmee in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien.

3.7.2.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat er sprake is geweest van een traditioneel huwelijk en dat zij tijdens het huwelijk geen carrière heeft kunnen maken. De vrouw is weliswaar als pedagoge in Polen opgeleid op een niveau dat ligt tussen MBO en HBO, doch die opleiding sluit niet aan bij de Nederlandse eisen. Voorts is er sprake van een taalbarrière. De vrouw heeft gesteld de nodige inspanningen te hebben verricht om aan betaald werk te komen, maar zonder resultaat.

3.7.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het navolgende gebleken. Partijen zijn thans reeds ongeveer vier jaar feitelijk uit elkaar. De vrouw is 40 jaar, zij is - al dan niet in meer of mindere mate - meertalig (Pools, Duits en Engels) en op dit moment zijn de kinderen achttien en veertien jaar. De vrouw is opgeleid als pedagoge, in ieder geval op MBO-niveau. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat zij heeft gesolliciteerd zonder dat dit tot heden tot enig inkomen uit arbeid heeft geleid, doch zij heeft die stelling niet met bescheiden onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van de man wel op haar weg had gelegen. De gevolgen daarvan dienen geheel voor rekening en risico van de vrouw te komen. Het ligt op de weg van de vrouw om zich optimaal in te spannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, doch van die inspanning is op geen enkele wijze gebleken.

Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de vrouw met ingang van 21 maart 2014 in staat moet worden geacht het wettelijk minimumloon te verdienen. Het hof begroot het wettelijk minimumloon met ingang van 21 maart 2014 op een bedrag van afgerond € 1.600,- bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Om op een netto inkomen conform haar behoefte van € 2.568,- te komen, heeft de vrouw met ingang van 21 maart 2014 nog behoefte heeft aan een aanvullende onderhoudsbijdrage van de man van € 2.370,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

3.8.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen.

3.9.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

3.10.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat man in dienst is van HSL Verpackungen GmbH (HSL), van welke onderneming de man samen met zijn mededirecteur directeur-grootaandeelhouder is. Voorts houdt de man 50% van de aandelen van [Machinery] Machinery BV. Uit de stukken is verder gebleken van mogelijke betrokkenheid van de man bij [onderneming X.] en [BOPP] BOPP. De man ontkent eigenaar te zijn van deze andere [ondernemingen]-ondernemingen. Ter zitting heeft de man verklaard dat zijn enige inkomsten de arbeidsinkomsten uit HSL zijn. Uit de stukken en het verhandelde is verder gebleken dat [Machinery] Machinery BV zeer grote investeringen heeft gedaan in plastic verwerkende machines. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de verkoopactiviteiten in [Machinery] Machinery BV organiseert, dat hij zijn gehele werktijd daaraan spendeert, dat HSL het salaris en de kosten van de man aan [Machinery] Machinery BV factureert en dat in [Machinery] Machinery BV (inmiddels) 3,5 miljoen is verdiend.

Reeds ter zitting in eerste aanleg heeft de rechtbank de man onder meer en kort samengevat, verzocht de jaarstukken over te leggen van HSL en van [Machinery] Machinery BV, alsmede de volledige belastingaangiften en belastingaanslagen van 2011 van HSL en van [Machinery] Machinery BV. Voorts diende de man de concernverhoudingen middels stukken weer te geven, diende de man de uittreksels uit de handelsregisters over te leggen en de jaarstukken van de bedrijven waar hij invloed op heeft en diende de man te onderbouwen of hij van [onderneming X.] en/of [BOPP] BOPP eigenaar of aandeelhouder is. Ook heeft de rechtbank de man verzocht de Steuerberater te vragen om duidelijkheid te verschaffen in welke Steuerklasse de man zich bevindt en zich uit te laten over het belastingvoordeel dat de man heeft bij partner- en kinderalimentatie en over de aanspraken die de man maakt op Kindergeld en kinderbijdragen.

Het hof constateert dat de man in hoger beroep enige stukken heeft overgelegd, te weten de jaarrekeningen 2009, 2010 en 2011 van HSL (in de Duitse taal), de belastingaangiftes van de man over 2009, 2010 en 2011 (in de Duitse taal) en een aantal in de Poolse taal opgestelde stukken (deels vertaald naar het Duits) gedateerd “22.06.2012” en “1.01.2011 – 31.12.2011” van [Machinery] Machinery BV. Het hof constateert evenwel dat de man ook in hoger beroep niet, althans niet voldoende heeft aangetoond wat de onderlinge concernverhoudingen binnen de bovengenoemde ondernemingen zijn, wat de rol van de man binnen die bedrijven is en welke inkomsten de man daaruit genereert dan wel kan genereren. Ook heeft de man niet onderbouwd welke Steuerklasse thans op hem van toepassing is en of, en zo ja welke belastingvoordelen de man heeft bij betaling van onderhoudsbijdragen voor de vrouw en de kinderen, zoals reeds door de rechtbank was verzocht. Voor de bepaling van de draagkracht van een ondernemer dienen in beginsel onder meer de jaarstukken van de laatste drie jaar te worden overgelegd en voorts, zoals overigens voor iedere onderhoudsplichtige geldt, onder meer de recente aangiftes en aanslagen Inkomstenbelasting. Het hof constateert dat ook die financiële gegevens (grotendeels) ontbreken. Het hof overweegt dat de man zijn financiële situatie niet, althans niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, hetgeen voor eigen rekening en risico van de man dient te komen.

Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, moet het ervoor worden gehouden dat de man in staat is om in de hierboven becijferde behoefte van de vrouw en de kinderen te voldoen.

3.11.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 26 juni 2013 uitsluitend voor zover het betreft de door de man te betalen onderhoudsbijdragen voor [dochter], voor [zoon 1.] en voor de vrouw,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [dochter], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (Polen),

met ingang van 26 juni 2013 zal voldoen een bedrag van € 421,93 per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

- [zoon 1.], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

van 26 juni 2013 tot [geboortedatum] 2013 zal voldoen een bedrag van € 416,52 ;

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie aan [zoon 1.] met ingang van [geboortedatum] 2013 zal voldoen een bedrag van € 500,- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 2.370,- per maand met ingang van 21 maart 2014, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, G.J. Vossestein en A.P. van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2014.