Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1217

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
Wr 215-07-2014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/859
V-N 2014/27.26.1

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek

Registratienummer: wraking 215-07-2014

Datum uitspraak: 2 april 2014

BESLISSING

op het verzoek als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de zaken met zaaknummers

1. BK-13/00331 t/m BK-13/00346 en BK-13/00415 t/m BK-13/00430 van [belanghebbende 1]

2. BK-13/00347 t/m BK-13/00351 en BK-13/00431 t/m BK-13/00435 van [belanghebbende 2]

3. BK-13/00352 t/m BK-13/00366 en BK-13/00436 t/m BK-13/00455 van [belanghebbende 3]

4. BK-13/00367 t/m BK-13/00371 en BK-13/00456 t/m BK-13/00460 van [belanghebbende 4]

5. BK-13/00372 t/m BK-13/00376 en BK-13/00466 t/m BK-13/00470 van [belanghebbende 5]

6. BK-13/00377 t/m BK-13/00392 en BK-13/00471 t/m BK-13/00486 van [belanghebbende 6]

7. BK-13/00393 t/m BK-13/00398 en BK-13/00487 t/m BK-13/00492 van [belanghebbende 7]

(hierna te noemen: verzoekers) van verzoekers

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de Inspecteur,

strekkende tot wraking van mr. J.W.J. Huige.

1 Het procesverloop

Bij brief van 31 maart 2014 is door [A], advocaat te [B], namens verzoekers aangekondigd ter zitting van 2 april 2014 een verzoek tot wraking van mr. J.W.J. Huige te doen. Ter zitting van de Meervoudige Belastingkamer van 2 april 2014 is vervolgens het wrakingsverzoek gedaan.

De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek terstond ter zitting van 2 april 2014 behandeld, alwaar mr. Huige alsmede, namens verzoekers, [A] zijn verschenen en gehoord. Bij die gelegenheid hebben verzoekers het wrakingsverzoek nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Mr. Huige heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten en heeft mondeling gereageerd op het wrakingsverzoek. Van het verhandelde ter zitting van de Belastingkamer was een proces-verbaal beschikbaar.

Na de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en heeft de wrakingskamer aanstonds deze uitspraak gedaan.

2 De gronden voor de wraking

Aan het wrakingsverzoek hebben verzoekers ten grondslag gelegd dat mr. Huige, die als lid van de Belastingkamer over hun zaken zal moeten oordelen, in een eerdere vergelijkbare zaak (met andere belanghebbenden) op 19 december 2013 als voorzitter van de Meervoudige Belastingkamer uitspraak heeft gedaan over de vraag of de Inspecteur bij het opleggen van navorderingsaanslagen voldoende voortvarendheid heeft betracht. Verzoekers zijn van oordeel dat mr. Huige onvoldoende in staat zal zijn terug te komen op dit oordeel (welk oordeel volgens verzoekers onjuist is gelet op de beslissing van de Hoge Raad d.d. 28 maart 2014 in een andere vergelijkbare zaak) en aldus niet zonder vooringenomenheid in de zaken van verzoekers zal kunnen oordelen.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is hieraan nog een tweede grond toegevoegd: mr. Huige heeft zich tijdens een zitting van de Belastingkamer op 25 maart 2014, waarin [A] namens andere belanghebbenden optrad, uitgelaten over de (on)mogelijkheid om in die zaken een voorwaardelijk verzoek om een tussenuitspraak te doen en over de (on)aanvaardbaarheid van een bewijsaanbod dat zou zijn gedaan.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 14, eerste lid, van het IVBPR dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

De enkele omstandigheid dat mr. Huige als voorzitter van de Meervoudige Belastingkamer in een eerdere vergelijkbare zaak (de uitspraak van 19 december 2013) heeft geoordeeld dat (in die zaak) de inspecteur met voldoende voortvarendheid heeft gehandeld, levert nog geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor onder 3.1 bedoeld. Het hoort tot de normale, wettelijke taak van de rechter, die heeft te beslissen over geschillen die aan hem zijn voorgelegd, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen in die zaak naar voren is gebracht en bij gelegenheid van het onderzoek in die zaak is gebleken, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken tussen andere partijen buiten beschouwing te laten (vergelijk onder meer HR 20 april 2004, NJ 2005, 241).

Het voorgaande geldt evenzeer voor de uitlatingen die door mr. Huige zijn gedaan op 25 maart 2014 ten aanzien van verzoeken die door [A] zouden zijn gedaan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van zaken van andere belanghebbenden, waarbij de wrakingskamer opmerkt dat in die zaken nog geen uitspraak door de Belastingkamer is gedaan.

3.3.

Noch in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 19 december 2013, noch in de zaken die op 25 maart 2014 ter zitting zijn behandeld waren verzoekers partij en is geen oordeel gegeven over de thans aan de orde zijnde navorderingsaanslagen dan wel over eventuele verzoeken die [A] namens zijn cliënten wenst te doen, zodat mr. Huige op generlei wijze is gebonden aan hetgeen in de uitspraak d.d. 19 december 2013 of tijdens de zitting van 25 maart 2014 is beslist of meegedeeld. Dit betekent dat de uitgangspunten, zoals hiervoor onder 3.1 en 3.2 vermeld, onverkort gelden.

Van bijzondere omstandigheden, die in dit geval tot een afwijking van deze uitgangspunten zouden moeten leiden, is de wrakingskamer niet gebleken.

3.4.

De conclusie is dat uit hetgeen [A] heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat mr. Huige in de thans aanhangige zaken een vooringenomenheid jegens verzoekers koestert, noch dat de dienaangaande bij verzoekers bestaande vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek is dan ook niet toewijsbaar.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het wrakingsverzoek;

  • -

    beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekers, de Inspecteur, alsmede aan mr. Huige.

Aldus gedaan door mrs. N.J.M. van Etten, voorzitter, K.J. van Dijk en J. Swinkels, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.A.M. van den Broek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2014.