Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1208

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
HD 200.133.192_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dringende reden voor onverwijlde opzegging arbeidsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0411
AR 2014/260

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.133.192/01

arrest van 29 april 2014

in de zaak van

[de man], hodn Dakkapellenspecialist [Dakkapellenspecialist],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B.G.M. de Ruijter te Tilburg,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Aerts te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, gewezen vonnis van 17 april 2013 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 731602 CV EXPL 12-6472)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met één productie;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met één productie;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[appellant] heeft een eenmanszaak en handelt onder de naam Dakkapellenspecialist [Dakkapellenspecialist].

4.1.2.

[geïntimeerde] is op 23 augustus 2004 bij [appellant] in dienst getreden als montagemedewerker, tegen een loon van € 2.142,- bruto per vier weken, exclusief 8, 25 % vakantietoeslag en emolumenten.

4.1.3.

[geïntimeerde] is gehuwd geweest met een dochter van [appellant], [dochter van appellant] genaamd. Zij is in 2010 overleden. Uit de relatie tussen [geïntimeerde] en de dochter van [appellant] is een kind, een meisje, geboren.

4.1.4.

[zoon 1.] ([zoon 1.] genoemd) ( geboren op [geboortedatum] 1972) en [zoon 2.] (geboren op [geboortedatum] 1986) zijn zoons van [appellant]. Beiden zijn of waren tevens in dienst bij [Dakkapellenspecialist].

4.1.5.

Op 14 december 2011 heeft [appellant] een ontslagvergunning voor [geïntimeerde] aangevraagd. Deze vergunning is op 28 februari 2012 door UWV Werkbedrijf verleend, waarna de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] bij schrijven van 14 maart 2012 (kennelijk voor zover vereist) per 20 april 2012 is opgezegd.

4.1.6.

Tussen 14 december 2011, datum aanvraag ontslagvergunning en 28 februari 2012, de datum waarop de ontslagvergunning is verleend, heeft zich, op 20 januari 2012, een incident voorgedaan. [geïntimeerde] is in gevecht geraakt met (in ieder geval) [zoon 1.]. Het gevecht vond plaats onder werktijd op het bedrijfsterrein van [Dakkapellenspecialist], aan de [bedrijfsadres] te [vestigingsplaats]. Beiden hebben aangifte gedaan van mishandeling. [geïntimeerde] op 20 januari 2012 en [zoon 1.] op 21 januari 2012, toen hij als verdachte werd gehoord.

4.1.7.

Bij brief van 20 januari 2012 heeft [appellant] [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. De ontslagbrief, luidt als volgt:

“ BETREFT: ONTSLAG OP STAANDE VOET

Geachte heer [geïntimeerde],

Hedenochtend heeft u met de heer [zoon 1.] woorden gehad op ons terrein, wat uitmondde in een gevecht. Wij gaan ervan uit dat ons personeel fatsoenlijk met elkaar om gaat, en niet op deze manier. Een collega van ons heeft nog geprobeerd om u uit elkaar te halen, dit heeft niet mogen baten.

Daar wij dit niet binnen ons bedrijf kunnen tolereren, ontsla ik u op staande voet.

(…)”

4.1.8.

Bij brief van 22 februari 2012 aan [appellant] heeft de advocaat van [geïntimeerde], Aerts, voornoemd ontslag vernietigd. Als grond voor de vernietiging is aangevoerd dat [geïntimeerde] als slachtoffer heeft te gelden en daarom geen sprake is van een dringende reden voor ontslag, terwijl de op grond van het BBA vereiste opzegvergunning ontbreekt. Voorts is [appellant] gesommeerd tot volledige na- en tijdige doorbetaling van het volledige salaris en emolumenten van [geïntimeerde] met rente ex artikel 6:119 BW en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW. De onderhavige brief heeft, zo schrijft Aerts, tevens als ziekmelding van [geïntimeerde] per 20 januari 2012 te gelden. [geïntimeerde] heeft zich bereid verklaard naar vermogen te re-integreren en arbeid te verrichten, onder de voorwaarde dat zijn veiligheid op de werkvloer absoluut wordt gegarandeerd.

