Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1250

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
20-001469-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van onder meer poging tot doodslag door het slaan met een koevoet tegen het hoofd. Voorwaardelijk opzet op de dood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001469-12

Uitspraak : 30 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

2 april 2012 in de strafzaak met parketnummer 03-700354-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd -

(feit 1 subsidiair) zware mishandeling (door het glas van een voordeur duwen);

(feit 1 meer subsidiair) poging tot zware mishandeling (slaan met een koevoet);

(feit 2 primair) poging tot zware mishandeling;

(feit 3) vernieling of beschadiging;

(feit 4) bedreiging met brandstichting en met enig misdrijf tegen het leven gericht;

(feit 5) vernieling;

veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partijen en over in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

 de verdachte zal vrijspreken van het onder 5 ten laste gelegde;

 de verdachte ter zake van:

(feit 1 subsidiair) zware mishandeling (door het glas van een voordeur duwen);

(feit 1 meer subsidiair) poging tot zware mishandeling (slaan met een koevoet);

(feit 2 primair) poging tot zware mishandeling;

(feit 3) vernieling of beschadiging;

(feit 4) bedreiging met brandstichting en met enig misdrijf tegen het leven gericht;

zal veroordelen tot een gevangenisstraf van veertien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

 de vordering van de benadeelde partij [A] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 2.358,15, te vermeerderen met de wettelijke rente;

 de vordering van de benadeelde partij [huisartsenpraktijk] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 100,--;

 de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen ten behoeve van deze beide benadeelde partijen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 primair, 4 en 5 ten laste gelegde.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Voorts is een strafmaatverweer gevoerd en is verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij [A].

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [huisartsenpraktijk] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep (feit 4)

Onder 4 zijn bij inleidende dagvaarding aan de verdachte vier afzonderlijke bedreigingen (genoemd na vier opsommingstekens) cumulatief ten laste gelegd.

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreigingen na het tweede opsommingsteken (bedreiging van [D]) en derde opsommingsteken (bedreiging van [E]).

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de daarvan opgemaakte akte onbeperkt ingesteld, derhalve ook tegen deze beide vrijspraken. In zoverre zal het hof, gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof komt andere bewezenverklaringen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [A] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (meermalen) die [A] (telkens) met een koevoet, althans een (hard) voorwerp, tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of (vervolgens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [A] tegen een voordeur heeft geduwd, waardoor deze door het glas van die voordeur is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, aan [A] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (peesletsel en/of vingerfractuur) heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm en rustig overleg (meermalen) met een koevoet, althans een (hard) voorwerp, tegen zijn hoofd te slaan en/of (vervolgens) opzettelijk en na kalm en rustig overleg tegen een voordeur te duwen, waardoor die [A] door het glas van die voordeur is gevallen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [A] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm en rustig overleg die [A] (meermalen) met een koevoet, althans een (hard) voorwerp, tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of (vervolgens) met dat opzet en na kalm en rustig overleg die [A] tegen een voordeur heeft geduwd, waardoor deze door het glas van die voordeur is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend [A] (meermalen) na kalm en rustig overleg met een koevoet, althans een (hard) voorwerp, tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of (vervolgens) tegen een voordeur heeft geduwd, waardoor deze door het glas van die voordeur is gevallen, ten gevolge waarvan die [A] zwaar lichamelijk letsel (peesletsel en/of vingerfractuur) heeft bekomen, althans pijn heeft ondervonden en/of enig letsel heeft bekomen;

2.

primair:

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [B] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (wandel)stok, althans een (hard) voorwerp, in de richting van die [B] heeft geslagen en/of met een (wandel)stok, althans een (hard) voorwerp, (wild) om zich heen heeft geslagen terwijl die [B] zich in de directe omgeving van hem, verdachte, bevond en/of verschillende (harde en/of zware) voorwerpen, althans een (hard en/of zwaar) voorwerp, tegen en/of in de richting van die [B] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, [B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een (wandel)stok, althans een (hard) voorwerp, in de richting van die [B] geslagen en/of met een (wandel)stok, althans een (hard) voorwerp, (wild) om zich heen geslagen terwijl die [B] zich in de directe omgeving van hem, verdachte, bevond en/of verschillende (harde en/of zware) voorwerpen, althans een (hard en/of zwaar) voorwerp, tegen en/of in de richting van die [B] gegooid;

