Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1192

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
20-001628-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroodeling wegens overtreding van art. 8, eerste lid, WvW en art. 5 WvW. Onjuiste pleegplaats in tenlastelegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001628-12

Uitspraak : 24 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 11 april 2012 in de strafzaak met parketnummer 03-044136-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te[adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van een overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 1) en een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 2) veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 24 uren, subsidiair 12 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden voor feit 1 en een werkstraf voor de duur van 14 uren, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, voor feit 2. Voorts heeft de politierechter beslist over een in beslag genomen voorwerp.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Namens verdachte is primair de nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank bepleit. Subsidiair is vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde. Voorts is bepleit dat aan verdachte een kortere ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd dan in eerste aanleg en dat de inbeslaggenomen personenauto wordt teruggegeven aan de rechthebbende.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg

De verdediging heeft bepleit dat niet is gebleken dat verdachte het laatste woord heeft gevoerd in eerste aanleg. Dit dient te leiden tot nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg en terugwijzing van de zaak naar de politierechter. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich niet meer kan herinneren of hij het laatste woord heeft gevoerd op de terechtzitting in eerste aanleg. Sprake lijkt te zijn van een standaardzin in het proces-verbaal.

Het hof overweegt als volgt.

In het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 april 2012 van de politierechter te Maastricht is op pagina 2 gerelateerd dat aan verdachte het recht wordt gelaten het laatst te spreken. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd - anders dan dat verdachte het zich niet meer kan herinneren - om zijn verweer aannemelijk te maken. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan het proces-verbaal.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Ten overvloede overweegt het hof dat het verzuim van de rechter in eerste aanleg om aan de verdachte het recht te laten om als laatste te spreken geen grond is voor terugwijzing van de zaak naar de eerste rechter als bedoeld in artikel 423, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij, op of omstreeks 14 december 2011, in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.
hij, op of omstreeks 14 december 2011, in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, A2, zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/althans op zodanige wijze met hoge snelheid over de linker rijstrook reed terwijl de rechter rijstrook geheel vrij was en/of (vervolgens) nauwelijks snelheid minderde bij het naderen van over de weg geplaatste matrixborden en/of (vervolgens) de linkerrijstrook gebruikte om het overige verkeer in dezelfde rijrichting in te halen en/of (vervolgens) meermalen althans eenmaal de dubbele doorgetrokken streep overschreed en/of (vervolgens) de tweetal opvolgende S-bochten afsneed, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij, op 14 december 2011, in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij wist, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.
hij, op 14 december 2011, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, A2, onvoorzichtig met hoge snelheid over de linker rijstrook reed terwijl de rechter rijstrook geheel vrij was en nauwelijks snelheid minderde bij het naderen van over de weg geplaatste matrixborden en de linkerrijstrook gebruikte om het overige verkeer in dezelfde rijrichting in te halen en meermalen de dubbele doorgetrokken streep overschreed en de tweetal opvolgende S-bochten afsneed, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof merkt op dat aan de verdachte onder 2 ten laste is gelegd dat door zijn gedragingen gevaar dan wel hinder op de weg werd veroorzaakt. In de tenlastelegging is opgenomen dat deze gedragingen zouden hebben plaatsgevonden op 14 december 2011 rijdende op de A2 in de gemeente Eijsden-Margraten. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is echter gebleken dat de ten laste gelegde gedragingen zich grotendeels hebben voorgedaan in de gemeente Maastricht. Het hof overweegt hieromtrent dat zowel uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep als in eerste aanleg blijkt dat bij verdachte geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten en met name ook niet waar ter plaatse de verweten gedragingen zich hebben voorgedaan, namelijk op de A2, en dat ter zake ook geen verweer is gevoerd. Het hof kiest daarom in de bewezenverklaring als pleegplaats voor de omschrijving “op de weg, A2”

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij niet heeft gereden naar Maastricht. Pas nadat de andere personen waren afgezet, heeft hij een klein stukje gereden om de auto te parkeren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het proces-verbaal van relaas is het volgende gerelateerd. Verbalisanten[verbalisant 1] en[verbalisant 2] bevonden zich op woensdag 14 december 2011 omstreeks 23:35 uur met een onopvallende dienstwagen op de parkeerplaats “Patiel” gelegen aan de autosnelweg A2 te Eijsden. Naar aanleiding van een melding van een collega besloten zij een personenauto, [auto], te volgen die eerder die collega met zeer hoge snelheid had gepasseerd op de A2. Op het moment dat de verbalisanten de parkeerplaats verlieten, zagen zij de personenauto met hoge snelheid naderen. De verbalisanten zagen dat het de [auto] betrof. Ze zagen een viertal inzittenden, inclusief de bestuurder (dossierpagina 6).

