Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1210

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
HD 200.134.147_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1078, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verval van recht memorie van grieven. Hof komt niet terug op beslissing rolraadsheer. De aanzegging in de appeldagvaarding wordt niet als grief aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.147/01

arrest van 29 april 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 Stomerij [Stomerij] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant 2.],
wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A.J.G. Bisscheroux te Kerkrade,

tegen

1 [Beheer] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [geintimeerde 2.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. H.J.M. Stassen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen vonnis van 3 juli 2013 tussen appellanten – tezamen: Stomerij c.s. en afzonderlijk: Stomerij resp. [appellant 2.] – als eisers in conventie, verweerders in reconventie en geïntimeerden – tezamen: [Beheer] c.s. en afzonderlijk: [Beheer] resp. [geintimeerde 2.] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/174055/HAZA 12-336)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de op de rol van 10 december 2013 ambtshalve verleende akte niet-dienen van memorie van grieven;

- de akte uitlating pleidooiverzoek van Stomerij c.s. met productie;

- de akte uitlating van [Beheer] c.s.;

- de brief van het hof van 17 maart 2014 aan beide partijen waarin het hof meedeelt dat de door Stomerij c.s. bij akte uitlating pleidooiverzoek als productie bijgevoegde memorie van grieven niet tot de processtukken behoort;

- het pleidooi van 31 maart 2014, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

Stomerij [appellant 2.] B.V. heeft in 2011 van [Beheer] voor een bedrag van € 475.000,= gekocht en geleverd gekregen de aandelen in DLI Dry Cleaning en Laundry International B.V., verder te noemen: ‘DLI’. Stomerij werd daarbij vertegenwoordigd door [appellant 2.] en [Beheer] door [geintimeerde 2.]. Op 10 juni 2011 hebben partijen hun overeenkomst schriftelijk vastgelegd. Op 30 augustus 2011 zijn partijen onder meer een verlaging van de koopprijs met € 50.000,= overeengekomen, waarna op 30 september 2011 de aandelen bij notariële akte zijn geleverd.

Tijdens de gevoerde onderhandelingen waren partijen ermee bekend dat [klant van DLI] [vestigingsnaam] B.V., verder te noemen: ‘[klant van DLI]’, een klant van DLI, de voor de diensten van DLI betaalde prijzen naar beneden wenste aan te passen. Bij brief van 30 juni 2011 meldde [klant van DLI] aan DLI dat zij met ingang van 1 oktober 2011 de samenwerking opzegde. Op of omstreeks 1 oktober 2011 is [appellant 2.] door (onder meer) [geintimeerde 2.] op de hoogte gesteld van het feit dat [klant van DLI] de samenwerking had beëindigd.

Naar aanleiding van een lekkage in een stoomleiding hebben partijen op 11 november 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij onder meer de koopprijs is verlaagd met € 10.000,=. De tekst van deze overeenkomst luidt onder meer (prod. 37 inl. dgv.):

6. Partijen komen overeen dat deze afspraken tevens inhouden dat met deze aanpassing van € 10.000 door [appellant 2.] geen aanspraken en/of claims bij [Beheer] c.q. [geintimeerde 2.] meer ingediend zullen worden uit welke hoofde dan ook’.

3.1.2

In eerste aanleg vorderden Stomerij c.s. in conventie:

- een verklaring voor recht dat de koopovereenkomsten - waarmee wordt gedoeld op de overeenkomst strekkende tot levering van de aandelen DLI en die onder meer strekkend tot de prijsverlaging van € 10.000,00 - alsook de daaraan gekoppelde overeenkomsten betreffende geldlening, hypotheekstelling en borgstelling zijn vernietigd wegens bedrog althans dwaling,

- veroordeling van [Beheer] en/of [geintimeerde 2.] tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en

- veroordeling van [Beheer] en [geintimeerde 2.] tot betaling van buitengerechtelijke en proceskosten.

In (voorwaardelijke) reconventie vorderden [Beheer] c.s.:

- veroordeling van Stomerij tot betaling van € 75.000,00 vermeerderd met rente en kosten en - onder de voorwaarde dat in conventie de gevraagde verklaring voor recht wordt gegeven: veroordeling van Stomerij tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat,

- veroordeling van Stomerij in de proceskosten, waaronder begrepen nakosten.

3.1.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis alle vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen en beslissingen over de proceskosten genomen.

De rechtbank heeft over de vorderingen in conventie het navolgende overwogen:

in conventie

4.1.

