Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1197

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
09/00477
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:559, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft door de VAR-beschikking te weigeren een onrechtmatige daad jegens belanghebbende begaan. Niet aannemelijk is dat belanghebbende schade heeft geleden als gevolg van het eerst op 1 oktober 2010 afgeven van de VAR-beschikking voor het jaar 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1248 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2010/37.16
V-N Vandaag 2014/1008

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00477

Nadere uitspraak op het incidentele hoger beroep van

mevrouw [belanghebbende],

wonende te [woonplaats], België,

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda, thans Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 22 juli 2009, nummer AWB 09/673, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg/kantoor [A],

hierna: de Inspecteur,

betreffende het verzoek van belanghebbende om toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2009 een verzoek ingediend om een beschikking als bedoeld in artikel 3.156, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de VAR-beschikking). De Inspecteur heeft geweigerd de VAR-beschikking voor het jaar 2009 af te geven. Het tegen die weigering gerichte bezwaar van belanghebbende is door de Inspecteur bij uitspraak afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank alsnog de VAR-beschikking 2009 aan belanghebbende te verstrekken.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

De tweede meervoudige Belastingkamer van het Hof heeft op 7 mei 2010 uitspraak gedaan in de hoofdzaak met kenmerk 09/00477 met het volgende dictum:

“Het Hof:

- verklaart het principaal hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met de verbetering van de gronden zoals hierboven aangegeven;

- gelast dat de Inspecteur met inachtneming van de uitspraak van het Hof de VAR-beschikking 2009 aan belanghebbende verstrekt;

- verklaart dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de toe te kennen schadevergoeding het onderzoek wordt heropend teneinde de omvang van de schade vast te stellen;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 483, en

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 448.”

1.6.

Bij brief van 18 januari 2013 heeft de griffier belanghebbende medegedeeld dat het Hof ter voorbereiding van een nadere uitspraak op haar verzoek om vergoeding van de in verband met de zaak geleden schade het onderzoek heeft heropend en is belanghebbende in de gelegenheid gesteld de omvang van de schade te onderbouwen.

1.7.

Bij schrijven van 29 januari 2013 met bijlagen heeft belanghebbende haar onderbouwing van de omvang van de schade gegeven.

1.8.

Bij brief van 12 februari 2013 heeft de griffier de Inspecteur medegedeeld dat het Hof ter voorbereiding van een nadere uitspraak op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de in verband met de zaak geleden schade het onderzoek heeft heropend, de Inspecteur een afschrift van de reactie van belanghebbende van 29 januari 2013 met bijlagen toegezonden en de Inspecteur de gelegenheid geboden om daarop schriftelijk te reageren.

1.9.

De Inspecteur heeft bij schrijven van 16 april 2013 met bijlagen op voormelde brief van belanghebbende gereageerd.

1.10.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbendes gemachtigde vóór de zitting bij schrijven van 13 november 2013 nadere stukken ingediend en in dit schrijven aangegeven dat noch hij, noch belanghebbende bij de zitting aanwezig zullen zijn. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.11.

De zitting heeft plaatsgehad op 6 december 2013 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C].

1.12.

De Inspecteur heeft ter zitting aangiftegegevens over de jaren 2008, 2009 en 2010 van belanghebbende overgelegd.

1.13.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.14.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

1.15.

Bij brieven van 14 januari 2014 heeft het Hof partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend en heeft het belanghebbende in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de door de Inspecteur ter zitting van het Hof overgelegde aangiftegegevens, met name op de verschillen tussen deze gegevens en de door belanghebbende overgelegde gegevens.

1.16.

Bij schrijven van 22 januari 2014 met bijlagen heeft belanghebbende haar reactie gegeven.

1.17.

De griffier heeft bij brief van 30 januari 2014 de Inspecteur een afschrift van de reactie van belanghebbende van 22 januari 2014 met bijlagen toegezonden en de Inspecteur de gelegenheid geboden om daarop schriftelijk te reageren.