3.
hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, opzettelijk en wederrechtelijk een (TL-)lamp en/of glazen potten/flessen en/of een otoscoop (merk Welchallyn), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B] en/of [huisartsenpraktijk], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;


4.
hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, [C] en/of [A] heeft bedreigd met verkrachting en/of brandstichting en/of enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

- voornoemde [C] dreigend de woorden toegevoegd: "Kom naar buiten, ik ben het werk van mijn broer komen afmaken. Ik verkracht jou en jouw kind. Daarna steek ik je huis in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- voornoemde [A] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je vermoorden" en/of "Ik sla je dood" en/of "Ik sla je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

5.
hij op of omstreeks 12 juli 2011 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, opzettelijk en wederrechtelijk (het glas van) een voordeur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Woonpunt Hoensbroek, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vrijspraak

Feit 1 (deelvrijspraak van: opzettelijk duwen tegen de voordeur)

Onder 1 is aan de verdachte onder meer ten laste gelegd dat hij [A] opzettelijk tegen een voordeur heeft geduwd, waardoor [A] door het glas van die voordeur is gevallen.

Op 14 juli 2011 heeft [A] bij de politie (p. 45) verklaard: “Wij hebben flink aan elkaar geduwd en getrokken. Hierdoor kwamen wij uit twee huizen verder bij mijn buren voor de deur.” Voorts heeft hij op 21 december 2011 bij de rechter-commissaris verklaard: “Daarna hebben we samen geduwd en getrokken, totdat ik door de ruit van buren iets verderop viel.”

Het hof stelt vast dat, direct voordat [A] door het glas van de voorruit viel, er sprake was van duw- en trekwerk tussen de verdachte en [A].

Met de raadsman is het hof van oordeel dat - bij gebreke van voldoende betrouwbare informatie over hetgeen feitelijk is voorgevallen - niet kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer [A] opzettelijk, voorwaardelijk opzet daaronder begrepen, tegen de voordeur heeft geduwd.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbend op het tegen de voordeur duwen van [A].

Feit 2 primair

Het hof stelt op grond van de verklaringen van [B] (p. 30-31), [F] (p. 62-63) en [G] (p. 64-65) bij de politie vast dat de verdachte in de huisartsenpraktijk van [B] met een wandelstok wild om zich heen heeft geslagen, terwijl die [B] zich in de directe omgeving van de verdachte bevond, waarbij een boven het bureau van [B] hangende TL-lamp werd geraakt.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [B].

Het hof acht ook voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen, nu naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden - er was kennelijk sprake van een tamelijke ongerichte slag - niet is komen vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [B] door de wandelstok zou worden geraakt en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Feit 5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, acht het hof de onder 5 ten laste gelegde opzettelijke vernieling of beschadiging van (het glas van) de bedoelde voordeur evenmin bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

primair:

hij op 12 juli 2011 te Hoensbroek ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] van het leven te beroven, met dat opzet die [A] met een koevoet tegen zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

subsidiair:

hij op 12 juli 2011 te Hoensbroek [B] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een wandelstok wild om zich heen geslagen terwijl die [B] zich in de directe omgeving van hem, verdachte, bevond en voorwerpen in de richting van die [B] gegooid;

3.
hij op 12 juli 2011 te Hoensbroek opzettelijk en wederrechtelijk een TL-lamp en glazen potten, toebehorende aan [huisartsenpraktijk], en een otoscoop (merk Welchallyn), toebehorende aan [B], heeft vernield of beschadigd;


4A.
hij op 12 juli 2011 te Hoensbroek [C] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [C] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek je huis in de fik";

4B.

hij op 12 juli 2011 te Hoensbroek [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik sla je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Feit 1 primair (slaan met de koevoet)

Het hof acht bewezen dat de verdachte aangever [A] met een koevoet tegen het hoofd heeft geslagen.

[A] heeft hierover bij de politie op 14 juli 2011 (p. 45) - zakelijk weergegeven - verklaard:

“Ik zag dat [verdachte] (het hof leest: [verdachte], de verdachte) de koevoet vast had. Ik zag dat hij deze boven zijn schouders hief. Ik zag dat hij deze met snelheid en kracht richting mijn gezicht bracht. Ik voelde een harde klap en een hevige pijnscheut aan de linkerzijde van mijn gelaat.”