4.2.1.

Bij dagvaarding van 3 juli 2012 is [geïntimeerde] de onderhavige procedure gestart.

[geïntimeerde] stelt dat zijn ontslag op staande voet niet stoelt op een dringende reden in de zin van artkel 7:678 BW, nu hij juist slachtoffer en geen dader is in het incident dat zich op 20 januari 2012 heeft voorgedaan. Het ontslag is, zo stelt hij, terecht vernietigd en het dienstverband loopt door tot het moment dat dit op rechtsgeldige wijze is beëindigd, te weten 20 april 2012.

[geïntimeerde] heeft, kort gezegd, gevorderd voor recht te verklaren dat de opzegging van 20 januari 2012 vernietigd is en dat de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] ook na 20 januari 2012 is blijven bestaan tot het moment dat deze arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

Voorts heeft hij, kort gezegd, gevorderd:

betaling van loon over de periode 1 januari 2012 tot en met 20 april 2012 ad € 8.568,00, met wettelijke rente;

een bedrag van € 4284,00 ter zake wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW, met wettelijke rente;

een bedrag van € 1767,15 ter zake vakantietoeslag over de periode week 29 2011 tot en met 20 april 2012, met wettelijke rente en wettelijke verhoging ad € 883,58;

betaling van emolumenten en premies;

buitengerechtelijke kosten en proces- en nakosten,met rente.

4.2.2.

Bij conclusie van antwoord heeft [appellant], kort gezegd, gesteld dat het ontslag op staande voet geldig is en aan het dienstverband met [geïntimeerde] op 20 januari 2012 een einde is gekomen en dat het salaris over 1 tot en met 13 januari 2012 (bij wijze van voorschot) is betaald. [geïntimeerde] heeft, zo stelt [appellant] nog slechts een bedrag van € 459,00 bruto aan loon over de periode 16 januari 2012 tot en met 19 januari 2012 en een bedrag van € 1005,91 bruto, over de periode ultimo 2011 tot 20 januari 2012, aan vakantiegeld te vorderen, welke bedragen [appellant] wenst te verrekenen met zijn vordering in reconventie. De verschuldigdheid van wettelijke rente en wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW is door [appellant] betwist, hetgeen ook geldt voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten en proceskosten waaronder nakosten met rente.

In reconventie heeft [appellant], op grond van de artikelen 7:677 lid 3 jo 7:680 BW aanspraak gemaakt op gefixeerde schadevergoeding ad € 2.142,00.

4.2.3.

Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft [geïntimeerde] de vordering in reconventie betwist. Als productie 5 heeft hij processen-verbaal uit de strafzaak jegens [zoon 1.], zoals [geïntimeerde] deze van Bureau Slachtofferhulp heeft ontvangen, overgelegd.

4.3.1.

Bij vonnis van 29 augustus 2012 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Van de comparitie, gehouden op 10 oktober 2012, is proces-verbaal opgemaakt.

4.3.2.

Bij vonnis van 17 april 2013 heeft de kantonrechter, in conventie, voor recht verklaard dat het aan [geïntimeerde] op 20 januari 2012 gegeven ontslag op staande voet nietig is en de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met [appellant] op 20 april 2012 is geëindigd door opzegging.

[appellant] is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van:

a. € 7.425, 24 bruto ter zake van loon over het tijdvak van 15 januari 2012 tot en met 20 april 2012;

b. € 612, 58 ter zake van vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 21 april 2012 tot de dag der algehele voldoening;

c. € 803,78 ter zake van wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 17 juli 2012 tot de dag der algehele voldoening;

d. de wettelijke rente over € 459,- bruto vanaf 1 februari 2012 tot de dag der algehele voldoening;

e. de wettelijke rente over € 2.320,50 bruto per maand ter zake van loon over het tijdvak van 1 februari 2012 tot en met 20 april 2012, telkens vanaf de vervaldag tot de dag der algehele voldoening;

De vordering van [appellant] in reconventie is afgewezen.

