Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1257

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
HD 200.117.806_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huwelijkse voorwaarden, beëindiging vennootschap onder firma, vennootschappelijk vermogen, verrekenvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.117.806/01

arrest van 6 mei 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats 1],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.M.J. Schoonbrood te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 1],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.G.H. Aarts-Mulder te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 februari 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 158834/HA ZA 11-159 gewezen vonnis van 4 april 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 19 februari 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- de akten uitlaten omtrent comparitie na aanbrengen van de man en de vrouw van 5 februari 2013;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 maart 2013;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel met één productie;

- het pleidooi, waarbij mr. Schoonbrood een pleitnota heeft overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven en de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel.

7. De beoordeling

7.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. Partijen zijn op 2 juli 2001 met elkaar gehuwd na het sluiten van huwelijkse voorwaarden.

  2. Bij beschikking van 9 juni 2010 heeft de rechtbank Maastricht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

  3. De echtscheidingsbeschikking is op 28 september 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

  4. Bij voornoemde beschikking van 9 juni 2010 heeft de rechtbank Maastricht het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van de gemeenschappelijke goederen afgesplitst.

  5. Bij beschikking van 19 januari 2011 heeft de rechtbank Maastricht de behandeling van de verzoeken voor zover die betrekking hebben op de (afwikkeling van de) vof naar de unit handel van de sector civiel verwezen met bevel dat de procedure aldaar zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.

  6. De tussen partijen op 29 juni 2001 gesloten huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

“(…)

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Artikel 6

a. Onder inkomen in deze huwelijkse voorwaarden wordt verstaan het gezamenlijk bedrag dat in enig jaar wordt genoten als:

- winst uit onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (…)

- loon in de zin van de Wet (…)

(….)

Dit gezamenlijk bedrag wordt verminderd met de daarover verschuldigde belasting en met de premieheffing volksverzekeringen.

(…)

Artikel 9

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding (…) overblijft, onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. (…)

Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat (…)”.

Partijen hebben tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven aan artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden.

Met ingang van 1 januari 2006 zijn partijen een vennootschap onder firma aangegaan genaamd viaWMO VOF (hierna: viaWMO). De onderneming hield zich bezig met de begeleiding op het gebied van arbeidsreïntegratie.

Op 13 juni 2008 heeft de man de zogenoemde ‘caseload’ (het relatiebestand) en enkele bedrijfsmiddelen van viaWMO verkocht aan Maasgroep B.V. voor een prijs van € 65.000,- exclusief BTW. Als verkopende partij is viaWMO in de verkoopovereenkomst vermeld. Bij het sluiten van de overeenkomst is de vrouw niet betrokken.

De vennootschapsakte houdt onder meer het volgende in:

Artikel 16: Einde Vennootschap

1. De Vennootschap wordt beëindigd:

a. krachtens onderlinge overeenkomst der vennoten waarbij de Vennootschap wordt ontbonden en waarbij tevens de gevolgen van de ontbinding worden geregeld;

b. door opzegging door een vennoot overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst;

c. door ontbinding ten gevolge van een daartoe strekkende beslissing van de tot beslechting van geschillen bevoegde instantie, als bedoeld in het laatste artikel van deze overeenkomst, genomen op verzoek van een vennoot op grond van wettige redenen, zoals onder meer indien een vennoot de in deze akte vervatte bepalingen overtreedt of niet nakomt.

2. De Vennootschap kan zonder inachtneming van enige opzegtermijn door de vennoten worden opgezegd als ten aanzien van een vennoot zich één der volgende omstandigheden voordoet:

a. als hij/zij komt te overlijden en in het geval van een rechtspersoon indien deze wordt geliquideerd of ontbonden of indien de (middellijke) aandeelhouder, natuurlijk persoon, overlijdt;

b. als hij/zij failliet wordt verklaard, surséance van betaling aanvraagt, onder curatéle wordt gesteld, of op andere wijze het vrij beheer over zijn/haar vermogen geheel of gedeeltelijk verliest;

c. als hij/zij gedurende meer dan 2 (twee) jaar aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest;

d. als hij/zij de leeftijd van 65 jaar bereikt;

e. als hij/zij zijn/haar persoonlijke bemoeienis met de zaken van de Vennootschap zou staken, of in het geval van een rechtspersoon de aandeelhouder wijzigt.