1.18.

De Inspecteur heeft bij schrijven van 20 februari 2014 met bijlagen op voormelde brief van belanghebbende gereageerd.

1.19.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende woont in België en is ziekenverzorgster. Sinds 1 april 2008 verricht zij haar werkzaamheden als zelfstandige.

2.2.

Belanghebbende is per 14 april 20008 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel met als bedrijfsactiviteit “Thuiszorg”.

2.3.

Belanghebbende heeft vanaf 1 april 2008 een postadres op het adres [a-straat] 12 te [A], het woonadres van haar schoonmoeder. Op dit postadres ontvangt belanghebbende post, welke bestaat uit reclamemateriaal en bedankkaartjes van klanten.

Belanghebbende huurt in het woonhuis van haar schoonmoeder een kamer, waarin zij een deel van haar administratieve werkzaamheden verricht en die ze tevens gebruikt als uitvalsbasis voor het bezoek aan haar cliënten.

2.4.

De kring van opdrachtgevers van belanghebbende is wisselend en omvatte circa 9 tot 13 personen per dag.

Het merendeel van deze personen is in de jaren 2008-2010 houder van een persoonsgebonden budget (PGB).

2.5.

Belanghebbende is op 6 november 2009 in verband met een ziekte geopereerd en heeft vanaf 5 november 2009 tot 1 augustus 2010 geen werkzaamheden uitgevoerd in verband met haar ziekte.

2.6.

Belanghebbende verklaart in het verzoek om de afgifte van de VAR-beschikking 2009 dat er geen wijzigingen zijn ten opzichte van 2008, voor welk jaar een VAR-beschikking door de Inspecteur was afgegeven en waarin werd vastgesteld, dat belanghebbende winst uit onderneming genoot.

2.7.

Op 1 oktober 2010 is een VAR-beschikking voor het kalenderjaar 2009 afgegeven door het Landelijk Coördinatiepunt VAR te Groningen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of, en zo ja, tot welk bedrag belanghebbende schade heeft geleden als gevolg van de weigering van de Inspecteur om de VAR-beschikking voor het jaar 2009 af te geven.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vaststelling van de omvang van de schade op een bedrag van € 27.000.

De Inspecteur concludeert, primair, tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding en, subsidiair, tot toekenning van de schadevergoeding over een periode van maximaal 12 maanden.

4 Gronden

Ten aanzien van het recht op schadevergoeding

4.1.

Het Hof heeft in de uitspraak van 7 mei 2010 het volgende overwogen:

“4.10. Belanghebbende vraagt om een vergoeding van de in verband met deze zaak geleden schade. Zij stelt, dat zij door het uitblijven van de VAR-beschikking schade heeft geleden. Het Hof overweegt, dat een Inspecteur die een besluit neemt en handhaaft, dat naderhand door de rechter wordt vernietigd, een onrechtmatige daad begaat. Ook indien de Inspecteur geen verwijt treft, moet worden aangenomen dat de schade als gevolg van deze daad voor zijn rekening komt, behoudens ingeval zich bijzondere

omstandigheden voordoen. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur door de VAR-beschikking te weigeren een onrechtmatige daad jegens belanghebbende heeft begaan en dat de daarop gevolgde schade voor zijn rekening komt. Een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, is gesteld noch gebleken.

4.11.

Belanghebbende heeft de omvang van die schade niet gesteld. Het Hof zal daarom overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:73, lid 2, van de Awb het onderzoek heropenen teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen de omvang van de schade te onderbouwen.”

4.2.

Het Hof heeft in de hiervoor vermelde uitspraak overwogen dat de Inspecteur door de VAR-beschikking te weigeren een onrechtmatige daad jegens belanghebbende heeft begaan. Thans is aan de orde de vraag in hoeverre belanghebbende als gevolg van die onrechtmatige daad schade heeft geleden.