[H] heeft bij de politie op 13 juli 2011 (p. 71) - zakelijk weergegeven - verklaard:

“Ik zag dat hij (hof: de verdachte) het breekijzer in zijn rechterhand vasthield en dit omhoog hief tot ongeveer schouderhoogte. Ik zag uit deze beweging dat hij voornemens was om met kracht te gaan slaan. Ik zag vervolgens dat de man met kracht het breekijzer richting het gezicht van [A] bracht. Ik zag dat hij [A] hierbij met volle kracht in zijn gezicht raakte. Ik hoorde een harde klap.”

De verbalisanten die op 12 juli 2011 de aangifte van [A] hebben opgenomen, zagen dat de linkerzijde van diens gelaat bebloed en opgezwollen was (p. 41).

Naar het oordeel van het hof bestond er door het met een koevoet slaan tegen het hoofd van [A], op een wijze als door [A] en [H] beschreven, een naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans op de dood van [A].

Naar het oordeel van het hof dient de gedraging van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van [A], dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [A] heeft gehad.

Feit 2 subsidiair

Uit de verklaring van [B] bij de politie (p. 30-31), die steun vindt in de verklaringen van [F] (p. 62-63) en [G] (p. 64-65) bij de politie, blijkt onder meer het volgende.

De verdachte is op 12 juli 2011 de behandelkamer van de huisartsenpraktijk van [B] binnengegaan, alwaar [B] op dat moment in gesprek was met een (andere) patiënt. [B] heeft de verdachte verzocht weg te gaan. De verdachte gaf hieraan geen gevolg. De verdachte werd kwaad en begon met zijn wandelstok te zwaaien. [B] zat op dat moment achter haar bureau. De verdachte raakte met zijn wandelstok de TL-hanglamp boven haar bureau, zodanig dat de lamp aan een kant van de ophanging losschoot. [B] schrok enorm en voelde zich ernstig bedreigd; zij was bang dat de verdachte haar letsel zou toebrengen. De verdachte heeft voorts het bureau omhoog geduwd in de richting van [B], alle spullen van het bureau geveegd, tegen een in de behandelkamer staande vitrinekast geduwd waardoor diverse glazen potten uit die kast op de grond kapot vielen, de dokterstas van [B] met kracht in haar richting gegooid en diverse spullen van een andere kast geveegd.

Gelet hierop acht het hof bedreiging van [B] met zware mishandeling bewezen.

Die bedreiging was immers - gelet op het geheel van handelen van de verdachte en de context waarin dit plaatsvond, namelijk het inbreken in een consult met een andere patiënt - van dien aard en is onder zodanige omstandigheden geschied dat zij geschikt was bij [B] de redelijke vrees teweeg te brengen dat zij zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Uit de gedragingen van de verdachte volgt dat zijn opzet, ten minste in voorwaardelijke vorm, ook was gericht op het teweeg brengen van die vrees.

Feit 4

Anders dan door de raadsman is betoogd, is er bij het onder 4A en 4B bewezen verklaarde sprake van bedreigingen in de zin van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De bedreigingen van [C] ("Ik steek je huis in de fik") en [A] ("Ik sla je dood") zijn immers van dien aard en zijn onder zodanige omstandigheden geschied dat zij geschikt waren de redelijke vrees teweeg te brengen dat [C] het slachtoffer zou worden van brandstichting, respectievelijk dat [A] het leven zou kunnen verliezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

bedreiging met zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 4A bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

bedreiging met brandstichting,

strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 4B bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, drie bedreigingen en het vernielen/beschadigen van goederen.

Het hof rekent de verdachte in het bijzonder aan dat hij de confrontatie met [A] heeft opgezocht door tot tweemaal toe bij hem thuis langs te gaan; bij de tweede confrontatie heeft de verdachte hem met een koevoet, die hij van [A] had afgenomen, tegen het hoofd geslagen.