3. Zolang een opzegging als hiervoor in dit artikel bedoeld niet heeft plaatsgehad zal de Vennootschap onverminderd voortduren.

4. Als de Vennootschap wordt opgezegd wegens het overlijden van een vennoot zal iedere andere voorafgaande opzegging wegens enige andere reden geacht worden niet te hebben plaatsgehad.

Artikel 17: Deelgerechtigdheid

1. Bij het eindigen van de Vennootschap is ieder der vennoten in het vermogen van de Vennootschap gerechtigd voor:

a. het bedrag waarvoor de vennoot in de boeken der Vennootschap is gecrediteerd;

b. zijn/haar aandeel in het resultaat ontstaan door de herwaardering als in lid 2 van dit artikel vermeld, welk aandeel zal dienen te worden vastgesteld op basis van het gemiddelde van de percentages als genoemd in artikel 14 lid 2, waarin de resultaten over de laatste 10 (tien) jaren of, als de Vennootschap korter dan 10 (tien) jaar zal hebben bestaan, over de volle duur van de Vennootschap door de vennoten werden genoten of gedragen.

2. Op de bij de beëindiging der Vennootschap op te maken balans zullen de vermogensbestanddelen der Vennootschap worden opgenomen tegen de alsdan door de vennoten in onderling overleg vast te stellen waarde in het economisch verkeer, terwijl op deze balans de eventueel aanwezige goodwill zal worden geactiveerd.

Als de vennoten geen overeenstemming kunnen bereiken over de hiervoor bedoelde waarde zal deze worden vastgesteld door 3 (drie) deskundigen die in onderling overleg zullen worden benoemd, dan wel bij gebreke van overeenstemming worden benoemd door de kantonrechter binnen wiens kanton de Vennootschap is gevestigd, op verzoek van de meest gereden partij.

3. De waarderingen genoemd in het vorige lid worden slechts gehanteerd ter bepaling van het vermogensaandeel van de uittredende vennoot en houden dus geen fiscale herwaardering in voor de blijvende vennoot. (…)”.

7.2

In deze zaak is alleen (de afwikkeling van) viaWMO in geschil. De rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 10 juli 2013 (voor zover het niet de afwikkeling van viaWMO betreft) de verdeling van de gemeenschappelijke goederen vastgesteld en de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden afgewikkeld. Tegen die beslissing heeft de man hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep bij de griffie is ingeschreven onder nummer HV 200.135.153/01. HHV

7.3.

De vrouw heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd:

1) dat de man op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om aan haar ter beschikking te stellen alle basisdocumenten die zijn gebruikt ter vervaardiging van de jaarstukken 2006, 2007 en 2008;

2) benoeming van een deskundige die:

  1. de jaarstukken 2006, 2007 en 2008 op juistheid controleert;

  2. partijen in de gelegenheid stelt hem vragen te stellen over de jaarstukken en die beantwoordt;

  3. aangeeft welke correcties in de jaarstukken 2007 en 2008 toegepast moeten worden;

  4. bepaalt wat het winstaandeel van ieder van partijen is over de jaren 2007 en 2008;

  5. de waarde van de onderneming per 13 juni 2008 vaststelt en, aan de hand daarvan, de vordering van de vrouw jegens de man wegens benadeling;

  6. een begroting maakt van het inkomensverlies dat de vrouw heeft geleden als gevolg van het feit dat de man de onderneming heeft verkocht en waardoor de vrouw de kans is ontnomen de onderneming als eenmanszaak voort te zetten;

3) veroordeling van de man tot betaling van het aan de vrouw verschuldigde bedrag zoals dit blijkt uit het deskundigenonderzoek;

4) veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van € 10.000,- wegens overtreding van artikel 7 van het vennootschapscontract.