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang moet door de bestuursrechter zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht uit de artikelen 6:95 - 6:126 van het Burgerlijk Wetboek (MvA II, Parlementaire Geschiedenis Awb II, pagina 476).

4.4.

Belanghebbende stelt in het schrijven van 29 januari 2013 dat zij door het gebrek aan een geldige VAR-beschikking tenminste één cliënt per maand zou zijn misgelopen en heeft de omvang van de schade geschat op € 27.000.

Ter motivering van de omvang van de schade heeft belanghebbende zorgstaten overgelegd voor de jaren 2008 en 2009 en deze zorgstaten verwerkt in spreadsheets.

Daarnaast heeft belanghebbende over de periode mei tot en met december 2008 een overzicht overgelegd van de omzet behaald bij vier cliënten, waarbij de PGB-zorg niet via [D] liep.

4.5.

In het schrijven van 22 januari 2014 heeft belanghebbende het volgende vermeld:

“(…)

In relatie tot de dezerzijds verstrekte gegevens is alleen de omzet relevant.

Die bedroeg:

2008 € 30.131

2009 € 49.881

2010 € 17.006

(…)

Van de PGB omzetten is over 2008 en 2009 een opgave van [D] beschikbaar. Die overzichten zijn bij de brief van 29 januari 2013 bijgesloten als bijlage 1 en 2. De totaalbedragen daarvan zijn:

2008 € 10.116,78

2009 € 7.303,27

(…)

De totale omzet was in 2009 € 19.750 ( € 49.881 -/- € 30.131) hoger dan in 2008.
(…)”

4.6.

De door belanghebbende in het schrijven (met bijlagen) van 29 januari 2013 verstrekte gegevens bieden naar het oordeel van het Hof onvoldoende houvast om de omvang van een daadwerkelijk, als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Inspecteur, door belanghebbende geleden schade vast te stellen. Belanghebbende heeft geen verklaringen van cliënten overgelegd, waaruit zou blijken dat zij geen zorgovereenkomst met haar wilden sluiten omdat een VAR-verklaring ontbrak.

4.7.

Ook met de bij het schrijven (met bijlagen) van 22 januari 2014 overgelegde nadere gegevens is de aanwezigheid respectievelijk de omvang van een schade onvoldoende onderbouwd.

Zoals de Inspecteur terecht stelt kwam voor belanghebbende, indien het zo zou zijn dat ze minder PGB-cliënten heeft kunnen verwerven door het aanvankelijk ontbreken van een VAR-verklaring, tijd vrij om niet-PGB-cliënten aan te trekken; het omzetverloop van 2008 en 2009 geeft alle aanleiding om te veronderstellen dat dit zich ook heeft voorgedaan.

Immers uit het schrijven van belanghebbende van 22 januari 2014 en de daarbij overgelegde jaarrekeningen blijkt, dat de PGB-omzet, niet zijnde [D], in 2009 significant is gestegen (van € 9.462,50 naar € 16.003) en dat ook de AWBZ-zorg is gestegen.

Zo al een omzetdaling in de totale PGB-zorg (dus inclusief [D]) is aan te nemen, blijkt uit de onder 4.5 vermelde gegevens dat de totale omzet in 2009 ten opzichte van 2008 met 65,5% is gestegen. Van enige als gevolg van de onrechtmatige daad van de Inspecteur geleden schade is derhalve niet gebleken.

4.8.

Het Hof acht, op grond van het vorenoverwogene, niet aannemelijk dat belanghebbende schade heeft geleden als gevolg van het eerst op 1 oktober 2010 afgeven van de VAR-beschikking voor het jaar 2009.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Gelet op het feit dat aan belanghebbende geen schadevergoeding wordt toegekend acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van deze schadestaatprocedure redelijkerwijs heeft moeten maken.

5 Beslissing

Het Hof wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan op 25 april 2014 door J. Swinkels, voorzitter, P.C. van der Vegt en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.