Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1259

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
20-002668-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Worsteling tussen twee personen waarbij een schot is gevallen uit het wapen dat verdachte in zijn hand had.

Vrijspraak van poging tot doodslag (anders dan rechtbank) en poging tot zware mishandeling. Uit getuigenverklaringen valt niet af te leiden dat de verdachte het wapen ten tijde van het schot richtte op dan wel in de richting hield van hoofd of lichaam van aangever.

Voorts (technische) vrijspraak van bedreiging met de dood.

Wel een veroordeling wegens het bezit van het wapen en de munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002668-13

Uitspraak : 7 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 augustus 2013 in de strafzaak met parketnummer 02/800189-13 tegen de verdachte:

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Turkije) op [een datum in het jaar] 1967,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van - kort gezegd - poging tot doodslag (feit 1) en het voorhanden hebben van een wapen en munitie (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. De rechtbank heeft daarnaast beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. van ’t Land naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf en - in zoverre opnieuw rechtdoende - de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voor het overige heeft hij verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf en de vordering van de benadeelde partij en zich gerefereerd ten aanzien van het beslag.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu dat niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 24 februari 2013 te Roosendaal ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen heeft gericht op het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [A] en/of een kogel heeft afgevuurd in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam van die [A], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


hij op of omstreeks 24 februari 2013 te Roosendaal ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een vuurwapen heeft gericht op het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [A] en/of een kogel heeft afgevuurd in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [A], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tweede subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


hij op of omstreeks 24 februari 2013 te Roosendaal [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [A] en/of een kogel afgevuurd in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [A];

2.
hij op of omstreeks 24 februari 2013 te Roosendaal een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Walther), en/of munitie van categorie III, te weten 13, althans een of meer, patronen (kaliber 6.35), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Integrale vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 tweede subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Voor het vaststellen van de toedracht van het onder 1 ten laste gelegde voorval zijn, buiten de verklaring van verdachte, met name de verklaringen van aangever [A], getuige [B], getuige [C] van belang. Die verklaringen zijn allerminst eenduidig te noemen. De verklaring van de aangever wordt door de beide getuigen weersproken voor zover die verklaring inhoudt dat er pas een worsteling ontstond nadat de verdachte een pistool op zijn hoofd dan wel bovenlichaam had gericht en een kogel in die richting had afgevuurd. De getuigen, die alleen de worsteling hebben waargenomen, hebben allebei verklaard dat er slechts één schot is gevallen en wel tijdens de worsteling. Het hof ziet geen reden om daaraan te twijfelen, zeker nu op de plaats delict één huls werd aangetroffen van hetzelfde kaliber als dat van het wapen van de verdachte. Het hof gaat dan ook voorbij aan de verklaring van de verdachte dat er niet is geschoten.

Dat er tijdens de worsteling een schot is gevallen uit het wapen dat de verdachte in zijn hand had, rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat het opzet van de verdachte er ook op gericht was om de aangever te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de verklaringen van meergenoemde getuigen leidt het hof af dat de verdachte het wapen in zijn rechterhand vasthad toen hij op de grond lag, dat aangever op hem zat, dat aangever verdachtes rechterpols vasthield en dat vervolgens op enig moment het wapen is afgegaan. Uit de verklaringen valt naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat de verdachte het wapen op dat moment ook had gericht op dan wel in de richting hield van (het hoofd of lichaam van) aangever. In dat verband wijst het hof erop dat de getuige [B] zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep in zoverre heeft genuanceerd dat hij de beweging die de verdachte met zijn hand maakte, heeft uitgelegd als het richten op de aangever, maar dat hij de precieze richting eigenlijk niet heeft kunnen waarnemen en daarom ook niet kan uitsluiten dat de verdachte het wapen naar de lucht of langs aangever had gericht. Een soortgelijke nuance geldt ook voor zijn ten overstaan van de politie afgelegde verklaring dat hij zou hebben gezien dat de verdachte de trekker van het vuurwapen overhaalde, ten aanzien waarvan hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij dat niet heeft gezien, maar dat heeft geconcludeerd uit wat hij overigens zag (een worsteling en een vuurwapen) en hoorde (het geluid van een schot). Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal menen, kan naar het oordeel van het hof onder deze omstandigheden niet worden bewezen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever om het leven zou komen of zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Mogelijk zou uit het feitelijk handelen van de verdachte wel een bedreiging met de dood kunnen worden gedestilleerd. Die mogelijke bedreiging heeft de steller van de tenlastelegging in het tweede subsidiair evenwel geheel toegespitst op het opzettelijk ‘richten van het vuurwapen op het hoofd en/of (boven)lichaam van de aangever’ en/of het ‘afvuren van een kogel in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam van de aangever’. Het bewijs schiet, zoals hiervoor al aan de orde kwam, tekort om te kunnen vaststellen dat de verdachte het vuurwapen op die wijze heeft gericht of dat hij daarmee in die richting een kogel heeft afgevuurd. De bedreiging, zoals die aan de verdachte ten laste is gelegd, kan derhalve niet worden bewezen.

Resumerend houdt het oordeel van het hof in dat geen van de onder 1 ten laste gelegde misdrijven kunnen worden bewezen. De verdachte zal dan ook integraal van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 februari 2013 te Roosendaal een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Walther), en munitie van categorie III, te weten 11 patronen (kaliber 6.35), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en - voor wat betreft het vuurwapen - strafbaar gesteld in artikel 55, derde lid, sub a, en - voor wat betreft de munitie - in artikel 55, eerste lid, van diezelfde wet. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in het daarop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft een schietklaar pistool en munitie voorhanden heeft gehad. De verdachte droeg dit vuurwapen bij zich in een openbare ruimte en heeft het in een conflict op de openbare weg ook ter hand genomen. Dat is niet alleen heel gevaarlijk, het wakkert daarnaast de reeds in de samenleving rondwarende gevoelens van onveiligheid sterk aan.

Dit aspect kwam ook naar voren tijdens de getuigenverhoren in hoger beroep. Beide getuigen maakten gewag van dergelijke gevoelens.

Hoewel uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 17 maart 2014 blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een soortgelijk misdrijf is veroordeeld, acht het hof dat gegeven en de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij de bepaling van de straf niet doorslaggevend.

Alles overziende is het hof, in het bijzonder op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, tot het oordeel gekomen dat een veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend en geboden is.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging het verzoek gedaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Het hof heeft inmiddels de voorlopige hechtenis van de verdachte bij afzonderlijke beslissing van 24 april 2014 opgeheven. Daarom behoeft het verzoek in deze geen verdere bespreking en beslissing.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 2 bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.250,--, te vermeerderen met proceskosten ter hoogte van € 726,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,--. Voor het overige, ook ten aanzien van de proceskosten, is de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van zijn vordering.

Omdat aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij echter niet in zijn vordering worden ontvangen.

Ten aanzien van de proceskosten zal het hof bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten zullen dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 tweede subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vuurwapen van het merk Walther (nummer 917362 op de beslaglijst); twee houders behorende bij een vuurwapen van het merk Walther (nummer 917365 en 917366 op de beslaglijst) en 13 patronen (nummer 942343 op de beslaglijst).

Verklaart de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. J.F. Dekking, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 7 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.