Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1193

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
20-003961-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003961-11

Uitspraak : 24 april 2014

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 20 oktober 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-145127-11 tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van een poging tot zware mishandeling (feit 1) en vernieling (feit 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

Door de verdediging is vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde bepleit. Tevens is bepleit de in eerste aanleg opgelegde straf te matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair
hij op of omstreeks 7 februari 2011 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerder malen, althans eenmaal, met een breekijzer richting het hoofd en/of lichaam van deze [aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.

subsidiair
hij op of omstreeks 7 februari 2011, in de gemeente Heerlen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten[aangever]), meerdere malen, althans eenmaal met een breekijzer heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 7 februari 2011, in de gemeente Heerlen, opzettelijk en wederrechtelijk de ruit(en) van een toegangsdeur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het voorhanden zijnde dossier is het volgende gebleken. Verdachte is op 7 februari 2011 ‘verhaal’ gaan halen bij aangever [aangever]. Verdachte had naar eigen zeggen een breekijzer bij zich en heeft daarmee in de richting van aangever geslagen zonder deze te raken (verhoor verdachte, p. 16 van het dossier van voorbereidend onderzoek). Om tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling te komen, dient het hof te beoordelen of in het geval van een voltooid delict de aanmerkelijk kans bestond dat bij aangever zwaar lichamelijk zou ontstaan. Daartoe is van belang met welk voorwerp verdachte heeft geslagen en op welk deel van het lichaam van aangever de slagen gericht waren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende gebleken dat verdachte zodanig in de richting van het lichaam van de aangever heeft geslagen dat daaruit kan worden afgeleid dat daardoor zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan.

Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Nu het hof er van uit gaat dat verdachte alleen in de richting van de aangever heeft geslagen, zal het hof ook vrijspreken van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuigende aanwijzingen naar voren gekomen die de lezing van de aangever ondersteunen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op 7 februari 2011, in de gemeente Heerlen, opzettelijk en wederrechtelijk de ruiten van een toegangsdeur, toebehorende aan [aangever 2], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen1

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit volstaat het hof, gelet op de bekennende verklaring van verdachte daaromtrent, met een opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1.

Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 8 februari 2011, pagina’s 8 t/m 10, voor zover inhoudende de verklaring van [persoon 1] namens aangever [aangever 2].

2.

Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 februari 2011, pagina’s 5 t/m 7, voor zover inhoudende de verklaring van[aangever].

3.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 7 februari 2011, pagina 17, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte[verdachte].

4.

De ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2014 ten overstaan van het hof afgelegde bekennende verklaring van verdachte[verdachte].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De verdediging heeft bepleit om de in eerste aanleg opgelegde straf te matigen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft twee ruiten toebehorende aan [aangever 2] vernield. Hierdoor is schade en overlast veroorzaakt. Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof houdt bij de straftoemeting voorts rekening met de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 februari 2014, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Nu het hof verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrij zal spreken, komt het hof tot een lagere strafoplegging dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Gelet op de financiële situatie van de verdachte acht het hof een geldboete een minder passende bestraffing.

Alles in overweging nemende, acht het hof een taakstraf voor de duur van 30 uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.M. Spooren, griffier,

en op 24 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. Eijsenga en mr. M.A.M. Wagemakers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de opgenomen bewijsmiddelen ten aanzien van de bewijsmotivering wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het proces-verbaal van de Regiopolitie Limburg Zuid, District Heerlen, Bedrijfsbureau District Heerlen, registratienummer [nummer], met sluitingsdatum 18 mei 2011, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, pagina’s 1 t/m 66.