In conventie en reconventie zijn de proceskosten gecompenseerd.

4.4.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven gericht tegen het vonnis van 17 april 2013 en geconcludeerd tot, kort gezegd, vernietiging van dat vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde].

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen dringende reden bestaat voor ontslag op staande voet, nu niet vaststaat dat [geïntimeerde] de confrontatie heeft gezocht en daarbij heeft geslagen, noch dat [geïntimeerde] ten tijde van de woordenwisseling die aan het gevecht voorafging, dan wel ten tijde van het gevecht, had kunnen weglopen. Dat gezien het voorgaande [geïntimeerde] op goede gronden de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft ingeroepen en [geïntimeerde] tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 20 april 2012 aanspraak heeft op betaling van loon, voor zover niet doorbetaald.

Grief 2 is gericht tegen de door de kantonrechter toegekend wettelijke verhoging van 10%.

Grief 3 is gericht tegen de afwijzing van de reconventionele vordering.

4.5.1.

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 7:678 eerste lid, BW worden als dringende redenen in de zin van het eerste lid van artikel 7:677 BW beschouwd, zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag òf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst toch gerechtvaardigd is.

De vraag of de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging, behoort derhalve te worden beantwoord in het kader van de vraag of sprake is van een dringende reden. (vgl. Hoge Raad 12 februari 1999, NJ 1999,643; ECLI:NL:HR:1999:ZC2849).

Het hof stelt verder het volgende voorop. Op grond van artikel 7:677, eerste lid, BW moet de dringende reden voor ontslag op staande voet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Deze eis strekt ertoe de werknemer in staat te stellen zijn standpunt met betrekking tot het gegeven ontslag te bepalen en in het bijzonder om hem er reeds aanstonds mee op de hoogte te brengen met welke ontslaggrond hij in een eventueel rechtsgeding zal worden geconfronteerd.

Het vorenstaande brengt mee dat in een ter zake van het ontslag op staande voet gevoerd rechtsgeding met eerdere gedragingen van de werknemer, ter beoordeling van de dringendheid van de ontslagreden, alleen rekening mag worden gehouden indien het voor de werknemer ten tijde van de mededeling van de ontslagreden duidelijk was dat die eerdere gedragingen mede bepalend waren voor het oordeel van de werkgever dat ontslag op staande voet op zijn plaats was. Aan deze eis is voldaan niet alleen als die eerdere gedragingen in de meegedeelde ontslagredenen zijn aangeduid, maar ook als de werknemer in de gegeven omstandigheden moet hebben begrepen dat eerdere – niet met zoveel woorden – aangeduide gedragingen van hem hebben bijgedragen tot voormeld oordeel van de werkgever.

4.5.2.

Met grief 1 betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de verklaring van [zoon 2.] voor de politie, dat [geïntimeerde] is begonnen met vechten en dat [zoon 2.] in het geheel niet heeft gevochten, welke verklaring overeenstemt met de verklaring voor de politie van [zoon 1.]. Voorts betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] zich wel degelijk aan het gevecht had kunnen onttrekken. [geïntimeerde] heeft immers verklaard dat hij de geweldseruptie heeft zien aankomen van wege de spanningen omtrent de nalatenschap (van zijn overleden vrouw) en hij daarom een spraakrecorder bij zich had. Uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 januari 2012, blijkt dat [geïntimeerde] verklaarde dat er de nodige spanningen waren van wege een rechtszaak die hij tegen [appellant] was begonnen aangaande zijn ontslag. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen bij [appellant] melding van deze spanningen te maken en mede te delen dat hij zich niet veilig voelde op de werkplek, zodat [appellant] maatregelen had kunnen treffen, dan wel had [geïntimeerde] niet meer op het werk moeten te verschijnen totdat de situatie was gekalmeerd. [geïntimeerde] heeft dit niet gedaan, maar heeft er actief aan bijgedragen de spanningen te verhogen door provocerend te handelen, te weten door foto’s te maken op het bedrijfsterrein van [Dakkapellenspecialist] en van de auto van [zoon 1.], aldus [appellant].

