Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1170

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
20-003131-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verstek
Inhoudsindicatie

Ongewenst vreemdeling. Anders dan de rechtbank komt het hof niet tot het oordeel dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Niet aannemelijk dat verdachte op de ten laste gelegde datum geen mogelijkheid had om Nederland te verlaten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197, geldigheid: 2014-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003131-12

Uitspraak : 18 april 2014

VERSTEK d.n.i.p.

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 3 september 2012 in de strafzaak met parketnummer 02-680142-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 februari 2012 te Breda als vreemdeling in Nederland heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden, dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud) (zie beschikking van 2 juni 1988 van de van de Immigratie- en Naturalisatiedienst), althans op grond van een/enig wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 februari 2012 te Breda als vreemdeling in Nederland heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud) (zie beschikking van 2 juni 1988 van de van de Immigratie- en Naturalisatiedienst) tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Anders dan de politierechter komt het hof niet tot het oordeel dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof overweegt hiertoe dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte op de ten laste gelegde datum geen mogelijkheden had om Nederland te verlaten. Blijkens informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek is de verdachte op 16 september 2013 met behulp van IOM (International Organization for Migration) en met een financiële bijdrage van EUR 500,-- vrijwillig naar Suriname vertrokken. Evenmin is aannemelijk geworden dat dit vertrek op de ten laste gelegde datum niet mogelijk was.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De verdachte is - zoals hierboven al overwogen - op 16 september 2013 in het kader van zelfstandig vertrek met behulp van IOM vertrokken. Daarmee is de terugkeerprocedure geheel doorlopen, in welk geval de Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven) niet langer van toepassing is.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van onwettig verblijf in Nederland. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf, een

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van redenen gebleken om in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. van der Linden, griffier,

en op 18 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.M.G. Smit en mr. J.W. van der Linden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen