Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1244

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
20-004182-13
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2013:1068
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ongewenst vreemdeling. Terugkeerrichtlijn niet langer van toepassing op verdachte nu hij is teruggekeerd naar land van herkomst. Volgt oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004182-13

Uitspraak : 2 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 26 juli 2010, parketnummer 04-064295-09 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

waarbij verdachte:

  • -

    werd vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde;

  • -

    ter zake van “Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
    2 maanden.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij arrest van 7 november 2011, parketnummer 20-003238-10, heeft het hof, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep, de verdachte ter zake van “Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bij arrest van 9 oktober 2013, nr. S 11/05071, heeft de Hoge Raad voormeld arrest vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op het gedeelte van het beroepen vonnis dat na terugwijzing door de Hoge Raad aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Op te leggen straf

i.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    ten tijde van de aanhouding van verdachte op 3 juli 2009 de terugkeerprocedure nog niet was afgerond, zodat de Terugkeerrichtlijn in de weg staat aan oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

  • -

    de ongewenstverklaring van verdachte was opgelegd in verband met het meermalen overtreden van de Vreemdelingenwet en niet in verband met het plegen van strafbare feiten;

  • -

    de ongewenstverklaring van verdachte inmiddels is opgeheven;

  • -

    verdachte een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf heeft ingediend om in Nederland te kunnen verblijven bij zijn partner en twee kinderen, terwijl criminele antecedenten een contra-indicatie vormen voor het afgeven van de machtiging tot voorlopig verblijf.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

ii.

Uit de inhoud van het procesdossier blijkt dat de verdachte op 14 augustus 2013 is uitgezet naar Marokko en aldus is teruggekeerd naar zijn land van herkomst.

Daaruit volgt dat te dezen de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven1 (kort gezegd: ‘de Terugkeerrichtlijn’) niet van toepassing is. Immers, de Terugkeerrichtlijn, is gelet op artikel 2, eerste lid, van die richtlijn slechts van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.

Nu verdachte is teruggekeerd naar het land van herkomst, is de Terugkeerrichtlijn (thans) niet langer op hem van toepassing.

Het hof ziet in hetgeen namens de verdachte met betrekking tot de Terugkeerrichtlijn is aangevoerd dan ook geen aanleiding te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

iii.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan het hof het raadzaam zou achten om te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Bijgevolg wordt het beroep op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht verworpen.

iv.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op: de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 februari 2014, reeds op 12 maart 2007 en 15 januari 2008 door de strafrechter is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 197 van het
    Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van onwettig verblijf in Nederland. In aanmerking genomen dat verdachte voor het begaan van het bewezen verklaarde feit reeds twee maal was veroordeeld wegens artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht geven genoemde oriëntatiepunten als indicatie voor de op te leggen straf, een

een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Gelet evenwel op het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit ziet het hof thans aanleiding te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Aldus gewezen door

mr. J.J. van der Kaaden, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 2 mei 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.L.P. van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 PbEU 2008, L348/98.