4.5.3.

[geïntimeerde] heeft onder meer aangevoerd dat [appellant] bekend was met de spelende problematiek in de familiaire betrekkingen en dat hij als goed werkgever en vanuit zorgoogpunt richting zijn werknemers, zorg had dienen te dragen voor een werkbare werksfeer en een veilige werkomgeving.

4.5.4.

Het hof stelt het volgende voorop. Zoals door [appellant] meermalen is aangegeven (zie ook thans punt 36 MvG) vormt de grond van het ontslag op staande voet de omstandigheid dat [geïntimeerde] op het werk heeft gevochten. Welbeschouwd heeft [appellant] enkel dat incident voldoende geoordeeld voor het aannemen van een dringende reden. Thans wordt in het kader van het weerspreken van de dringende reden door [geïntimeerde] kennelijk alsnog door [appellant] teruggevallen op enig verwijt aan [geïntimeerde] in dit opzicht, maar die omstandigheid is niet aan het ontslag ten grondslag gelegd. Dat een dergelijke omstandigheid ook geen rol speelde bij het ontslag blijkt ook uit het feit dat beide “vechtersbazen” tegelijk zijn ontslagen.

Daarnaast is het hof van oordeel dat onder de hierna te bespreken omstandigheden van het geval de onderhavige vechtpartij op het werk niet kan leiden tot een zo vergaande maatregel als een ontslag op staande voet, zelf niet indien enig verwijt aan de zijde van [geïntimeerde] zou mogen worden aangenomen.

De omstandigheden waaronder het gevecht heeft plaatsgevonden.

4.5.4.a. Omtrent de omstandigheden waaronder het gevecht op 20 januari 2012 heeft plaatsgevonden heeft [geïntimeerde], als blijkt uit de inleidende dagvaarding, de conclusie van antwoord in reconventie, het proces-verbaal van comparitie en de overgelegde processen-verbaal van politie, zich op het standpunt gesteld dat hij op 20 januari 2012 door [zoon 1.] en [zoon 2.] in elkaar is geslagen. De aanleiding voor de zware mishandeling is, aldus [geïntimeerde], gelegen in de problematiek rondom de verdeling van de nalatenschap van zijn echtgenote, de dochter van [appellant], die in 2010 is overleden. [geïntimeerde] wordt door [appellant] en diens familie, naar hij stelt, beschuldigd van ‘lijkenpikkerij’. De verstandhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] en diens familie is nog slechter geworden sinds [geïntimeerde] een nieuwe vriendin heeft. [geïntimeerde] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de zware mishandeling op 20 januari 2012 in opdracht van, althans in samenspraak met, althans met wetenschap van, [appellant] heeft plaatsgevonden. Bij conclusie van antwoord in reconventie stelt [geïntimeerde] dat hij niet de agressor is geweest. en zich niet schuldig heeft gemaakt aan mishandeling in de zin van artikel 7:678 lid 2 sub e BW.

Ter onderbouwing van zijn betoog dat hij niet de agressor was, verwijst [geïntimeerde] naar de, in het proces-verbaal van bevindingen van 22 januari 2012 opgenomen, transcriptie van een opname met een spraakrecorder, welke spraakrecorder hij ten tijde van het incident bij zich droeg, omdat hij deze geweldseruptie aan zag komen.