7.4.

De man heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd veroordeling van de vrouw tot betaling van € 12.546,50 in verband met verdeling van het gemeenschappelijk vermogen van viaWMO.

7.5.

De rechtbank heeft bij het beroepen vonnis het te verdelen vermogen van viaWMO vastgesteld op € 126.741,- waarop de rechtbank in mindering heeft gebracht het door de man middels de eenmanszaak aangebrachte banksaldo van € 11.834,-. De rechtbank heeft het vermogen van viaWMO toegedeeld aan de man en de man veroordeeld wegens overbedeling tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 57.453,50 (€ 126.741,- minus € 11.834,- / 2). Voorts heeft de rechtbank de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.

7.6.

Partijen kunnen zich met (onderdelen van) dit vonnis niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Partijen hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd.

De man heeft in zijn memorie van grieven gevorderd:

a. te bepalen dat de peildatum voor de bepaling van de waarde van viaWMO 2 oktober 2009 is, dan wel een peildatum die het hof juist acht;

b. het vermogen van viaWMO aan de man toe te delen;

c. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man een bedrag van € 2.722,40 te vermeerderen met de wettelijke rente ex. art. 6:119 BW vanaf 2 oktober 2009;

d. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

De vrouw heeft in haar memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel gevorderd dat de man bij wege van afwikkeling van viaWMO aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 69.611,-.

Partijen hebben over en weer geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzing van respectievelijk de man en de vrouw. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

7.7.

De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen:

- de peildatum (grieven 1 en 2 van de man, grief 1 van de vrouw);

- het te verdelen vermogen van viaWMO (grief 2 van de man, grieven 2 en 3 van de vrouw).

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Alvorens hiertoe over te gaan zal het hof eerst oordelen op het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vrouw.

Ontvankelijkheid

7.8.

De vrouw stelt dat de man op grond van artikel 3.1 sub e van het Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het procesreglement) het volledige procesdossier in eerste aanleg dient over te leggen. Nu de man dit niet heeft gedaan – hoewel de man hiertoe door het hof in de gelegenheid is gesteld – dient het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zij hoger beroep.

7.8.1.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat de man op grond van artikel 3.1 sub e van het procesreglement gehouden was het volledige procesdossier in eerste aanleg over te leggen. Het hof heeft bij het tussenarrest van 19 februari bepaald dat de advocaat van de man uiterlijk 5 maart 2013 een fotokopie van het volledige procesdossier zal overleggen. De man heeft daarop bij H11-formulier d.d. 1 maart 2012 een kopie van het procesdossier in eerste aanleg en hoger beroep bijgevoegd. Volgens de vrouw is dit niet het volledige procesdossier in eerste aanleg geweest. Wat hier verder ook van zij, de vrouw heeft bij haar memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel alsnog het volledige procesdossier in eerste aanleg overgelegd zodat het hof thans over alle stukken beschikt.

Ingevolge artikel 1.6 van het reglement zal het hof aan de niet-naleving van een in het reglement gegeven voorschrift het gevolg verbinden dat het met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend voorkomt. Nu het hof en beide partijen (alsnog) over alle stukken beschikken, ziet het hof geen aanleiding om enig gevolg te verbinden aan het al dan niet door de man (volledig) overleggen van het procesdossier in eerste aanleg. De man is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep.

De peildatum en het te verdelen vermogen van via WMO (grieven 1 en 2 van de man, grieven 1 tot en met 3 van de vrouw)

7.9.

De rechtbank heeft als peildatum 13 juni 2008 vastgesteld, het moment van verkoop van de caseload. De rechtbank heeft de opbrengst van de caseload bij de waardering van viaWMO betrokken. Voor de waarde van viaWMO is de rechtbank uitgegaan van het eigen vermogen per 13 juni 2008, te weten € 126.741,-, waarop de rechtbank een bedrag van € 11.834,- in mindering heeft gebracht, het door de man uit diens eenmanszaak aangebrachte banksaldo, zodat een bedrag van € 114.907,- resteert ter verdeling.