Aan alle aangevoerde grondslagen leggen Stomerij en [appellant 2.] de stelling ten grondslag dat [geintimeerde 2.], handelend namens [Beheer], zowel voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van 10 juni 2011 als voorafgaand aan de overeenkomst van 11 november 2011, de communicatie tussen hem en [klant van DLI] heeft verzwegen en daarmee met name heeft verzwegen het risico dat de relatie tussen [klant van DLI] en DLI zou worden beëindigd respectievelijk het feit dat de relatie was beëindigd.

[Beheer] en [geintimeerde 2.] hebben - met name onder verwijzing naar de hiervoor onder de feiten vermelde communicatie tussen [geintimeerde 2.] enerzijds en [appellant 2.] anderzijds - betoogd dat het aan [geintimeerde 2.] gemaakte verwijt niet terecht is. Daarbij voeren zij aan dat [geintimeerde 2.] er tot 30 juni 2011 vanuit ging dat de relatie met DLI in stand zou blijven en dat de door hem gevoerde onderhandelingen tot nieuwe afspraken zouden leiden. Daarnaast benadrukken zij dat het, bij gebreke van een vaste contractuele relatie tussen DLI en [klant van DLI], altijd mogelijk was dat de samenwerking zou worden beëindigd, hetgeen bekend was bij Stomerij/[appellant 2.]. Zij refereren in dit kader aan het bedrijfsrisico. Daarnaast stellen [Beheer] en [geintimeerde 2.] dat de vorderingen van Stomerij en [appellant 2.] in ieder geval moeten afstuiten op hetgeen is vastgelegd in de overeenkomst van 11 november 2011. Volgens [Beheer] en [geintimeerde 2.] is overeengekomen dat [appellant 2.] in de toekomst geen aanspraken of claims meer zal indienen bij [appellant 2.] uit welke hoofde dan ook, terwijl [geintimeerde 2.] op dat moment bovendien op de hoogte was van de beëindiging van de relatie DLI - [klant van DLI].

4.2.

De rechtbank volgt het standpunt van [Beheer] en [geintimeerde 2.], waartoe het volgende.

Uit de aan [appellant 2.] verstrekte informatiebrochure, het verslag van het op 26 februari 2011 tussen [appellant 2.] en [geintimeerde 2.] gevoerde gesprek en de aan [appellant 2.] verstrekte prognoses blijkt dat [appellant 2.] door [geintimeerde 2.] vóór het sluiten van de koopovereenkomst op 10 juni 2011 is geïnformeerd over het voornemen van [klant van DLI] tot prijsverlaging en het feit dat daarover - en over compenserende omzet - door [geintimeerde 2.] (namens DLI) en [klant van DLI] werd onderhandeld. Ten aanzien daarvan heeft [geintimeerde 2.] dan ook vóór het sluiten van de koopovereenkomst geen zaken verzwegen die hij had moeten meedelen. De inhoud van de in die periode tussen DLI en [klant van DLI] gevoerde communicatie geeft de rechtbank bovendien geen aanleiding om aan te nemen dat [geintimeerde 2.] toen in een zodanig mate rekening moest houden met beëindiging van de relatie tussen DLI en [klant van DLI] dat hij [appellant 2.] daarnaast hierover moest informeren. Daarbij speelt een rol dat [geintimeerde 2.] er vanuit mocht gaan dat [appellant 2.] - die op de hoogte was van de door [klant van DLI] aangekondigde prijsverlaging, het feit dat er tussen DLI en [klant van DLI] werd onderhandeld over de condities waaronder de samenwerking zou (kunnen) worden voortgezet en het feit dat er geen vaste contractuele relatie met [klant van DLI] bestond - op dit punt zelf nader onderzoek zou doen indien hij daaraan belang hechtte.

De conclusie is dat [geintimeerde 2.] niet heeft gezwegen waar er een rechtsplicht tot spreken was. Het op een andersluidende opvatting gebaseerde standpunt van Stomerij en [appellant 2.] dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog of dwaling en/of [geintimeerde 2.] en [Beheer] onrechtmatig hebben gehandeld wordt daarom niet gehonoreerd.

Eenzelfde conclusie moet worden getrokken ten aanzien van de overeenkomst van

11 november 2011. Op dat moment wist [appellant 2.] immers van de beëindiging van de relatie tussen [klant van DLI] en DLI, aangezien hem dat op of omstreeks 1 oktober 2011 was meegedeeld. Stomerij en [appellant 2.] hebben niet verder geduid welk onrechtmatig handelen [geintimeerde 2.] en/of [Beheer] in dat kader wordt verweten, zodat aan hun stellingen dienaangaande voorbij wordt gegaan.