Rijdende op de Sibemaweg (te Maastricht; hof) zagen verbalisanten dat de bestuurder van de personenauto linksaf de Mauritslaan insloeg. Hierna raakten zij de personenauto uit het zicht. De verbalisanten relateren van de bestuurder het volgende signalement: manspersoon van Noord-Afrikaanse afkomst, leeftijd ongeveer 20 jaar, normaal postuur, zwarte haren en donkerkleurige bovenkleding (dossierpagina 7).

Verbalisanten stelden een onderzoek in de wijk in en zagen even later de personenauto rijden aan het einde van de Heerdergroenweg. De bestuurder parkeerde de personenauto op de Scharnerweg ter hoogte van de outdoorwinkel. Verbalisanten zagen dat enkel nog de bestuurder in de personenauto aanwezig was. Dit was dezelfde persoon die eerder als bestuurder was opgetreden. De bestuurder bleek na aanhouding [verdachte] te zijn (dossierpagina 7).

Verdachte heeft op 15 december 2011 te 11.00 uur bij de politie een verklaring afgelegd. Op de vraag van verbalisanten met welke snelheden hij gisteren had gereden, verklaarde verdachte dat hij met normale snelheden had gereden en dat hij 120 reed waar je 120 mag en dat hij 70 reed waar je 70 mag. Als reactie op de opmerking van de verbalisanten dat door de politie was waargenomen dat verdachte met snelheden tot 225 km/u zou hebben gereden, verklaarde verdachte dat hij dat niet zou durven omdat het hard regende gisteren (dossierpagina’s 22 en 23).

Het hof overweegt dat uit de verklaring van verdachte volgt dat hij wel degelijk de bestuurder is geweest, maar dat hij niet naar waarheid heeft verklaard omtrent de gereden snelheid.

Op grond van het voorgaande in samenhang bezien is het hof van oordeel dat geen twijfel bestaat over degene die bestuurder van de [auto] was toen deze over de A2 reed van Eijsden naar Maastricht, zijnde de verdachte. Het feit dat verdachte achteraf stelt dat zijn bij de politie afgelegde verklaring niet klopt, maakt dit oordeel niet anders.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het hof is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994,

en is strafbaar gesteld bij artikel 176, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994,

en is strafbaar gesteld bij artikel 177, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan door de politierechter is opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat verdachte uitermate gevaarlijk en riskant heeft gereden. Daarbij komt nog dat verdachte deze gedragingen heeft verricht onder invloed van cannabinoïden. Verdachte heeft zich duidelijk geen rekenschap gegeven van de eventuele gevolgen van zijn handelen en het hof rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 februari 2014, eerder onherroepelijk is veroordeeld, zij het niet voor verkeersovertredingen.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Alles in overweging nemende acht het hof een geldboete van € 550,- ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde en een werkstraf voor de duur van 60 uren, alsmede 1 maand hechtenis voorwaardelijk ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde voor de duur van zes maanden aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Beslag

Onder de verdachte is een personenauto, [auto], in beslag genomen. Gebleken is dat de personenauto toebehoort aan [persoon]. Het hof zal - anders dan de rechtbank - de teruggave van de personenauto gelasten aan [persoon]. Het hof overweegt dat blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat [persoon] rederlijkwijs moest vermoeden dat de personenauto op een wijze en onder omstandigheden als bewezen verklaard gebruikt zou worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan [persoon] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 personenauto, kenteken [kenteken], [auto].

Aldus gewezen door:

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.M. Spooren, griffier,

en op 24 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. Eijsenga en mr. M.A.M. Wagemakers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.