7.10.

De man stelt dat hij na 13 juni 2008 betalingen heeft gedaan die bij het verdelen van het vermogen van viaWMO moeten worden meegenomen. De man stelt dat hij tot en met 1 oktober 2009 deze betalingen heeft gedaan, zodat als peildatum 2 oktober 2009 dient te worden gehanteerd. De man stelt dat hij in totaal een bedrag van € 120.351,81 voor viaWMO en partijen heeft uitgegeven. Dit bedrag strekt in mindering op het eigen vermogen op de peildatum van € 114.907,- zodat een negatief vermogen ontstaat en de man van de vrouw nog een bedrag van € 2.722,40 dient te ontvangen.

7.11.

De vrouw stelt dat het door de rechtbank gehanteerde eigen vermogen van

€ 126.741,- niet het vermogen per 13 juni 2008 maar per 31 december 2008 betreft. Er is dan ook geen ruimte voor verrekening van betalingen door de man in 2008. De vrouw stelt dat als peildatum 31 december 2008 dient te worden gehanteerd. De vrouw stelt dat het banksaldo van de eenmanszaak ten bedrage van € 11.834,- ingevolge artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden behoort tot het te verrekenen vermogen en voor de helft aan de vrouw toekomt. Ten slotte stelt de vrouw dat de man in 2009 over het belastingjaar 2008 een bedrag van € 12.481,- van de belastingdienst retour heeft ontvangen dat tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld.

7.12.

Het hof overweegt als volgt.

7.12.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat na 13 juni 2008 geen feitelijke activiteiten in viaWMO meer hebben plaatsgevonden. De afwikkeling van viaWMO moest op dat moment nog wel plaatsvinden en is vervolgens feitelijk door de man uitgevoerd.

Het hof is van oordeel dat in deze omstandigheden en gelet op de artikelen 16 en 17 van de vennootschapsakte de datum waartegen viaWMO dient te worden afgewikkeld, in het midden kan blijven. Uitgangspunt van de vennootschapsakte is immers dat het moment waarop de activiteiten feitelijk beëindigd zijn en geen van partijen de vennootschap voortzet, deze geliquideerd dient te worden. De afwikkeling van viaWMO heeft inmiddels plaatsgevonden. Partijen zijn het oneens over de vraag of een bedrag resteert dat verdeeld dient te worden (standpunt van de vrouw) dan wel of een tekort is ontstaan (standpunt van de man).

Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen dat het tijdens de huwelijkse samenleving gebruikelijk was om privé-uitgaven te betalen via het vennootschappelijk vermogen van viaVMO. Dat betekent dat voor zover de betalingen waarop de man zich beroept zijn gedaan in de periode van 13 juni 2008 tot 1 augustus 2008 (het hof gaat er van uit dat dit de datum was waarop partijen uiteen zijn gegaan) en deze betalingen zien op het levensonderhoud van partijen, deze betalingen niet kunnen leiden tot een verrekenvordering van de vrouw op de man. Voor de periode na 1 augustus 2008 heeft te gelden dat de betalingen die in die periode zijn gedaan voor levensonderhoud (van de man en/of de vrouw) niet langer ten laste van het vennootschappelijk vermogen hadden mogen worden gebracht. Voor zover dat wel is gebeurd, heeft de vrouw een vordering op de man. Dat geldt bijvoorbeeld voor de facturen van mr. [voormalig raadsman van de man]. De man heeft onvoldoende aangetoond dat deze kosten gemeenschappelijk zijn en zij hadden dan ook niet ten laste van het vennootschappelijk vermogen mogen komen. Wat betreft de door partijen verschuldigde inkomstenbelasting geldt dat deze ten tijde van de huwelijkse samenleving ten laste van het vennootschappelijk vermogen had mogen komen, maar na het feitelijk uiteengaan op 1 augustus 2008 niet meer.