Voor wat betreft de transcriptie luidt het proces-verbaal van bevindingen als volgt:

“Ik [ verbalisant; hof] zag dat de bandrecorder aan werd gezet door aangever [geïntimeerde] en hij vertelde mij [zoon 1.] het gesprek begon. Ik hoorde dat [zoon 1.] zei: He, heb je nou ook een grote smoel, jij hebt altijd een grote smoel. Ik hoorde dat aangever [geïntimeerde] antwoordde dat hij een grote smoel had. Ik hoorde dat verdachte [zoon 1.] zei: “je bent gewoon een grote vieze lijkenpikker, regelaar”. Ik hoorde dat aangever [geïntimeerde] antwoordde: “Ja, als jij dat denkt.”

(…)

Ik hoorde dat verdachte [zoon 1.] weer zei: “Denk er goed om. Je denkt dat je alles hebt uitgevonden maar je hebt niets uitgevonden. Ik hoorde dat aangever [geïntimeerde] antwoordde: “Als jij dat denkt. Alles wordt uitgezocht”. Ik hoorde dat verdachte [zoon 1.] antwoordde: “Wat wordt uitgezocht, wat wordt uitgezocht, wat wordt uitgezocht”. En dit ging gepaard met stemverheffing.

Ik hoorde dat het toen rommeliger werd op het bandje en dat er ruis begon te klinken.

(…)”

Ter comparitie heeft [geïntimeerde] betoogd dat hij de spraakrecorder op advies van het FNV had aangeschaft, omdat zijn schoonvader, [appellant], wilde dat [geïntimeerde] voor ontslag zou tekenen en, toen [geïntimeerde] dat niet deed, heeft gezegd dat hij ([appellant]) eindeloos tegen [geïntimeerde] zou procederen.

4.5.4.

b. Bij conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat niet van belang is wie de eerste klap heeft uitgedeeld. Wel treft [geïntimeerde], nu hij de keuze had om weg te lopen, maar heeft dit niet gedaan, voldoende verwijt aan de opgelopen escalatie en is een ontslag op staande voet gerechtvaardigd. [appellant] heeft de stelling van [geïntimeerde] dat de zware mishandeling op 20 januari 2012 in opdracht van, althans in samenspraak met, althans met wetenschap van [appellant] heeft plaatsgevonden betwist.

In reconventie heeft [appellant] betoogd dat [geïntimeerde] gezien het voorgaande een dringende reden voor ontslag heeft veroorzaakt.

Ten tijde van de comparitie van partijen heeft [appellant] betoogd dat hij geprobeerd heeft na te gaan waardoor het incident kon ontstaan. [zoon 1.] en zijn schoonzoon [geïntimeerde] liggen elkaar niet. Volgens [zoon 1.] heeft [geïntimeerde] foto’s gemaakt op het bedrijf waarmee hij zou willen aantonen dat bij [Dakkapellenspecialist] gebruik wordt gemaakt van zwartwerkers, hetgeen niet het geval is. Naar [appellant] van [zoon 1.] heeft begrepen, was de directe aanleiding voor [zoon 1.] om [geïntimeerde] aan te spreken het feit dat [geïntimeerde] tegen een andere medewerker een opmerking maakte over [appellant] als directeur die niet vleiend was.

4.5.4.

c. [zoon 1.] heeft verklaard, zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 januari 2012, dat hij [geïntimeerde] heeft aangesproken omtrent foto’s die [geïntimeerde] van het bedrijf zou hebben gemaakt, dat daaruit een woordenwisseling ontstond en dat [geïntimeerde] [zoon 1.] een klap met zijn vuist op het gezicht gaf. Op de vraag van de politie wat in de visie van [zoon 1.] de aanleiding voor de worsteling is geweest, heeft [zoon 1.] geantwoord dat zijn vader een gesprek met [geïntimeerde] over de toekomst van [geïntimeerde] bij het bedrijf heeft gehad. [appellant] wilde voor [geïntimeerde] WW aanvragen. De relatie met [geïntimeerde] zou niet meer werkbaar zijn, omdat deze al voor het overlijden van de dochter van [appellant] een nieuwe vriendin had. Daar zelfs [appellant] twijfelde of [geïntimeerde] nog steeds deze vriendin had, hebben [zoon 1.] en zijn broer, aldus [zoon 1.], bij het huis van deze vriendin staan posten. Toen [geïntimeerde] met zijn dochter, [dochter van geintimeerde], bij deze vriendin uit de poort kwam lopen, werd voor hen bevestigd dat [geïntimeerde] nog steeds deze vriendin had.