Gelet op de overeenkomst van 11 november 2011 heeft tevens te gelden dat, indien [geintimeerde 2.] voor 10 juni 2011 verwijtbaar zou hebben gezwegen ten aanzien van de situatie rondom [klant van DLI], dat niet tot enige aanspraak van Stomerij had kunnen leiden. Middels de afspraken van 11 november 2011 is immers overeengekomen dat - in ruil voor verdere verlaging van de koopprijs - door Stomerij afstand werd gedaan van verdere claims, hetgeen zeker ook zou gelden voor claims uit hoofde van de inmiddels bij [appellant 2.] bekende einde van de relatie met [klant van DLI]. De rechtbank volgt Stomerij en [appellant 2.] niet in hun stelling dat de overeenkomst slechts werd gesloten in verband met de kwesties milieuschade en leidingwerk. [geintimeerde 2.] heeft voor het afsluiten van de overeenkomst immers duidelijk gemaakt dat het wat hem betreft een volledige uitsluiting van claims zou worden overeengekomen en dat is - juist met de kwestie milieuschade als enige uitzondering - ook zo opgenomen in de tekst van de overeenkomst. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan partijen desalniettemin over en weer er op mocht vertrouwen dat die afspraak beperkt was tot de kwestie leidingwerk.

4.3.

Al het bovenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van Stomerij en [appellant 2.] zullen worden afgewezen. Stomerij en [appellant 2.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Beheer] en [geintimeerde 2.] worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.479,00

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld’.

3.1.4

In de appeldagvaarding heeft Stomerij c.s. de volgende aanzegging aan [Beheer] c.s. gedaan:

dat mij rekwiranten hiermede – op grond dat die beslissing op de nog nader bij memorie van grieven te adstrueren gronden, o.a. inhoudend dat de bestreden beslissing niet (voldoende) wordt gedragen door de feiten – in hoger beroep komen van het eindvonnis d.d. 3 juli 2013 gewezen tussen partijen door de Rechtbank Limburg, Burgerlijk recht, zittingsplaats Maastricht, onder zaak/rolnummer C/03/174055/ HA ZA 12-336 (onderstreping door hof)’.

3.1.5

De vorderingen en beslissingen in reconventie zijn niet aan het oordeel van het hof voorgelegd.

3.2.1

In hun pleitnota verzoeken Stomerij c.s. het hof terug te komen op de beslissing van de rolraadsheer van 10 december 2013 waarbij akte niet-dienen van het nemen van de memorie van grieven werd verleend. Zij voeren daartoe aan dat:

a. a) de memorie van grieven op 10 december 2013 vóór het roltijdstip van 10.00 uur per fax op de griffie van het hof is aangekomen;

b) de memorie van grieven op 10 december 2013 per post op de griffie van het hof is aangekomen, maar dat alleen niet bekend is op welk tijdstip.

3.2.2

Het hof ziet in het onder a) aangevoerde argument geen aanleiding om terug te komen op de verleende akte niet-dienen.

Art. 33 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) luidt:

Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement’.

Ook de verzending per fax is een vorm van elektronisch verkeer (MvT, Kamerstukken II 2006/07, 30 815, nr. 3, p. 13).

Artikel 2.1 van het Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Tijdstip en wijze van indiening

Voor zover in artikel 3.1 niet anders is bepaald, wordt een voor een roldatum bestemd processtuk uiterlijk op het inlevertijdstip ter griffie ingediend door verzending per post of door afgifte aan de centrale balie. Per telefax ingediende processtukken worden niet in behandeling genomen(…)’.

Ter uitvoering van deze bepalingen heeft de griffie het door Stomerij c.s. ingediende H3-formulier aan hen geretourneerd. Op dat formulier is met een stempel meegedeeld: ‘Rolinstructies en/of bijbehorende stukken worden per fax niet geaccepteerd’.

Het hof overweegt dat met de weigering van de gefaxte memorie van grieven op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de toepasselijke bepalingen.

Weliswaar beroepen Stomerij c.s. zich, impliciet, nog op het bepaalde in art. 33 lid 3 Rv dat gaat over de elektronische ontvangst van processtukken door een gerecht, en meer in het bijzonder: ‘…Verzendingen die voor 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend’. Stomerij c.s. gaan er daarbij echter aan voorbij dat deze bepaling alleen geldt indien het gerecht de elektronische verzending van het processtuk heeft toegestaan, maar daarvan is geen sprake.

3.2.3

Het hof overweegt dat het onder b) aangevoerde argument feitelijke grondslag mist.

Anders dan Stomerij c.s. in hun pleitnota stellen, is de per post verzonden memorie niet op de roldatum van dinsdag 10 december 2013 ter griffie aangekomen, maar op woensdag 11 december 2013. Aan Stomerij c.s. is daarvan ook bericht gezonden door middel van een voorgedrukt faxformulier, gedateerd 11 december 2013. De waarnemend griffier heeft op die datum geconstateerd dat de stukken te laat zijn ingediend. Zij heeft daarbij nog vermeld: ‘was voor 10/12/13’.

