Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1247

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
20-003720-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof had de politierechter niet aan de behandeling ten gronde mogen toekomen, aangezien één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, te weten de verdachte, aldaar niet is verschenen, terwijl deze niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van het eerdere tijdstip van de terechtzitting. Het hof zal daarom het beroepen vonnis vernietigen en de zaak terugwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003720-12

Uitspraak : 2 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 26 oktober 2012 in de strafzaak met parketnummer 03-142415-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1976,

thans uit anderen hoofde verblijvende in D.C. Zeist, HvB arrestanten, mannen te Soesterberg,

waarbij verdachte ter zake van

  • -

    “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” en

  • -

    “handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod”

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat de dagvaarding in eerste aanleg alsnog nietig zal worden verklaard;

  • -

    subsidiair dat het hof aan verdachte ter zake van het onder 1. ten laste gelegde geen straf of maatregel zal opleggen.

Geldigheid van de behandeling in eerste aanleg

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de dagvaarding van verdachte in eerste aanleg nietig dient te worden verklaard en de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank Limburg. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet is getracht de dagvaarding uit te reiken op het verblijfsadres van verdachte, namelijk [naam] in Maastricht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de ID-staat SKDB d.d. 24 februari 2014 blijkt dat van de verdachte ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg op 9 oktober 2012 geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Uitreiking van die dagvaarding heeft dan ook plaatsgevonden aan de griffier van de rechtbank, zodat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.

Het hof stelt evenwel vast dat verdachte reeds bij zijn eerste verhoor heeft verklaard dat hij verblijft bij [naam] in Maastricht. Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat dit [naam] is gelegen op het [adres]. Er is echter nagelaten om een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg aan dat bekende adres van verdachte te verzenden krachtens het bepaalde van artikel 588a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop had de politierechter het onderzoek ter terechtzitting op grond van artikel 590, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moeten schorsen, in aanmerking genomen dat zich naar het oordeel van het hof geen omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was dan wel dat verdachte kennelijk geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. Het hof stelt vast dat de zaak in eerste aanleg ter terechtzitting van
26 oktober 2012 is behandeld en dat toen ook meteen vonnis is gewezen.

Gelet op het vorenstaande had de politierechter niet aan de behandeling ten gronde mogen toekomen, aangezien één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, (te weten: de verdachte) aldaar niet is verschenen, terwijl deze niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte was gebracht van de dag van de terechtzitting en niet is gebleken van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat hem die dag tevoren bekend was. Het hof zal bijgevolg de behandeling in eerste aanleg nietig verklaren.

Nu namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is verlangd, zal het hof de zaak niet zelf afdoen, doch de zaak terugwijzen naar de rechtbank Limburg.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 2 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.L.P. van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.