4.5.4.

d. Op de vraag van de politie “Weet jij de aanleiding van het gevecht” heeft [zoon 2.], zoals blijkt uit het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 22 januari 2012, verklaard: “Ik weet dat er problemen zijn met mijn zus, maar daar bemoei ik me niet mee. Ik weet dus niet wat de aanleiding is geweest.”

4.5.5.

Gezien hetgeen onder 4.5.4.a tot en met 4.5.4. d is weergegeven, is aannemelijk dat het gevecht tussen [geïntimeerde] en [zoon 1.] zijn oorsprong vindt in familiespanningen, waarbij het gezien de onder 4.5.4.a weergegeven transcriptie voldoende aannemelijk is dat [zoon 1.] op verbaal agressieve wijze de confrontatie heeft gezocht. Ten aanzien van de geluidsopname, waarvan voornoemde transcriptie de weergave is, geldt weliswaar dat [zoon 1.] voor de politie heeft gezegd zijn eigen stem niet te herkennen, maar [appellant] heeft niet betwist dat de spraakopname een weergave van de situatie direct voorafgaande aan het gevecht is. [appellant] heeft slechts betoogd dat het hem bevreemdt dat op de bandopname niet te horen is dat [zoon 1.] [geïntimeerde] heeft aangesproken over het feit dat deze foto’s op het bedrijfsterrein zou hebben gemaakt.

Het komt het hof niet aannemelijk voor dat [appellant] voorafgaand aan het gevecht niet van de familiespanningen heeft geweten. [appellant] betwist ook niet hetgeen door [zoon 1.], proces-verbaal d.d. 21 januari 2012, is verklaard, namelijk dat [appellant] WW voor [geïntimeerde] wilde aanvragen, omdat de relatie met [geïntimeerde] niet meer werkbaar zou zijn, nu deze al voor het overlijden van de dochter van [appellant] een nieuwe vriendin had.

In het onderhavige geval waar het een bedrijf betreft waar verschillende familieleden samenwerken, had [appellant] - die als werkgever voor een veilige werkomgeving zorg dient te dragen, waartoe ook de sfeer op het werk behoort - gezien de bestaande spanningen alert moeten zijn op een mogelijke escalatie en maatregelen ter voorkoming daarvan op het werk moeten nemen. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] dergelijke maatregelen heeft genomen. Onder voornoemde omstandigheden kan de onderhavige vechtpartij op het werk niet leiden tot een zo vergaande maatregel als ontslag op staande voet. Hoogstens tot een waarschuwing en een poging van de werkgever om in deze lastige situatie van familieconflict een andere oplossing te zoeken.

Het voorgaande brengt mee dat er geen dringende reden was als bedoeld in de artikelen 7: 677 en 7:678 BW. Grief 1 faalt.

4.6.

Nu geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in de artikelen 7:677 en 7:678 BW, komt aan [appellant] geen schadevergoeding toe op grond van artikel 7:677 lid 3 jo 7: 680 BW. Daarmee faalt ook grief 3.

4.7.

Ook grief 2 faalt. Nu het op de weg van [appellant] lag maatregelen tegen escalatie te nemen, is, anders dan [appellant] betoogt, niet gebleken van een zodanig aandeel van [geïntimeerde] in de ontstane situatie dat op grond daarvan de wettelijke verhoging als door de kantonrechter toegewezen, dient te worden beperkt.

4.8.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 683,00 aan verschotten en op € 894,00 aan salaris advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 april 2014.