Voor zover de man in de periode van 13 juni 2008 tot 2 oktober 2009 (zakelijke) betalingen heeft gedaan voor viaWMO, heeft de vrouw geen verrekenvordering op de man nu met deze betalingen bij de bepaling van het te verdelen vennootschappelijk vermogen rekening zal worden gehouden.

7.12.2.

Het hof kan op basis van de overgelegde stukken niet beoordelen wat de omvang is van het eventueel te verdelen vennootschappelijk vermogen. Het hof acht op dit punt deskundigenonderzoek noodzakelijk.

Ter zitting hebben partijen ingestemd met het benoemen van één deskundige en hebben de keuze van de persoon van de te benoemen deskundige aan het hof overgelaten. Het hof heeft de heer mr. drs. P.A. van Steensel RA bereid gevonden als deskundige op te treden onder de voorwaarde dat door partijen een exoneratie clausule wordt getekend, waarin partijen verklaren dat de deskundige, behoudens opzet en grove schuld, is uitgesloten van alle aansprakelijkheid ten aanzien van de gevolgen van zijn rapportage.

Het hof bepaalt dat de deskundige gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:

  • -

    wat was het vennootschappelijk vermogen van viaWMO op 2 oktober 2009?

  • -

    welke bedragen zijn ten onrechte via de rekening van viaWMO betaald omdat het privéuitgaven zijn in de periode na het uiteengaan van partijen op 1 augustus 2008 (in ieder geval dienen als privé te worden beschouwd de kosten van levensonderhoud van de man, de rekeningen van zijn advocaat mr. [voormalig raadsman van de man] en de ontvangen teruggave inkomstenbelasting);

  • -

    heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

7.12.3.

Het hof is gelet op de omstandigheden van dit geding voornemens de kosten van de deskundige voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen. Het voorschot is door de deskundige begroot op € 6.600,- (inclusief omzetbelasting). Gezien het feit dat beide partijen op een toevoeging procederen, zal het voorschot voorlopig voor rekening van ’s Rijks kas komen.

7.12.4.

De deskundige dient eventuele nadere informatie die hij nodig heeft en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.

Indien de deskundige voor het onderzoek gebruik maakt maken van informatie van derden, dient hij daarvan melding te maken in het rapport.

7.12.5.

Het hof is van oordeel dat de vraag of het banksaldo van de eenmanszaak ten bedrage van € 11.834,- dat door de man in viaWMO is ingebracht al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoort, dient te worden beantwoord in de procedure over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Uit de overgelegde beschikking van de rechtbank Limburg van 10 juli 2013 blijkt immers dat dit bedrag ook in die procedure is betrokken. Om die reden dient het bedrag van € 11.834,- niet betrokken te worden bij de afwikkeling van viaWMO. De tweede grief van de vrouw faalt dan ook.

7.12.6.

Nu het hof de deskundige zal verzoeken het vennootschappelijk vermogen vast te stellen per 2 oktober 2009, wordt de in 2009 voor viaWMO ontvangen belastingteruggave over 2008 in het deskundigenonderzoek betrokken en zal het hof de daarop gerichte grief van de vrouw aanhouden in afwachting van het deskundigenbericht.

7.13.

Aldus beslist het hof als volgt.

8 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 7.12.2 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

de heer mr. drs. P.A. van Steensel RA

Postbus [postbus]

[postcode] [woonplaats 2]

Tel: [telefoonnummer]

onder de voorwaarde dat door partijen een exoneratieclausule wordt getekend, waarin partijen verklaren dat de deskundige, behoudens opzet en grove schuld, is uitgesloten van alle aansprakelijkheid ten aanzien van de gevolgen van zijn rapportage;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 6.600,- inclusief BTW, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat de griffier een specificatie van het voorschot bij het afschrift van dit arrest meezendt aan de advocaten van partijen;

bepaalt dat het voorschot van partijen, nu aan partijen een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. M.J. van Laarhoven tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 28 oktober 2014 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van de man;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, M.J. van Laarhoven en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 mei 2014.