Het samenstel van de bedreiging met zware mishandeling van huisarts [B] en de vernieling/beschadiging van goederen acht het hof eveneens ernstig en laakbaar. De verdachte is bij die gelegenheid ingebroken in een consult van zijn huisarts met een andere patiënt, hij heeft geëist dat hij ter plekke onderzocht zou worden en heeft - toen dat om begrijpelijke redenen werd geweigerd - in het bijzijn van die patiënt de huisarts bedreigd door wild met een wandelstok om zich heen te slaan, daarbij vernielingen aan het interieur van de behandelkamer aanrichtend.

Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde en met de conclusie van drs. T. ’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog, in een Pro Justitia rapportage d.d. 30 november 2011 dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen. Het hof neemt die conclusie over.

Gelet op het voorgaande acht het hof een gevangenisstraf van 600 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 329 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Het onvoorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf is gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest (271 dagen, begindatum 12 juli 2011, einddatum 7 april 2012).

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van voormelde duur wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Het in beslag genomen imitatievuurwapen (p. 15) is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten werd aangetroffen en dit aan hem toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, te weten bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

De in beslag genomen hasjiesj en hennep (p. 12-13) dienen op grond van artikel 13a van de Opiumwet aan het verkeer te worden onttrokken.

Schadevergoeding

Benadeelde partijen [C] en [E]

De vorderingen van de benadeelde partijen [C] en [E] zijn in eerste aanleg niet toegewezen. Nu deze benadeelde partijen zich in hoger beroep niet opnieuw in het strafproces hebben gevoegd, zijn hun vorderingen in hoger beroep niet aan de orde.

Benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg ter zake van het onder 1 ten laste gelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 3.858,15 (bestaande uit EUR 858,15 materiële schade en EUR 3.000,-- immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 2.358,15 (bestaande uit EUR 858,15 materiële schade en EUR 1.500,-- immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2011.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering is derhalve in hoger beroep aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De vordering is gebaseerd op de stelling dat, zoals onder 1 ten laste gelegd, de benadeelde partij (i) door de verdachte is geslagen met een koevoet en (ii) opzettelijk door een glasruit is geduwd. Het hof acht (i) bewezen, maar spreekt vrij van (ii).

De gevorderde materiële schade (EUR 858,15) is in belangrijke mate gebaseerd op (ii), maar vanwege de vrijspraak kan de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet worden ontvangen. Het hof schat de materiële schade veroorzaakt door (i) naar redelijkheid en billijkheid op EUR 100,00 en zal dit bedrag toewijzen en voor het overige de vordering van materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.

De gevorderde immateriële schade (EUR 3000,00) is eveneens in belangrijke mate gebaseerd op (ii) (pees doorgesneden). Het hof waardeert de immateriële schade als gevolg van (i) naar billijkheid op een bedrag van EUR 900,00 - immers de benadeelde partij is met een koevoet tegen het hoofd geslagen en had doodgeslagen kunnen zijn - en zal dit bedrag toewijzen en voor het overige de vordering van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht om matiging van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld van de benadeelde partij aan het ontstaan van de schade. Het hof vat dit op als een beroep op artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.

Het hof ziet echter geen aanleiding voor vermindering van de vergoedingsplicht, nu de schade uitsluitend door toedoen van de verdachte is veroorzaakt. De verdachte is degene die naar de benadeelde partij is toegegaan en met hem in gevecht is gegaan en hem met een koevoet heeft geslagen.

Het hof zal aan de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Benadeelde partij [huisartsenpraktijk]

De benadeelde partij [huisartsenpraktijk] heeft in eerste aanleg ter zake van het onder 3 ten laste gelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 100,00 aan materiële schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de - niet gevorderde - wettelijke rente vanaf 12 juli 2011.

De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep, voor zover zij is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 100,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De wettelijke rente kan niet worden toegewezen, nu die niet door de benadeelde partij is gevorderd.

Het hof zal aan de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 60a, 63, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van ten laste gelegde onder 4 na het tweede en derde opsommingsteken.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 (zeshonderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 329 (driehonderdnegenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een imitatiewapen (kleur zwart, PATENTED MOD. 92f, nr. 1953606),
- 6,50 gram hasjiesj,
- 0,30 gram hennep.

Schadevergoeding [A] (feit 1)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) cent), bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 900,00 (negenhonderd euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A], een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro), bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 900,00 (negenhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Schadevergoeding [huisartsenpraktijk] (feit 3)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [huisartsenpraktijk] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [huisartsenpraktijk], een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 30 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Claassens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.