3.2.4

Mede in verband met art. 1.6 en 1.15 van het procesreglement, overweegt het hof dat er evenmin andere redenen zijn gesteld of ambtshalve zijn gebleken die aanleiding zouden geven om terug te komen op de beslissing tot het verlenen van de akte niet-dienen.

3.3.1

Het hof stelt voorop dat de grenzen van het geschil in hoger beroep in beginsel worden bepaald door de appeldagvaarding en de memorie van grieven. Voor zover de appellant tegen een eindbeslissing in eerste aanleg geen grief heeft aangevoerd, blijft deze buiten de rechtsstrijd behoudens de werking van de openbare orde en de devolutieve werking van het hoger beroep binnen het door de grieven omsloten gebied. Als grieven worden aangemerkt alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de appelrechter en de wederpartij, die immers moet weten waartegen zij zich heeft te verweren, voldoende kenbaar zijn.

3.3.2

Gelet op de akte niet-dienen voor wat betreft de memorie van grieven komt het erop aan of de appeldagvaarding van Stomerij c.s. een voor [Beheer] c.s. en het hof voldoende kenbare grief bevat. Met [Beheer] c.s. is het hof van oordeel dat de in de dagvaarding opgenomen zinsnede: ‘op grond dat die beslissing op de nog nader bij memorie van grieven te adstrueren gronden, o.a. inhoudend dat de bestreden beslissing niet (voldoende) wordt gedragen door de feiten’ niet als een voldoende kenbare grief valt aan te merken.

Uit de formulering valt af te leiden dat Stomerij c.s. de zinsnede ook niet als zodanig hebben bedoeld nu zij verwijzen naar de nog bij memorie van grieven te geven onderbouwing. Nu die onderbouwing is uitgebleven valt de zin ook niet als grief aan te merken. In wezen onderkennen Stomerij c.s. dit ook nu zij in hun pleitnota de formulering omschrijven als: ‘een – weliswaar algemeen geformuleerde – grief’.

Dat de formulering te algemeen is om als voldoende kenbare grief te worden aangemerkt volgt ook uit de inhoud van de door de rechtbank in conventie gegeven motivering (zie hiervoor onder 3.1.3). De rechtbank heeft geoordeeld over op verschillende momenten tussen partijen gevoerde onderhandelingen en gesloten overeenkomsten. In eerste aanleg hebben Stomerij c.s. hun standpunten onderbouwd met een beroep op vele feiten en 49 in het geding gebrachte producties. Met geen mogelijkheid valt voor [Beheer] c.s. en het hof uit de algemeen geformuleerde grief voldoende specifiek af te leiden op welke specifieke overweging van de rechtbank het bezwaar is gericht en evenmin wat dat bezwaar inhoudt.

Het hof merkt de zinsnede in de dagvaarding dan ook niet als grief aan.

3.3.3

Evenmin kan gezegd worden dat de in de dagvaarding opgenomen zinsnede voldoende concreet is zodat nadere stellingen van Stomerij c.s. bij pleidooi als een toelaatbare precisering daarvan zouden kunnen gelden. Daar komt bij dat Stomerij c.s. tijdens het pleidooi hebben volstaan met het geven van een kernachtige samenvatting van de feitelijke casus hetgeen niet als een precisering van enige reeds aangevoerde grief kan worden aangemerkt.

Evenmin hebben Stomerij c.s. alle stellingen en feitelijke onderbouwingen uit eerste aanleg herhaald, noch daargelaten de vraag of dat binnen de grenzen van het grievenstelsel toereikend zou zijn.

[Beheer] c.s. hebben verder uitdrukkelijk te kennen geven niet te willen instemmen met tardieve grieven. [Beheer] c.s. hebben ten pleidooie, subsidiair, weliswaar inhoudelijk op de zaak gereageerd, maar zij hebben dit voorwaardelijk gedaan, en wel alleen voor het geval het hof de zinsnede in de appeldagvaarding als grief zou aanmerken. Daarvan is echter geen sprake zodat het hof niet inhoudelijk op de zaak zal ingaan.

3.4

Het hof zal Stomerij c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep verklaren nu zij geen grieven tegen het bestreden vonnis hebben aangevoerd. Stomerij c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4 De uitspraak

Het hof:

4.1.

verklaart Stomerij c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;

4.2.

veroordeelt Stomerij c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Beheer] c.s. tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 683,= aan verschotten en € 1.788,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, L.S. Frakes en A.J. Coster en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 april 2014.